Dwalen door de religieuze verbeelding Wanneer je religie opvat als een specifieke verbeeldingsvorm, vergelijkbaar met bijvoorbeeld kunst, literatuur of filosofie, kan je op een onbevangen manier de religieuze erfenis in onze cultuur verkennen. In De extase van de jagers leidt cultuurfilosoof Kris Pint je langs een reeks excentrieke figuren: een vogelsjamaan en een vliegende heilige, een cynische Messias en een onverschrokken mystica, een mysterieus veenlijk en een melancholische filosoof, een afvallige Romeinse keizer en een rebelse psychotherapeut. Hun lotgevallen en mystieke ervaringen nodigen uit om een andere blik te werpen op jezelf en de wereld, en om je te verzetten tegen de verschraling van onze innerlijke wildernis.
Kris Pint (1981) is schrijver en cultuurfilosoof. Hij doceert cultuurwetenschappen aan de Faculteit Architectuur en Kunst aan de Universiteit Hasselt (België). Eerder schreef hij De wilde tuin van de verbeelding (shortlist Socratesbeker 2018) en Meteorologie van het innerlijk (2020).
My recommendation to the author and the publisher would be to rush out a translation into English as soon as possible, the career of Jordan Peterson seems to show that there is a hunger among people who had grown away from institutional religion for Jungian based individualistic yet authoratively structured alternatives.
Personally I just read it for the cover.
The author enters in to an extactic stream of consciousness flowing out from Brueghel's "Hunters in the Snow" passing by Walter Benjamin, St.John of the Cross, Bog Bodies, Nietzsche, pre-historic burials in Czechia, St.Teresa of Avila, Freud, Jesus, and Jung. The thinking reminded me powerfully of that of the Diabolicals in Foucaults Pendulum, which is to say in places I felt that precisely this kind of thing is why the Glasgow kiss was invented.
"In de term die Hadewijch (of Brabant, 13th century writer of Christian spiritual texts) voor deze passie hanteert, 'orewoet', zit dezelfde klank die ook in de naam Wotan zit: de woedende, onbeheersbare kracht die de sjamaan, de ziener, maar dus ook de mystica, overvalt en meesleurt naar de andere kant van het membraan." (p126). The Scrabble board is apparently a form of intellectual reasoning and argument.
Overbeck reisde meteen af naar Turijn, waar hij Nietzsche in totale verwarring aantrof. In een brief aan Peter Gast beschreef hij hoe Nietzsche luid zingend en tierend aan de piano zat en hoe hij zich de opvolger van de dode God noemde, en andere 'onuitsprekelijke gruwelijke dingen' uitkraamde, waar we door de discretie Overbeck enkel maar het Arden near haben. Hier was een sjamaan aan werk die niet meer zou wegraken uit de geestenwereld waarnaar hij ontvoerd was. (p.158) Disrespect both to the spiritual traditions of Siberia and Nietzsche's mental health, not bad.
I think this has it's audience, it's readership I would just rather not be in it. As for Breughel and his painting, if you thinking his hunters are returning from a shamanic spirit quest, or that it could be an enriching way to think about the painting, then this book could be for you.
In tegenstelling tot zijn vorige twee geweldige, tot denken en doen mobiliserende boeken De wilde tuin van de verbeelding en Meteorologie van het Innerlijk, tapt deze Kris Pint uit een ander vaatje. 'De extase van de jagers' biedt een originele, diepgravende historische kijk op hoe religie o.a. via sjamanistische extase, mystieke verbeeldingskracht en psychologie (Freud en Jung) doorheen de eeuwen bleef vervellen tot levensvatbare vormen voor de puinhopen van de tijdsgeest. Een evolutie die van gemeenschappelijke verbeelding naar persoonlijke verinnerlijking verschuift, eerst via de middeleeuwse mystici, later o.a. dankzij de filosofie van Kierkegaard en in zijn kielzog de existentialisten.
