Jump to ratings and reviews
Rate this book

De bodem van het bestaan: Dagboeken 1976-1980

Rate this book
In dit vijfde deel van de dagboeken van J.J. Voskuil, De bodem van het bestaan, krijgt de schrijver zijn jeugdige élan terug. Eind 1976 raakt hij in de ban van Mirjam Lucassen, een nieuwe ondergeschikte van amper 21 jaar. Zijn gevoelens voor haar vergelijkt hij met die voor Lousje Haspers en Suze Wiardi Beckman, zijn twee grote liefdes. Hij weet echter niet meer wat hij denken moet als Mirjam wordt gearresteerd in verband met een explosief bij een showroom van de Duitse auto-importeur Autopon in Amsterdam, dat daar is geplaatst direct na de dood van Ulrike Meinhof. Als Voskuil beseft dat hij Mirjam ‘niet houden kan’ raakt hij zwaar gedeprimeerd.

Thuis nemen de spanningen toe. De ruzies met Lousje ontsporen. Voskuil voelt zich een hond die telkens in zijn hok wordt getrapt als hij daar voorzichtig uit probeert te kruipen. In deze ellende, op de bodem van zijn leven, ziet hij de zin van zijn dagboek niet meer. Van eind 1977 tot begin 1980 schrijft hij geen letter meer, om uiteindelijk de pen toch weer op te nemen. Want een leven zonder schrijven is voor hem nog verschrikkelijker dan geboekstaafde rotzooi. ‘Schrijven, dat is het, een kleine wereld, geheel voor jezelf.’

656 pages, Hardcover

Published February 6, 2025

Loading...
Loading...

About the author

J.J. Voskuil

43 books59 followers
J.J. (Johan Jacob / Han) Voskuil (1926–2008) publiceerde in 1963 de 1207 pagina's tellende roman Bij nader inzien. Het boek, dat zowel een roman van een generatie als een psychologische roman is, gaat over een groep vrienden, studenten Nederlands in de periode 1946–1953, die een aantal jaren samen optrekken en in de traditie van Du Perron en Ter Braak discussiëren over leven, literatuur en politiek. Aan het eind van de roman moet de hoofdpersoon Maarten Koning, Voskuils alter ego, erkennen dat de vriendschap die er leek te zijn, niet meer dan een illusie was. Bij nader inzien werd in 1991 door Frans Weisz verfilmd voor de VPRO. De serie werd met drie gouden kalveren bekroond.

In 1996 keerden Voskuil en Maarten Koning terug in de kolossale roman Het Bureau die in totaal zeven delen telt: Meneer Beerta, Vuile handen, Plankton, Het A.P. Beerta-Instituut, En ook weemoedigheid, Afgang, De dood van Maarten Koning. De roman beschrijft het leven van Maarten Koning als medewerker van het Bureau: het Amsterdamse Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde. Kern van de roman is de vraag hoe mensen die dag in dag uit met elkaar moeten samenwerken zich tot elkaar verhouden.

In 2002 verscheen Requiem voor een vriend, waarin Voskuil voor het eerst zijn alter ego Maarten Koning loslaat. De hoofdpersoon van het boek is niet de schrijver zelf, maar Jan Breugelman. Het boek is een geschiedenis van een vriendschap, die haar oorsprong vindt op de middelbare school, vorm krijgt op de universiteit en in de jaren daarna steeds hechter wordt. In februari 2004 verscheen het eerste deel van de Voettochten: Terloops. Het bevat tien verslagen in dagboekvorm van wandelingen door Frankrijk. Het tweede deel, Buiten schot verscheen in 2005, en het derde en laatste deel, Gaandeweg, is in de zomer van 2006 verschenen. In maart 2007 verscheen Onder andere, een verzameling portretten en herinneringen. Voskuil overleed op 1 mei 2008 na een kort ziekbed. Postuum verschenen zijn romans Binnen de huid en De buurman en de essaybundel Ik ben ik niet, ingeleid door Detlev van Heest.

Ratings & Reviews

What do you think?
Rate this book

Friends & Following

Create a free account to discover what your friends think of this book!

