Henning is een blanke dertiger, schat ik, getrouwd, twee kindjes, modaal tweeverdienersgezin, hij heeft een OK job (iets bij een uitgeverij), gaat wel eens op reis en huurt dan, bijvoorbeeld, een huisje op Lanzarote, mooi, maar betaalbaar. Herkenbaarheid troef dus. Eigenlijk is Henning het soort man dat wel eens een boek van Juli Zeh leest, vermoed ik.
Zeker weet ik dat niet. Juli Zeh is zo’n schrijversnaam die me bekend voorkomt omdat ik al vaak boeken van haar heb zien liggen, maar dit is het eerste boek dat ik van haar lees. Een sprinter in de bib. Sprinter betekent dat je het binnen de week moet uitlezen. Dat is geen probleem, want Zeh combineert herkenbaarheid met een bijzonder vlotte schrijfstijl.
In het eerste deel van het boek ploetert Henning – eindelijk even bevrijd van de rompslomp van het papa zijn – op een huurfiets een berg op. Onderweg overpeinst hij zijn leven.
Henning doet zijn best een moderne papa en echtgenoot te zijn, maar dat valt niet altijd mee. Hij is zacht, teder en begripvol, maar van zijn vrouw krijgt hij wel eens het verwijt dat hij zich wat meer moet ‘vermannen’ en niet zo’n softie moet zijn. Bovendien is er “iets” dat aan hem knaagt. Soms krijgt hij zo van die paniekaanvallen, alsof er “iets” is dat hij verdrongen heeft, iets uit zijn jeugd of zo…
Op bladzijde 66 bereikt de fietsende Henning zijn hoogste punt. Helaas geldt dat ook voor de roman.
De plot krijgt dan een onwaarschijnlijke wending. Henning belandt pardoes op de plek waar die traumatische ervaring uit zijn kindertijd plaatsvond en alles komt terug! In een ronduit slecht geschreven hoofdstuk vol herhalingen, verteld in alsof-kinderlijke taal, beleeft Henning de traumatische ervaring opnieuw en zo krijgt hij inzicht in waarom hij als volwassene af en toe van die paniekaanvallen krijgt.
De ontknoping is even simplistisch als sentimenteel. “Nu weet hij het dus. Hij is getraumatiseerd, en ernstig ook, dat zal iedere psycholoog bevestigen,” zo staat het tenenkrommend expliciet op de voorlaatste bladzijde van het boek (p.169)…alsof er echt een lezer zou zijn die dat nog niet doorhad!
Geen succes dus, deze kennismaking. Ook al vond ik het eerste deel, de beklimming, best wel knap, dit boek nodigt niet meteen uit om meer van Zeh te gaan lezen. Vooral in het tweede deel begon ik me te storen aan kromzinnen als “de oneerlijkheid veroorzaakt een gat in Henning” (p.119) of ontspoorde beeldspraak, zoals in “de schaduw voelt als een omhelzing, koel, met een milde bloemengeur, zoals wanneer mama net gedoucht uit de badkamer komt en haar handen op Hennings schouders legt” (p.143).
Bijkomend probleem is de erg Hollandse vertaling van de vertaalster – ik verzin dit niet – Annemarie Vlaming. Wat is toch dat “snaaien” (p.109) waar mama zo’n hekel aan heeft als de kindjes dat doen voor het eten? En wat is in godsnaam een “plakjeshuis”?