In dit scherpzinnige en tegendraadse filosofieboek onderzoekt Martijn Meijer de schijnbaar alomtegenwoordige obsessie met genot. Meijer onthult hoe onze samenleving doordrenkt is met gefabriceerde voorstellingen van plezier en extase.
Maar onder die façade van overvloedig genot schuilt een diepgaande vraag: is het ware genot werkelijk zo gemakkelijk bereikbaar? Waarom blijven onze verlangens anders zo vaak onbevredigd? Meijer betwist dat we in een hedonistisch tijdperk leven en nodigt de lezer uit om de waarheid achter de schijn te ontdekken.
Wat doet een cultuur die niet alleen God en gebod afschudt, maar ook het welzijn van het individu de leidende morele factor maakt in de samenleving? Juist, die omarmt het hedonisme als ultieme (bijna objectieve) ideaal, het genot als zin des levens. Klinkt herkenbaar, of lijkt het maar zo?
Op overtuigende wijze laat filosoof Martijn Meijer zien hoe de mens gedreven wordt door een zucht naar een groot genot dat tot de ultieme bevrediging leidt, maar dat dit moment nooit bereikt wordt. Het deed me denken aan de denkfout van "nog even dit afmaken en dat kan ik rust pakken" of "nog even dit regelen en dan ben ik gelukkig" - waarbij het gedroomde moment vervolgens nooit aanbreekt, omdat rust en geluk zaken blijken waar dagelijks steeds opnieuw aan gewerkt moeten worden. Wat hierbij niet helpt, is dat een deel van onze verlangens niet door onszelf zijn ingegeven, maar door de commercie als "valse verlangens" worden opgelegd, door de cultuur worden ingeprent of zelfs in de taal waarmee we communiceren verborgen zit. Zijn we wel zo'n genotscultuur of draaien we onszelf slechts een rad voor ogen?
Meijer gebruikt veel interessante denkers om zijn betoog kracht bij te zetten, zoals Lacan, Zizek, Schopenhauer en de onvolprezen Byung-chul Han. Veel dynamieken die in het boek omschreven worden, doen ook denken aan de 'Letzte Mensch' van Nietzsche. Hoe kan het dat we denken ons eigen genot na te jagen, maar hierbij juist een gevoel van kalmte, geluk en tevredenheid mislopen of zelfs saboteren? Dit boek biedt zeer interessante inzichten in die kwestie.
Ik weet niet of ik het eens ben met alle filosofische constructies die in dit boek de revue passeren. De overkoepelende is een klassieke: er is het zuivere genot, onbereikbaar en misschien wel illusoir, en er is het alledaagse genot, afgeleid, onvolmaakt en tijdelijk. (‘Louter schijn waaraan het wezen van de zaak ontbreekt,’ in de woorden van Schopenhauer.) Meijer leent bij Marc De Kesel de vaststelling dat we ons in het leven ‘onvolledig’ voelen. Ons verlangen naar een ultieme bevrediging is ‘een verlangen naar onszelf’. We zijn een en al verlangen en het einddoel ervan schuift steeds voor ons uit. Ja, heb dat aan de hand. Het valt dan ook te denken dat we een vogel voor de kat zijn in onze consumptiemaatschappij waarin wij ons onbevredigbaar oerverlangen tijdelijk verzadigen of verdoven met een onuitputbaar arsenaal aan genotsartikelen. Dat overaanbod aan prikkels kan onze geest niet aan en sleurt ons regelrecht de burn-out in. Maar wat wil je ook: ‘grenzeloos genieten is een sociale plicht geworden’.
Dat is toch allemaal een beetje kort door de bocht, en hoewel Meijer dat ook enigszins toegeeft, komt hij nooit los van de moraliserende ondertoon die deze filosofische uitgangspunten in het algemeen en een bespreking van het genot in het bijzonder onvermijdelijk met zich meebrengen. Als ik u zeg dat ik tijdens het schrijven van deze tekst aan het genieten ben van een kopje koffie, dan heeft mijn genot ‘iets kunstmatigs’, omdat het in een cultureel verschijnsel is veranderd. Het is niet zuiver. Het is aangetast. Ik heb namelijk leren genieten van koffie, zoals ik als Vlaming niet heb leren genieten van karnemelk. ‘Het genieten is nu een doen-alsof geworden,’ lezen we in het hoofdstuk over metagenot en surplusgenot, dat het verder ook heeft over de virtuele bubbels die ons van de werkelijkheid doen vervreemden en over al het kwaad dat pornografie aanricht. ‘We kunnen dit een vorm van zelfbedrog noemen,’ besluit Meijer, ‘die voortkomt uit de onwil of het onvermogen om de realiteit onder ogen te zien: dat er op deze wereld geen blijvend genot of geluk te vinden is.’ (Zo had ik mijn koffie nog niet bekeken.)