Community Reviews

5 stars
11 (37%)
4 stars
14 (48%)
3 stars
3 (10%)
2 stars
1 (3%)
1 star
0 (0%)
Displaying 1 - 4 of 4 reviews
Profile Image for Hans Moerland.
621 reviews17 followers
April 29, 2025
In besprekingen die ik wijdde aan het derde respectievelijk het vierde deel van de dagboekuitgaven van J.J. Voskuil –“Martelaarschap” (1965-1974) en “Uitzicht op geluk” (1974-1976)– beoogde ik onder meer de vinger aan de pols te houden met betrekking tot de diverse problemen en ongenoegens waarmee de schrijver in die jaren werd geconfronteerd. Die waren het toch die veelal de toon zetten van de paar duizend bladzijden dagboeknotities welke intussen zijn gepubliceerd: Voskuils gecompliceerde omgang met andere mensen in het algemeen en met echtgenote Lousje in het bijzonder, zijn angsten, gevoelens van onveiligheid, wantrouwen, de spanningen, de slapeloosheid en de hoofdpijn waarmee hij zo vaak te kampen lijkt te hebben en niet te vergeten de dagelijkse ellende van alle gedoe en verplichtingen op het Bureau. Wat mag men als lezer dan wel niet verwachten als men begint aan het vijfde deel, dat de tussen 1976 en 1980 geschreven dagboeken bevat en waarvan de titel niet lijkt mis te verstaan: “De bodem van het bestaan”?
De tekst achterop het stofomslag suggereert in feite de diepste dieptepunten in Voskuils leven, hij zou zich voelen ‘als een hond die telkens in zijn hok wordt getrapt als hij daar voorzichtig uit probeert te kruipen’ en zelfs de zin van het schrijven van een dagboek niet meer zien. Dit laatste mag dan in die mate het geval zijn geweest dat de auteur in heel 1978 en 1979 niks in dergelijk kader noteerde, maar na lezing van “De bodem van het bestaan” komt bovenbedoelde tekst toch enigszins opgeblazen op me over, al te smeuïg, al te zeer gericht op promotie van het onderhavige boek. “Thuis nemen de spanningen toe. De ruzies met Lousje ontsporen.” Dat haal je de koekoek, die ruzies zijn naar mijn idee geenszins erger dan die waarover we eerder lazen, en die in een enkel geval zelfs leidden tot handgemeen. En de amoureuze gevoelens van de dagboekschrijver jegens een nieuwe medewerkster op het Bureau, Mirjam Lucassen, door hemzelf aangesteld als documentaliste en een halve eeuw nadien ineens opduikend in een compleet andere rol, namelijk als medebezorger van de dagboekuitgaven van haar voormalige chef, blijken ook wat minder wereldschokkend dan achterop het boek wordt voorgesteld.
Nee, eigenlijk verschilt deel 5 van de dagboekenuitgaven niet zo veel van de voorgaande delen – in ieder geval niet qua inhoud, zo min die van alle soorten ellende die de auteur heeft te doorstaan als die van praktische aangelegenheden in de sfeer van het dagelijks of minder frequent repeterende leven, zoals werk, het halen van boodschappen (vooral op de markt en bij de slijter!), wandelingen, bezoekjes aan de in een verpleeghuis verblijvende Meertens, vakanties, enz. Eigenlijk komen door de bank genomen de notities uit de jaren 1976, 1977 en 1980 zelfs wat minder heftig over dan die uit de eerdere jaren, maar dat kan natuurlijk een kwestie van gewenning des lezers zijn. De mijns inziens niet zelden wat vlakkere, minder scherpe toonzetting in deel 5 kan echter ook zijn terug te voeren op de mogelijkheid dat Voskuil bepaalde zaken die hem bezighielden minder vaak heeft ervaren of minder intens, of dat hij ze als minder schokkend ervoer en daarom de moeite van het noteren niet waard, of dat hij simpelweg soms wat terughoudender was in het schrijven erover. Hoe het ook zij, in deze latere dagboeken bezigt de auteur opvallend weinig scheldwoorden, verwensingen aan het adres van bijvoorbeeld kinderen of van Bureau-directeur Blok; zo komt men ditmaal ook agressieve uitlatingen over automobilisten en andere proleten niet of nauwelijks tegen.