Het zet dan wel minder aan tot persoonlijke overpeinzingen of daadwerkelijk aan jezelf werken, toch beklijft en inspireert het. Dat heeft in eerste instantie te maken met de heldere, vlotte schrijfstijl van Kris Pint en de samenhang die hij erin aanbrengt, met 'De jagers in de sneeuw' van Brueghel als rode draad en onuitputtelijke bron van perspectieven. In tweede instantie vloeien daar de verrassende verbanden en inzichten uit die de auteur hier perfect opgebouwd uit de doeken doet.
Want veel van wat de auteur aan de Bijbel, de filosofie, de geschiedenis en de kunsten ontleent om zijn discours te ontrollen is vrij bekend materiaal. De manier waarop hij ze combineert en in zijn originele geschiedenis van de mystieke ervaring verwerkt verveelt geen seconde. Het daagt je als lezer uit om mee te denken en je open te stellen voor wat zinvolle en zingevende mogelijkheden zouden kunnen zijn om die immer sluimerende, haast onuitroeibare religieuze symbolieken en ideeën herop te waarderen of te vernieuwen.
Samengevat: Kris Pint weet opnieuw te verwonderen op een intellectueel uitdagende wijze met een complex, maar tegelijk vlot lezend en mooi gecomponeerd boek. Dank voor je doorslaggevende GR-'recommendation', Laurent!
Geweldig interessant, ambitieus in opzet en zeer vlot leesbare stijl. Dit boek over religie als verbeeldingsvorm is onterecht onder de radar gebleven. Jezus als sjamaan en grotschilder, Kierkegaard als existentialist en apostel, en Nietzsche als godendoder en extatische waanzinnige. Ik ben fan van Kris Pint en ga zijn vorige boeken als de wiedeweerga op m'n leeslijst zwieren.
Edit 22-04-2025 Ondanks het meanderende, verkennende schrijven houdt Kris Pint de aandacht vast. Als het uitrekken en weer samenballen van een deegbol komen de elementen van dit boek allemaal samen in de centrale gedachtegang, dat de religieuze verbeelding een onuitroeibare toestand is in de menselijke ervaring. Haar instigator, de extase, is van alle tijden. We leggen haar alleen steeds anders uit: als het oproepen van krachtdieren door sjamanistische rituelen; als het aankondigen van de eindtijd door messianistische profeten; als het samensmelten tussen ziel en God door mystici of simpelweg als de sublieme ervaring van "iets anders", iets wat 'vanbuiten' de alledaagse werkelijkheid inbreekt en waarna je niet volledig meer dezelfde kunt zijn.
Of het nou door een festivalervaring, een eeuwenoud ritueel of een tragisch verlies wordt teweeggebracht, er is nog geen leven volbracht zonder enige extase. De geboorte zelf is een bestaanservaring waartoe velen van ons zich maar ongemakkelijkerwijs weten te verhouden.
Het deeg wordt uitgerekt zonder te scheuren en ook weer samengebald zonder daarmee zijn flexibiliteit te verliezen. Historische anekdotes verworden in de *Extase van de jagers* nooit tot louter decoratie, theoretische bespiegelingen niet tot luchtfietserij. Steeds worden de elementen verweven tot een groter narratief, dat echter nooit pretentieus aandoet en waarbij de lezer bij zichzelf kan afvragen: ga ik mee in deze ervaring of deze interpretatie van gegevens? Zelfs de meest geharde naturalist zal in grote lijnen met Kris Pint meegaan, al mag het soms schuren.
Aanrader en benieuwd naar het overige werk van deze cultuurfilosoof.