Deze en vorige citaten die ik hier opneem zijn maar enkele van de vele filosofische statements uit het boek die ik graag wat kritischer belicht had gezien. Wat als we nu eens niet het onvermogen hebben de realiteit onder ogen te zien? Wat als er enkel een intersubjectieve werkelijkheid bestaat (er is geen andere) en wij enkel contextueel bestaan (er is geen zuiver ‘ik’)? Waarom moet ik zomaar aannemen dat de mensheid en zijn individuele leden een zuiverheid hebben verloren, naar een of andere ultieme bevrediging hunkeren en erdoor ‘verteerd’ worden?
We zijn een en al verlangen, maar hoe verschilt dat van de plant die zich naar de zon draait en voedingsstoffen uit de bodem haalt? De menselijke genotszucht is het grote net waarin klaarblijkelijk het hele leven wordt gevangen. Wanneer die genotszucht (de ‘levenswil’ bij Schopenhauer) dan wordt geconcretiseerd, focussen de voorbeelden zich voor het gemak op seksuele verlangens. (Zijn de observaties daarover zomaar te extrapoleren naar andere manifestaties van genot?) Daar is dan dat moralistische weer: pornografie is ‘een zielloze vertoning’ waarin seks wordt ‘geparodieerd’. Maar ook de geslachtsgemeenschap tussen minnaars is ‘ontluisterend’. Waarom? Omdat het genot van het orgasme ‘een vluchtige illusie is gebleken’: ‘het verheven streven van de eros’ (dat immer vanzelfsprekende axioma!) ‘loopt plotseling op niets uit’.
Er zijn ‘hogere’ en ‘lagere’ genoegens, observeert Meijer. Hij schrijft: ‘Dat is niet zozeer mijn eigen oordeel, maar meer het oordeel van een bepaalde bovenlaag van de maatschappij: aan dat wat makkelijk is en overvloedig aanwezig, wordt een lagere waarde toegekend dan aan wat moeilijk is en schaars. Taart eten of naar muziek luisteren wordt daarom lager ingeschat dan zelf een lekkere taart bakken of een instrument goed leren bespelen.’ Hogere genoegens leveren volgens filosofen (en die vage ‘bovenlaag van de maatschappij’) meer op omdat ze zich niet direct richten op het genot. Maar daar moet ik het als lezer ongeveer mee doen. Naar wat er zo fout is aan mij richten op het genot en naar wat het mij meer oplevert door dat niet te doen blijft het gissen. Waar ligt dan de grens? En wat is Meijers oordeel dan wel? (Op het einde pleit hij voor een soort duurzaam genieten, niet gericht op het exploiteren van de wereld, maar op een onuitputtelijke innerlijke bron; een genieten dat niets neemt maar schenkt in de vorm van speelse en creatieve daden.)
Los daarvan geeft De droom van het genot een vlot geschreven overzicht van wat tal van denkers over verlangen en genot geschreven hebben (waarvan Freud, Lacan, Schopenhauer, Plato en Aristoteles alleen de grootste namen zijn). Dat is op zich interessant.
