Onlangs las ik met plezier "Codex 1962" van de IJslandse schrijver Sjón, en herinnerde ik mij weer mijn leeservaringen met andere boeken van hem: het ongelofelijk verrassende en onconventionele "Uit de bek van de walvis" en het surrealistische "De jongen die nooit heeft bestaan". Dat smaakte allemaal naar meer, want ik hou wel van Sjóns ongeremde en veelvormige fantasie en van zijn originaliteit. Dus besloot ik eindelijk eens "De fluisterende muze" te gaan lezen, een novelle of korte roman die ik al tijden in mijn ereader had staan. En ik amuseerde mij als een kleuter, vooral dankzij Sjóns originele vorm en zijn fantasievol- poëtische stijl, een stijl die dankzij meestervertaler Marcel Otten mooi tot zijn recht komt.
In deze korte roman worden we getrakteerd op verhalen van stuurman Caeneus, die anno 1949 de passagiers van zijn schip vergast op belevenissen uit de tijd dat hij nog bij de Argonauten hoorde, en nog allerlei avonturen vol magie beleefde samen met Jason, Heracles en andere mythische figuren. De lezer moet meteen al enig ongeloof opschorten: Caeneus is dus kennelijk stuurman van een modern, 20e eeuws schip en was vroeger een Argonaut uit de vervlogen oud- Griekse tijden!? Hij is dus een persoon uit het moderne hier en nu en tegelijk een persoon uit fictieve mythologieën van ooit!? Dat kan natuurlijk niet. Behalve dan bij Sjón want in zijn fantasiewerelden kan alles. En in Caeneus' verhalen worden we bovendien helemaal meegesleept in mythologische werelden van vroeger, en in de charme daarvan. In werelden dus waarin meer kan dan in de onze.
Dat gebeurt op stimulerende en prikkelend- originele wijze: de bekende verhalen over Jason en Medea worden vervormd en omgedraaid, oud- Griekse mythen en oud- IJslandse mythen worden zomaar ineens vermengd tot iets nieuws en prikkelends, metamorfosen zijn aan de orde van de dag op een manier die herinnert aan maar toch heel anders is dan in Ovidius' "Metamorfosen", zodat schone vrouwen kunnen veranderen in krijgshaftige mannen, die mannen weer in meeuwen, die meeuwen weer in mannen..... en ga zo maar door. Deze wereld van verhalen wordt Caeneus ingefluisterd door een stukje hout, een brokstuk van het sprekende hout van de Argo (= het schip van de Argonauten). Het sprekende, goddelijk bezielde hout ook dat de Argonauten door vele gevaren heen loodste. Caeneus put dus niet uit herinneringen, maar uit influisteringen van een fluisterende -dus: in stilte sprekende, door geheim verhulde- muze. En Caeneus weet prachtig uit te leggen hoe die influisteringen werken: "Dan hoor ik iets wat je nog het beste kunt vergelijken met de hypnotiserende ruis van onze kortegolfradio: alsof een handvol goudzand in een fijnmazige zeef wordt gewiegd. Dit geluid streelt het gehoororgaan zo zachtjes dat het insluimert eer je het in de gaten hebt. Dan krijg ik door de ruis heen een zwak gebrom te horen. Eerst denk ik dat ik me vergis, maar nee, ik hoor het weer... stijgend en dalend, steeds maar weer, onveranderlijk. Als het gehoororgaan is ingeslapen, krijgt het gebrom een nieuwe vorm. Het wordt een toon, een stem die in het bewustzijn klinkt, alsof een goudkorrel door de mazen van de zeef is ontsnapt en op het puntje van de tong van het trommelvlies ligt en dat de met hoorn en ivoor ingelegde poorten is gepasseerd die het tastbare en onzichtbare van elkaar scheiden. Eerst is het woordloos, als geneurie bij een wieg en dan gaat het over in een lied. Het is een vrouw die zingt".