Edit 30-04-2025 Als docent levensbeschouwing ben ik met mijn klassen momenteel met twee thema’s bezig: levensvragen en bestaanservaringen enerzijds en omgaan met lijden en dood anderzijds. Voor dat laatste had ik Op een andere planeet kunnen ze me redden van Lieke Marsman uitgekozen ter verdieping; voor dat eerste was ik De extase van de jagers van Kris Pint op het spoor gekomen. Ik kwam erachter dat de thema’s niet compleet van elkaar losgezongen zijn. De inbreuk van lijden en dood in het leven is natuurlijk de belangrijkste en meest onvermijdelijke bestaanservaringen—ervaringen die het leven op z’n kop zetten en ertoe nopen om van levensoriëntatie te veranderen—die er zijn. Dit overkwam Marsman inderdaad, die van een nuchtere wereldbeschouwing werd bekeerd tot spirituele verdieping en een barok wereldbeeld waarin ruimte is voor allerlei wezens; van goden tot marsmannetjes (ha). Waar Marsman echter haar eerstepersoonsperspectief centraal stelt, daar ploegt Pint de geschiedenis door van de eerste graven en grotschilderingen langs middeleeuwse mystici naar hedendaagse psychologen om daarin de verwondering ten aanzien van het onalledaagse te kaderen. Het argument: het onalledaagse is niet uit de wereld te bannen. Men moet diens wereldbeeld met zachte stippelrand omlijnen; eentje die soms uitgegumd, verlegd en wat breder omtrokken moet worden. Dingen vallen immers niet met zichzelf samen. Leren over zulke zaken als zoönose en microplastics maakt dat mensen zichzelf en de wereld heel anders gaan zien dan tevoren. Het menselijk lichaam en de wereld zijn mysterieuzer, obscuurder, wellicht zelfs gevaarlijker dan men tijdens de periode van de Verlichting was gaan denken.
Met dit derde boek zet Kris Pint zijn project voort om tegenverbeeldingen te ontsluiten. Het herverwilderen van onze innerlijke psychologische tuin (cfr. zijn eerste publicatie uit 2017) is daarbij deels een archeologisch en antropologisch werk: het reactiveert affectief-intellectuele patronen die in de loop der tijd onder lagen van opeenvolgende levensbeschouwelijke paradigma’s zijn bedolven. Epistemologisch is dit project heuristisch van aard: als alles toch fictie is, waarom zouden we dan niet op zoek gaan naar verhalen en praktijken die ons kunnen helpen beter te leven? Het gaat hier niet om een vlucht uit de werkelijkheid, maar om een gedisciplineerde verkenning van onze binnen- en buitenwereld. Functioneel krijgt het zo een helende rol: het heractiveert en cultiveert verbeeldingsvormen die ons welzijn bevorderen. Uiteindelijk is het ook een politiek project: het beoogt een collectief reservoir aan handelingsvermogen aan te spreken als tegenkracht voor het extractieve, uitputtende en zelfvernietigende marktdenken.
In dit recente boek richt Pint zich specifiek op de religieuze verbeelding, en verkent daarbij drie sporen. Zoals de ondertitel suggereert, staat het mysterium tremendum et fascinans (cfr. Rudolf Otto) van de mystieke ervaring centraal, een ervaring die alle culturen met elkaar delen. Daarnaast besteedt hij aandacht aan een subversieve vorm van religieuze verbeelding: die van de esoterische traditie. Deze veerkrachtige lijn in de westerse ideeëngeschiedenis is consequent en militant verdacht gemaakt door zowel religieuze als wereldlijke machten. Het schilderij De jagers in de sneeuw (1565) van Pieter Breugel fungeert hier, hypothetisch, als visueel brandpunt voor deze verwante perspectieven op religieus geïnspireerde verbeelding. Ten derde komt de meer vertrouwde verbeeldingswereld aan bod, gevoed door de christelijke orthodoxie. Maar zodra je het dogmatische en liturgische vernis ervan afkrabt, stuit je op een fascinerende Wunderkammer van atavistische motieven en figuren.