Mijn plezier in het lezen van “De bodem van het bestaan” heeft onder deze relatieve mildheid niet geleden, en bodem of niet: ook in het onderste van de pan zijn er heel wat krenten uit de pap te vissen voor een recensie als deze. Zo is daar, om te beginnen, Voskuils in meerdere opzichten verrassende kwalificatie van echtgenote L. als ‘in mijn ogen ongeveer het hoogtepunt van Gods schepping’ (p. 259). Hetgeen niet afdoet aan het feit dat hij nog diezelfde maand, april 1977, rept van ‘het krampachtig toetsen aan een norm, dat ik mijn leven lang heb moeten dulden, eerst van mijn vader, daarna van L., en in dit geval van Frida’ (p. 287). Het zal iedere lezer van Voskuils werk, zowel diens autobiografische fictie als non-fictie, zonneklaar zijn dat hij een huwelijksleven lang op eieren heeft moeten lopen. In een recensie die ik eerder schreef opperde ik de mogelijkheid dat het, naast Voskuils verplichtingen op het Bureau en het overmatige alcoholgebruik van hem en Lousje, hun beider relatie is geweest die hem zo veel, zo diverse en zo heftige problemen bezorgde. Problemen meestal in de vorm van kopzorgen, letterlijk: gepieker en, in de dagboekperiode van “Op de bodem van het bestaan” ogenschijnlijk dagelijks terugkerende, vreselijke hoofdpijn. Vermoedelijk zal die pijn ook wel van invloed zijn geweest op zijn gebrek aan animo om weer van alles te gaan noteren en op de stijl waarin hij zulks dan toch maar weer deed. Over het causale effect van de drank op z’n hoofdpijn en verdere gestel laat hij zich eindelijk eens onbeschroomd uit: “De twee glazen cognac zorgen voor een flinke hoofdpijn. Gemelijk en misselijk loop ik naar mijn werk” (p. 497).
Om nog even door te gaan op Frida Vogels: de vriendschapsbanden van Han en Lousje met haar worden in deze jaren weer wat aangehaald. Voor de bezorgers Thomas van Grafhorst, Detlev van Heest en eerder genoemde Mirjam Lucassen levert dit een kans voor open doel op, die ze fraai benutten: de confrontatie, in voetnoten, van Voskuils notities over onderlinge ontmoetingen met die welke Vogels daarover heeft gepubliceerd. Zo leest men onder meer, op pagina 197: “Gistermiddag even bij Han en Lousje (…). Ik bleef een uurtje en raakte daar alweer van over mijn toeren.” Alsook, op pagina 496: “Han was doodmoe van zijn werk op het Bureau, zo moe dat hij melige grappen verkocht en Lousje treiterde.”
Een novum in de dagboeken uit de jaren 1976-1980 is de entree van een televisietoestel in huize Voskuil, een apparaat dat door de inmiddels zwaar dementerende moeder van Lousje niet meer werd gebruikt en zelfs is verzegeld, vermoedelijk om kijk- en luistergeld uit te sparen dat anders zou zijn verschuldigd. En zo zit Voskuil op 28 augustus 1977 ineens op klaarlichte dag naar, godbetert, de Grand Prix Formule 1 in Zandvoort te kijken – tot verontwaardiging van zijn vrouw en, met terugwerkende kracht, van mij. “Ik kijk toe en vraag me af wat ik eraan vind. Niets” (pp. 349-350). Hier had men als lezer toch wel een vernietigend oordeel over de autoracerij mogen verwachten. Het fenomeen televisie leidt er eveneens toe dat namen als Harmen Siezen en Leo Beenhakker in de dagboeknotities opduiken, de voormalige nieuwslezer respectievelijk voetbalcoach die overleden in het begin van de maand waarin ik deze boekbespreking schrijf (april 2025). Bijgevolg krijgt men als lezer, vanzelfsprekend onbedoeld, de vergankelijkheid van alle leven nog eens onder de neus gewreven, alsmede het feit dat de tweede helft van de jaren zeventig, door mij zo bewust meegemaakt, toch ook alweer bijna een halve eeuw achter ons ligt.
Wat, naast het tijdsbeeld dat het oproept, het lezen van Voskuils dagboeken ook altijd tot een waar genoegen voor me maakt, is de herkenbaarheid van het ongemak dat hij in allerlei situaties ervaart en de manier waarop hij daarmee omgaat. Zo noteert hij een onbenullige opmerking te maken om zijn aanwezigheid ergens kenbaar te maken (p. 140); zich niet op zijn gemak te voelen in de trein omdat hij eerste klas reist met een kaartje voor de tweede klas, zonder de conducteur daarvan op de hoogte te hebben gesteld (p. 336); iemand vragen te stellen die zijn belangstelling moeten tonen maar die hij zelf meteen weer vergeet, zodat hij voortdurend onzeker is of hij ze al gesteld heeft (p. 461). En wat te denken van passages als:
“Een lilliput met een heel groot, vriendelijk hoofd doet ons open. Ik groet haar alsof het een gewoon mens is en gedraag me ook verder met de rustige bewegingen en diepe keelgeluiden die ik mezelf heb aangeleerd om te tonen dat ik me geweldig op mijn gemak voel, als een man van het volk en een beetje vriend des huizes zelfs” (p. 340). Of, naar aanleiding van een tv-programma en een gesprek met Lousje over euthanasie:
“Als ik haar gelijk geef, zijn we alweer een stap verder. Ik wil niet medeplichtig zijn, omdat ik een probleem als dit niet overzien kan. Komt tijd, komt raad. Dat de tijd komt, maar de raad vaak niet, spreekt me niet aan” (p. 554).
Eveneens terdege herkenbaar voor mij is dat hij van Lousje het verwijt krijgt iedere minuut te (moeten) benutten (p. 117), en ook wel een opmerking over een groep stakers die hij op straat ziet lopen: “Niet zulke aardige gezichten, maar gezichten zijn zelden aardig” (p. 430). Typerend is voorts een opmerking als: “Wel advies geven, maar niet verantwoordelijk zijn. Het mooiste is als mensen je advies niet opvolgen en je achteraf gelijk krijgt” (pp. 426-427).
Veel minder vaak stuit ik in de dagboeken op dingen waarmee hij afstand creëert tussen hem als auteur en mij als lezer, zoals daar zijn de eerder genoemde, wellicht eenmalige, belangstelling voor de autoraces in Zandvoort en ook zijn waardering voor grappen die cabaretier Freek de Jonge maakt over kanker (p. 485). Van onschuldige aard, maar zonder meer bevreemdend, is hetgeen hij noteert over het wachten op vriend Loe, tijdens een wandeling. Deze zou heel lang blijven stilstaan ‘bij elke boekwinkel of wat daarop lijkt’. “Om me te vertreden loop ik af en toe vooruit en wacht dan weer op een plek die zich daar beter voor leent dan een boekwinkel” (p. 322). Voskuil houdt toch niet slechts de schijn op, wanneer hij vastlegt van welke bellettrie hij ’s avonds en in de weekends allemaal heeft genoten? Waar kan men als gretig lezer nou beter verpozen, noodgedwongen of niet, dan bij een boekhandel?
Het bestuderen van literatuur op zijn vakgebied houdt hem hoe dan ook frequent bezig, thuis zowel als op het Bureau. Het gaat daarbij overigens vrijwel uitsluitend om publicaties van theoretische inzichten dan wel de resultaten van studies die zijn verricht op het gebied van taal en cultuur. Van enige interesse in de wetenschapsfilosofische grondslagen of de methodologie van het desbetreffende onderzoek geeft Voskuil zelden of nooit blijk. Zo brengt hij fundamentele verschillen van inzicht tussen vakgenoten ter sprake, zonder ook maar een rudimentaire aanduiding te geven van probleemstellingen of onderzoeksvragen die daarbij in het geding zijn. Het is dan ook geenszins naar literatuur dáárover waarnaar de auteur op zoek is tijdens een moeizaam verlopen bezoek aan de universiteitsbibliotheek, een bezoek dat hij uiterst vermakelijk beschrijft, zonder enige schroom over de onwennigheid of de wereldvreemdheid die hij daarbij aan de dag legt (pp. 447-454).
Ten slotte nog dit. Ook in “De bodem van het bestaan” is de dagboekschrijver nogal eens gepreoccupeerd door de vraag in hoeverre hij zichzelf als ‘links’ dan wel ‘rechts’ zou moeten kwalificeren. Minder links dan Lousje, dat is een ding dat zeker is, maar af en toe typeert hij zijn eigen opvattingen of ideeën als enigermate rechts. Behoorlijk reactionair zelfs mag dan wat mij betreft een bewering heten die hij zich op 5 april 1980 veroorlooft: “Glazenwassers zijn bijna niet meer te krijgen en als je ze vindt, roven ze bij de eerstvolgende gelegenheid je huis leeg” (p. 481) – en dat terwijl hij nou net in een levensfase verkeert dat hij de ladder van zo’n glazenwasser goed zou kunnen gebruiken om vanaf de bodem van het bestaan omhoog te klimmen. Vooruit dan maar, misschien in het zesde deel van de dagboekuitgaven.
Profile Image for Anne Bergsma.
345 reviews22 followers
February 23, 2025
Dit blijft een voor liefhebbers van Voskuil en het dagboekgenre een verslavende reeks. Deel 5 van de Dagboeken van de schrijver van oa. Het Bureau kent weer vele toppen (en ook wel een paar dalen). We maken kennis met Mirjam Lucassen, kortstondig medewerkster van Het Bureau. De schrijver raakt verkikkerd op haar en kan het niet hebben als ze al heel snel naar de provincie Groningen vertrekt. Dit doet ze samen met haar vriend, die verdacht wordt van terroristische activiteiten. Opmerkelijk genoeg is deze Lucassen een van de bezorgers van dit deel van de Dagboeken.