Dit vind ik schitterende zinnen over de verbeeldingskracht, die werkelijkheden en werelden opent die we nog nooit hebben gezien of gedroomd. Bovendien, door die verhalen van Caeneus werd ik voor mijn gevoel ook echt naar zulke werelden 'vervoerd'. De affecten van wellust, woede, geilheid en wraakgevoel worden bijvoorbeeld even pakkend gestileerd en gedramatiseerd als in sommige Griekse mythen of Griekse tragedies. De pijnlijke en bijna onmogelijke wedergeboorte uit de dood krijgt fascinerend gestalte in een wel heel opmerkelijke oud- Griekse variant van Christus' kruisiging en wedergeboorte. Het gevoel van totale teloorgang en verlatenheid van de ten onder gegane Argonauten wordt prachtig gepersonifieerd en gesymboliseerd door het inmiddels verrotte sprekende hout van de vergane Argo, dat in gesprek is met de in totale onherkenbaarheid en onaanzienlijkheid gemetamorfoseerde Jason. De wanhopige vraatzucht en verhongering van een van de Griekse helden wordt bijzonder plastisch voelbaar gemaakt door de metamorfose van die held in een luid krijsende en vraatzuchtige meeuw. En ik kan uren blijven staren naar passages vol mythische avontuurlijkheid als de volgende: "Voordat de wisselende winden ons overweldigd hadden en naar Lemnos hadden gebracht, kliefde ons schip, de Argo, door de zee als een meeuw die beneden over het wateroppervlak scheert zodat de toppen van de golven zijn vleugelspitsen nat maken, terwijl de vogel zelf tussen hemel en zee zweeft als de boodschapper van de goden, Hermes met de gevleugelde voeten. En de machtige Orpheus slaat het ritme op zijn lier en zingt een lied om de monsters van de peilloze diepte, die op het punt staan het schip aan te vallen, terug te laten deinzen voor de gretige steven van het vaartuig met de vele spijkers. Want de Argo was voor dat ongedierte een goddelijk wezen, een unieke levenskracht, het gezang en de zanger, dat de werkwoorden 'komen' en 'gaan' in zich verenigde, de moeder en de moederschoot tegelijk -want het embryo denkt altijd dat de moeder niets meer dan de baarmoeder is".
De door zijn fluisterende muze geïnspireerde Caeneus schotelt ons dus meerdere ongelofelijke taferelen voor. Toch is niet hij de verteller en ik- figuur: dat is Valdimar Haraldsson, de al fors oude passagier op het moderne schip waarvan Caeneus stuurman is. En Haraldsson is een opmerkelijk on- poëtische figuur, een behoorlijk saaie kwezel zelfs, met nogal gekke gedachten over het verband tussen eten van vis en de superioriteit van het noordse ras. De mythologische werelden die Caeneus ingefluisterd krijgt zien we deels dus via Valdimar, een kwezel die niet in zulke werelden gelooft. Dat vond ik eerst een wat gekke constructie, vooral omdat we door de weinig sympathieke stem van Valdimar nogal afgeleid worden van de fraaie zang van Caeneus. Maar precies dat geeft ook wel weer een intrigerende extra spanning: Valdimar geeft als het ware stem aan de moderne tijd waarin niemand meer gelooft in goden en mythen, Caeneus geeft stem aan de tijden waarin het geloof in goden en mythen nog hoogtij vierde, en in "De fluisterende muze" klinken die beide stemmen tegelijk. En die meerstemmigheid voegt zonder meer extra lagen en kleuren toe aan dit toch al zo pluriforme boek.
In zijn intrigerende nawoord zegt Sjón bovendien: "[H]et integreren van de verhalen van Caeneus en Valdimar laat ons misschien beseffen dat wij mensen zijn op de eeuwige plek in de stilte tussen de zware slagen van het hart van de kosmos". Een even fraaie als raadselachtige zin, maar hij benadrukt wel mooi de afstand tussen de moderne tijd en de tijd van Griekse mythen. Tegelijk zegt Sjón ook: "De laatste tijd hebben velen er tevreden mee ingestemd dat het gecastreerde verbond van monotheïsme en politiek van plan is ons op gedrongen transport te zetten naar die wereld die de goden zo lang geleden moesten ontvluchten". Daaruit maak ik op dat het hem vooral erom gaat om de polytheïstische en pluriforme wereld van Griekse mythen weer op te roepen in onze moderne, monotheïstische of zelfs atheïstische tijden. Misschien ziet Sjón monotheïsme als star geloof in één onveranderlijke, alles verklarende, ultieme en niet ter discussie staande Waarheid. Misschien spreekt hij daarom van "het gecastreerde verbond van monotheïsme en politiek". Misschien vindt hij onze huidige moderne tijd te dogmatisch, te star, te veel op eenduidige en zogenaamd alles verklarende waarheden gericht. Dat zou trouwens ook verklaren waarom er in "De fluisterende muze" zo vaak op de beide wereldoorlogen gezinspeeld wordt, want dat waren toch wel heel exemplarische uitwassen van dogmatiek. En wellicht is de mythische, veelvormige en van metamorfose en verandering doorregen verhaalwereld van "De fluisterende muze" wel als tegenwicht bedoeld tegen de eenvormigheid van de moderne tijd. Of als een manier om in die moderne tijd toch stem te geven aan de mythen van ooit. Waarbij die mythen en metamorfosen weliswaar op heel eigenzinnige wijze worden omgevormd, zodat zij een typische moderne Sjón- signatuur krijgen. Maar dat verrijkt die mythen ook en draagt bovendien weer bij aan hun veelvormigheid.
Ik lees "De fluisterende muze" kortom als een pleidooi voor de verbeeldingskracht, en dan vooral de verbeeldingskracht die in staat is om ons van mythische en veelvormige werelden te laten dromen. Bovendien lees ik "De fluisterende muze" als een mooi voorbeeld van precies die verbeeldingskracht. Dus ben ik ook met dit boek van Sjón weer heel tevreden. Misschien moet ik meteen maar zijn doorbraakboek "Blauwvos" gaan lezen?