Het narratief in De extase van de jagers is chronologisch opgebouwd en start bij het animisme van het late paleolithicum. De figuur van de sjamaan staat hierin centraal, evenals de gedachte dat de essentie van religieuze verbeelding vormgevend is: ze geeft de mens grip op de metaforische "puinhoop van het bestaan" (Beckett). Met andere woorden, religieuze verbeelding is een epistemologisch-ontologische reflex — epistemologisch waar ze betekenis en structuur verleent aan ervaring, ontologisch waar die betekenisgeving bepalend wordt voor hoe mensen hun werkelijkheid beleven en ordenen. De sjamaan is een emblematische figuur die dit vermogen sociaal dienstbaar en ritueel belichaamt. Een belangrijk zingevingsmotief doemt hier op: het verhaal van de terugkeer, van transformatie. Onze menselijke aanwezigheid blijkt van meet af aan doordrongen van ‘systemische’ motieven. Pint verwijst in dit verband naar de Franse paleontoloog Jean Clottes, die het prehistorische wereldbeeld vat in vier kenmerken van liminaliteit: interconnectie, vloeibaarheid, complexiteit en doordringbaarheid. Grot'kunst' vormt zo het materiële sediment van de rituele praktijken waarin dit wereldbeeld tot uiting kwam.
Het motief van transformatie wordt begeleid door een transgressieve praktijk van (zelf)offering. Pint koppelt hier een complexe constellatie van motieven en ideeën aan. Om te beginnen brengt hij het ‘schuld’-motief binnen: “Het doden zadelt de jager op met een schuld, het besef een overtreding te hebben begaan” (p. 42). Daarmee verwant is de “fundamentele koppeling van kennis en pijn” (p. 51). Daarnaast steunt hij op de bioculturele visie van antropoloog Michael Winkelman, die mystieke ervaringen beschouwt als induceerbare patronen van breinactiviteit. Pint: “Het offer, via fysiek en mentaal lijden, was dus in de eerste plaats een manier om die mystieke ervaring op te wekken” (p. 46). Vervolgens formuleert hij de stelling dat deze uitbreiding van bewustzijnstoestanden een evolutionair voordeel bood. Tot slot is er een quasi-Nietzscheaanse gedachtegang: dat de latere mens deze transgressieve praktijken heeft gekortwiekt en gemarginaliseerd uit pure existentiële lafheid: liever leven in een comfortabele onwaarheid dan zich overleveren aan een potentieel zelfdestructieve bezetenheid. Pint ziet de hedendaagse kunstenaar/schrijver, in het beste geval, als laatste hoeder van een existentieel engagement met de Rilkeaanse 'engel van het verschrikkelijke'.
Dit amalgaam van moraliserende, reductionistisch-functionalistische en existentieel-vitalistische perspectieven is misschien net iets te ambitieus. Is het niet voldoende om het transgressieve te begrijpen als drager van een symbolisch verankerde economie van wederkerigheid tussen materiële en immanent-spirituele bestaansvormen? Eventuele functionele voordelen tekenen zich dan af als secundaire emergenties van die economie. Interessanter ware het naar mijn gevoel geweest om de hedendaagse resonanties van dit denkkader te verkennen binnen de environmental humanities of de ecologische en poëtische metafysica van een Timothy Morton.
Dit komt allemaal uit het tweede hoofdstuk in het boek, gewijd aan de vroegste manifestaties van religieuze verbeelding. Wat volgt is een historisch proces waarin deze funderende motieven worden verdund, verbasterd, verinnerlijkt, verheven tot het transcendente en uiteindelijk ingekapseld binnen rigide, patriarchale politieke en institutionele structuren. Dat doctrinaire geweld zou een verpletterende invloed uitoefenen op de wijze waarop wij onze plaats in de kosmos leven en begrijpen. Verpletterend, maar niet allesbepalend. Want er bleven rafelranden bestaan waarin de 'primitieve' religieuze verbeelding zich zou blijven laten gelden.