Minder geslaagd vind ik de vrij oeverloze verwikkelingen rond de schoonmoeder, over wie eigenlijk weinig interessants te melden is. Ze wordt tot op hoge leeftijd inclusief rolstoel heen en weer gesleept tussen haar woonplaats ‘s-Gravenhage en de woning van de Volkuilen. Dat heeft iets vermoeiends.

Je kunt mensen de lust in het eten niet genoeg bederven (p. 66).

Op zo’n ogenblik denk je dat je beter een Turk met een kromzwaard in dienst had kunnen nemen (p. 86).

Door dit alles is mijn hoofdpijn in een beslissend stadium gekomen (p. 142).

Een aristocraat is iemand die net uit een hoofdpijnaanval komt (p. 191).

Het mooiste is als mensen je advies niet opvolgen en je achteraf gelijk krijgt (p. 417).
Profile Image for Bram.
313 reviews
February 26, 2025
Voskuils dagboeken van oktober 1976 tot eind december 1980, bijeengebracht in dit vijfde deel, zijn weer zeer de moeite waard. Na 23 oktober 1977 stopt hij met zijn meedogenloze zelfonderzoek in dagboekvorm om pas op 20 januari 1980 weer verder te gaan. In 1978 en 1979 legt hij alleen de voettochten vast die hij tijdens de vakanties met zijn vrouw maakt (en die in 2005 gepubliceerd zijn in Buiten schot. Voettochten 1974-1982 ). De enige andere notitie in 1978 betreft het overlijden van poes Marietje op 17 april: ‘Ze was al een paar maanden ziek. De laatste weken had ze niet meer gegeten. Een klein, lief, mager scharminkeltje. Toen L. uit Den Haag thuiskwam, om kwart voor drie, leefde ze nog. Een minuut later was ze dood.’ (p. 362) Vanaf 1980 is het vrijwel gelijk alsof het schrijven nooit heeft stilgelegen. Een fascinerend en ontroerend document.
58 reviews
September 14, 2025
Ondanks de mooie schrijfstijl en subtiele observaties beginnen deze dagboeken lichtelijk gaapverwekkend te worden. Hoe vaak kan een man dezelfde wandeling Castricum-Egmond-Bergen aan Zee beschrijven. En dan altijd als twee zombies naar De Spin, in die tijd al van een grote treurigheid op de boulevard. De eeuwige ruzies met mevrouw Stalin. Inkopen bij de slijter, Blok is een lul, aardappels op de markt, jaja, dat weten we na duizenden pagina's wel. En dan ook nog noteren dat je je dagboek terugleest en voorleest. Daarnaast oeverloze voetnoten ('de lp was 8,95 bij V&D') en het onzinnig opgeblazen verhaal Lucassen, die ineens ook medebezorger is. Nog twee delen en dan volgen ongetwijfeld de verzamelde boodschappenlijstjes in boekvorm.
Bekijk dat gedweep nou ook eens van een andere kant.
Displaying 1 - 4 of 4 reviews