Onze zoektocht naar het genot, schrijft Lev Tolstoj in Mijn biecht, is niet meer dan een vergeefse poging om de zinloosheid van het leven te ontkennen, escapisme dus, dat altijd op een teleurstelling uit zal draaien. Tolstoj maakte met die visie deel uit van een lange traditie van genotmisprijzers waartoe ook Cicero en Arthur Schopenhauer behoren en die begon bij Plato. Zijn leerling Aristoteles zag het echter anders. Natuurlijk kun je genieten in het leven, meende hij, het is gewoon een zaak van de gulden middenweg, van je er niet in te verliezen. Hij lag daarmee aan de basis van de tweede grote strekking in het westerse denken over genot, beweert Martijn Meijer in De droom van het genot. Wat Tolstoj van onze hedendaagse fixatie op genot zou vinden weten we niet, maar een positieve evolutie zou hij het wellicht niet vinden. Genieten is een plicht geworden. En dus gaan we iedere zomer met zijn allen op reis en als we op onze bestemming het genot niet meteen vinden, beginnen we angstvallig naar al die genieters om ons heen te kijken, want zij kunnen het blijkbaar wel. Wat dit vooral toont is dat genot cultureel bepaald is, aldus Meijer. Genieten van een kopje koffie kun je bijvoorbeeld alleen omdat je dat geleerd hebt. Van nature is dat bittere spul immers niet zo lekker. Volgens Sigmund Freud, een denker die in de traditie van Plato past en waarmee Meijer duidelijk affiniteit heeft, net zoals met Jacques Lacan en Slavoj Zizek trouwens, zorgt die culturele buitenwereld ervoor dat de mens zijn onbegrensde genotzucht moet indammen om in een gemeenschap te kunnen leven. Het kind moet afstand doen van zijn unieke band met de moeder en daarmee wordt het voor altijd afgesneden van het ultieme genot. Wat we daarna ook doen, roken, drinken, spuiten of ons te buiten gaan aan porno en losbandigheid, het is voorgoed weg. Het genotbejag is dus in feite niets meer dan een verlangen naar het ultieme nirwana, meende Freud, en dus naar de dood. Meijer zet dit alles scherp, met de nodige distantie en toegankelijk neer. Hij kent zijn klassieken, maar hij beseft ook dat niet iedereen meteen zin heeft om in Lacans achtste seminarie te duiken. Bovendien is hij Aristoteliaan genoeg om te beseffen dat we op metaniveau misschien nooit volledig zullen kunnen genieten, maar dat we het in ons dagelijks leven wel degelijk doen, en dat er niveaus zijn in dit genot. Echt genieten heeft alles te maken met open staan voor de wereld analyseert Meijer het gevoel. Wanneer je denkt het te kunnen bemeesteren, glipt het weg tussen je vingers, en wanneer je het niet zoekt, overvalt het je. Het is een zaak van harmonie, zoals de pianist je zal vertellen, tussen hemzelf en zijn instrument.
Boeken lezen zou eigenlijk moeten gaan om de ervaring van de lezer met zijn boek, misschien zelfs over de uitwisseling tussen lezer en auteur. Een boek moet je aan het denken zetten, moeilijk doorheen te komen zijn. Een boek zou niet geconsumeerd moeten worden. Als je een boek leest verdwijnt het niet, maar door te lezen vermenigvuldig je de woorden juist. Woorden die iets betekenden voor de auteur gaan iets nieuws betekenen voor de lezer. Een boek zou opnieuw gelezen moeten worden, zodat de woorden opnieuw ververst worden.
Het lezen van boeken gaat niet over het uit hebben of afmaken. Reading-challenges zouden eigenlijk een manier moeten zijn om mensen aan te zetten tot meer denken. Meer unieke perspectieven opnemen en dat vervolgens bespreken met je vrienden. In plaats daarvan wordt het een wedstrijd om te zien wie er het meest intellectueel is. Wie heeft er het meest een boek gelezen in plaats van zijn telefoon gebruikt? Wie van ons heeft meegedaan aan het hogere genot (in utilitaristische zin)? Lezen zou een activiteit moeten zijn die je weg brengt van het hersenloos scrollen op tiktok of instagram, maar uiteindelijk heeft het dezelfde vorm aangenomen.
En nu... Nu wordt het afmaken van het boek nog verder geëxternaliseerd in een goodreads score. Een lullig knopje op mijn computerscherm "read". Dat heb jij toch ook wel? Dat je tijdens het lezen van een boek stiekem denkt aan hoe je dit later toevoegt aan je profiel. Je denkt aan hoeveel sterren je het zal geven. Je houdt bij hoeveel boeken je gelezen hebt dit jaar. Ik doe dat wel in ieder geval. En als ik dan een klein boekje lees voelt het alsof ik valsspeel. Dat is toch idioot? Het genot van het lezen wordt omgezet naar een genot van het uitlezen, en vervolgens wordt het omgezet naar het genot van een titel neerzetten op je goodreads profiel. Stel je voor dat we hetzelfde deden met kunstwerken in een museum. "Ik heb dit jaar naar 10.000 schilderijen gekeken" is toch lachwekkend (nu nog wel in ieder geval).
En is de score die anderen aan een boek geven wel echt zo belangrijk? Doet het ertoe of je een boek kan vinden op basis van het genre dat je leuk vindt? Ik heb dit boek immers op de ouderwetse manier uit de boekhandel geplukt (sorry dat ik overkom als een zeikerig oudje): aangetrokken door de omslag en het achterschrift. Goed. Ik zal hier nog wel verder over nadenken in mijn eigen tijd.