De ontwikkeling van het monotheïsme markeert in dit proces hoe dan ook een cruciale fase. De benadering van Pint verschuift hier van een antropologisch naar een eerder theologisch perspectief. Veel plaats wordt ingeruimd voor een reflectie op de centrale positie van Jezus in het christendom. Pint voert hem ten tonele als een 'moderne' sjamaan die deels het revolutionaire, op sociale rechtvaardigheid gerichte activisme van sommige joodse profeten belichaamde, en deels ook een aanzet gaf tot een ascetische verinnerlijking van de religieuze impuls. De kruisiging en wederopstanding zijn uitgegroeid tot een krachtige, vooral disciplinerende culturele 'meme': "de glorieuze hemelvaart van Jezus moet de gelovigen ertoe aanzetten hun aardse lot te dragen ..." (p. 93). Precies datgene waar Nietzsche zich heftig tegen verzette. Tegelijk heractualiseert dit goddelijke zelfoffer de relatie tussen lijden en verlossing.
Paulus luidt dan de codificering, verspreiding en institutionalisering van de christelijke leer in. Veel heidense motieven zouden naadloos worden geïntegreerd, maar niet alle. Hier focust Pint niet op de rafelranden van de esoterische traditie, maar op die van de christelijke mystiek. De levens van Christina de Wonderbaarlijke, een dertiende-eeuwse heilige uit Brustem nabij Sint-Truiden, en van Hadewijch van Brabant gelden als emblematische belichamingen van de "wilde, gewelddadige verbeeldingswereld van het sjamanisme" die overleefde binnen het christendom. Van de middeleeuwse mystica's maakt Pint de sprong naar Søren Kierkegaard, een weerbarstige denker die zich in de 19e eeuw vanuit een christelijk perspectief met de grondeloosheid van de werkelijkheid confronteerde, en daarin uitkwam op een paradoxaal louterende leegte. De extrapolatie naar Heidegger en Sartre is dan gauw gemaakt. Pint merkt op dat de verwildering van de religieuze verbeelding in deze fase een abstrahering heeft ondergaan. Naar mijn mening is dat bij Sartre zeker het geval. Maar bij Heidegger, en zeker bij Kierkegaard, heeft die ervaring van de existentiële sprong — hoewel maatschappelijk wat beter inpasbaar — toch nog een radicaal en visceraal karakter. Hoewel, hier zou een interessante excursie kunnen worden ingelast over de relatie van Heidegger met het nazisme als pathologisch-nihilistische religieuze verbeelding.
Met het inroepen van het pathologische komen we dan bij de reductionistische Freud terecht, die religie als een louter psychisch fenomeen zou uitleggen: "... er is enkel maar een levend lichaam dat onder spanning staat, pulseert, zich ontlaadt, voorbij elke menselijke gedachte of wil." (p. 161) Jung zou hier, in een epische confrontatie, tegenin gaan. Hij zou de religieuze verbeelding net gebruiken om de psychoanalyse als fenomeen te verklaren. Jung, door het academische establishment doorgaans weggezet als esotericus, verschijnt hier als de contemporaine sjamaan die de religieuze verbeelding mobiliseert om met de chaotische krachten van het onderbewuste om te gaan en ze te gebruiken als motor van een proces van 'individuering'. Religie wordt zo nadrukkelijk weer een 'helende fictie', en verbeelding wordt een verbeeldingspraktijk ten dienste van persoonlijke en collectieve groei. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat het 'helende' niet reinigend van aard is en niet gericht op het uitbannen van het fragiele en pathologische. Pint verwijst naar post-Jungiaan James Hillman, die "zeer argwanend stond tegenover elke verbeeldingspraktijk die de mens probeert te verlossen van zichzelf, hetzij vanuit een soort humanistisch ideaal van een van zijn kwalijke passies bevrijde, rationele mens, hetzij vanuit een oosters filosofisch perspectief van onthechting en ascese." De vitale impuls van een gemeenschap zit precies in een "culturele verbeelding die op het eerste zicht enigszins kapot lijkt." (p. 185) In die ongerijmdheid en frictie ligt voor Pint de waarde en noodzaak van om het even welke tegenverbeelding die zich als activistisch in de haarscheuren van een door geld en markt gekoloniseerde samenleving kan nestelen.
Ik heb Pints filosofisch project van in het begin heel stimulerend gevonden. Het is één van de impulsen — naast die van de vroege romantiek, het hermetisme, de Jungiaanse transformatieleer, de cybernetica, het contemporaine ecologische en dekoloniale denken — die me op het spoor gezet hebben van mijn eigen onderzoeksproject, dat de relatie activeert tussen landschap, cultuur en verbeelding. Als ik tot slot nog twee punten van kritiek mag naar voren schuiven, dan is het, om te beginnen, dat de conceptualisering van het sleutelbegrip 'verbeelding' bij Pint onduidelijk blijft. Aan de ene kant blijft hij discursief vasthouden aan een soort van cultureel gedetermineerd cognitivisme (verbeelding als vermogen om beelden los van sensorische input te genereren). Anderzijds tendeert hij in de substantie van zijn argumentatie bijna vanzelf naar een meer performatieve opvatting (die ik zelf ook voorsta): verbeelding als praxis. Ik denk dat zijn project nog veel incisiever zou kunnen worden als hij die performatieve wending explicieter zou omarmen. Ten tweede zou de politieke draagwijdte van dit activisme meer uitgewerkt worden. Aan de doodsval van het kapitalisme zullen we niet ontsnappen als deze verbeeldingspraktijk niet wordt geactiveerd als breed mobiliserende maatschappelijke kracht.
Als afvallige van het katholicisme zou je misschien denken dat ik helemaal niets kan met mystieke ervaringen die in al hun extatische uitspattingen ogenschijnlijk weinig te maken hebben met mijn hang naar rationele verklaringen. Niets is minder waar, de verhalen van mensen die een religieuze of mystieke ervaring beleefd hebben vind ik enorm boeiend en doen me altijd inzien dat ik ook als niet-gelovige nog steeds op zoek ben naar ervaringen die de ratio overstijgen en die een betekenislaag kunnen aanboren waar we met enkel het verstand niet bij kunnen komen. Die fascinatie deel ik blijkbaar met Kris Pint, die met De Extase van de Jagers de geschiedenis van de mystieke ervaring in duikt en die laat zien dat ook seculiere samenlevingen als de onze baat hebben bij dit soort ervaringen.
Kris Pint leidt de lezer door de historie van mystieke ervaringen. We beginnen bij de eerste mensen, zo’n 30.000 jaar geleden, waar een sjamaan (hoewel dat een anachronisme is) contact had met werelden die onze zichtbare wereld ontstijgen, maar die juist daardoor een specifiek en bijzonder soort kennis bezat waar een hele stam wat aan had. Via een veenlijk, het christendom, existentialistische filosofie, psychoanalyse en Gerard Reve komt Kris Pint bij het punt dat hij wil maken, namelijk: vertrouwd raken met religieuze verhalen kan je vertrouwd laten raken met je eigen innerlijke wildernis.
Verliezen De Extase van de Jagers is lang niet alleen voor gelovigen, juist ook niet-gelovigen leren dankzij dit boek dat we ondanks dat we het geloof achter ons hebben gelaten, toch zelf altijd op wat voor manier dan ook op zoek blijven naar manieren om onszelf te verliezen en naar ervaringen die ons verstand te boven gaan. Als ik dan naar mezelf kijk, moet ik dat punt dat Kris Pint maakt zeker beamen; in mijn twintiger jaren deed ik alles wat God verboden had en kan ik zeker meepraten over ervaringen die me even deden loskomen van wie en waar ik op dat moment was.
Vandaag de dag zit ik vrijwillig elke dag op een meditatiekussen, en zeker als je langer achter elkaar mediteert kun je een unieke ervaring hebben waarbij je helemaal met jezelf samenvalt. Vanaf morgen begin ik bovendien met een uitdaging om drie maanden lang iedere dag 75 minuten te mediteren, waarbij ik natuurlijk stiekem hoop om weer op een dergelijke ervaring getrakteerd te worden (hopen op een bepaalde ervaring tijdens het mediteren is overigens totaal niet zen, dus ik geef hier een heel slecht voorbeeld). Dus ja, zo ongelovig als ik ben, hecht ik erg veel waarde aan die bijzondere ervaringen die je even losslaan uit de alledaagsheid van het normale leven.
Uitermate plezierig De Extase van de Jagers nodigt uit om op zelfonderzoek te gaan. Veel beschrijvingen van religieuze ervaringen doen nu misschien wat kolderiek aan, maar Pint overtuigt wanneer hij schrijft dat we ook als seculiere wezens nooit helemaal loskomen van die drang naar mystieke ervaringen. Ga eens eerlijk bij jezelf na: welke ervaringen uit je eigen leven zou je als mystiek kunnen bestempelen? Op welke manieren ben je jezelf wel eens verloren? Wat waren ervaringen die je het gevoel gaven bij een diepere laag van de werkelijkheid te komen? Het is de grote kracht van het boek dat het uitnodigt om bij jezelf te rade te gaan en antwoorden te zoeken op dergelijke vragen.
Die uitnodiging tot zelfonderzoek had nooit zo urgent aangevoeld als de geschiedenis die Pint beschrijft niet uitermate plezierig was om te lezen. Het is allemaal lekker vlot leesbaar en toegankelijk en de voorbeelden die Pint beschrijft zijn erg boeiend. Het is ook leuk dat Pint zijn voorbeelden werkelijk overal vandaan tovert. Zo is er voor ieder wat wils; geschiedenis, religie, filosofie, psychologie, beeldende kunst en literatuur, het komt allemaal langs en Pint verbindt verschillende disciplines moeiteloos met elkaar.
De Extase van de Jagers heeft een vlotte stijl, is zeer leerzaam en nodigt uit tot overpeinzingen over de eigen innerlijke wereld. Wat wil je als lezer van filosofieboeken nog meer? Het boek wist de shortlist van de Socrates wisselbeker niet te halen, maar voor mij had dit mooie boek zeker niet misstaan op die lijst.
In het vak NCZ heb ik onlangs een presentatie moeten geven over het vroege Christendom en Rooms-Katholicisme. Dit start de eerste eeuw na Christus. Toevallig was ik dit boek aan het lezen toen ik in de voorbereidingsfase zat. Dit boek is zo rijk aan informatie en anekdotes. Ik vond het schitterend. Kris Pint weet op een uitdagende manier kunstwerken uit te leggen, een theologische achtergrond erbij te schetsen en dit alles nog eens te kaderen in een geheel.
Oprecht is dit boek ondanks zijn religieuze thematiek die voor sommigen als 'saai' aanzien kan worden, geweldig geschreven en ongelooflijk interessant. Nog nooit eerder las ik een boek zoals deze. Het heeft me getriggerd om meer van Pint te lezen. De anekdotes zijn zo boeiend en de manier waarop alles beschreven wordt is subliem. Zo wordt er bijvoorbeeld verteld over hoe Sint-Helena is ontstaan. Dit eiland verwijst namelijk naar een vrouw die in het water werd gesmeten, dood bleek te zijn, maar net als Jezus herrees. Rond haar leek er een heilig altaar te zijn gevormd waardoor Sint-Helena een bijzonder eiland blijkt te zijn en als offerplaats/magische plek wordt gezien.
Ik wil meer zoals dit lezen! Een vriend van mij heeft hem ook gekocht voor zijn vriendin en zij is er ook lovend over, dus je weet wat je te doen staat. Koop dit boek!
Geweldig essay waarin de schrijver aan de hand van herkenbare voorbeelden uit de geschiedenis en de afgelopen tijd de waarde van het religieuze probeert te duiden. Een mooi en ook wel overtuigend essay.