Zou ik popmuziek hebben gerecenseerd in plaats van boeken, dan had ik het werk van Nescio kunnen onderbrengen bij de zogeheten ‘goue oue’. Deze spelling kies ik hier natuurlijk ter navolging van de bijzondere, aan de auteur ontleende, schrijfwijze. Was Nescio (pseudoniem van J.H.F. Grönloh, 1882-1961) wellicht, net als Marcellus Emants, lid van de Vereniging tot Vereenvoudiging van onze Spelling? Wellicht geeft de biografie, van de hand van Lieneke Frerichs, uitsluitsel hierover. Hoe het ook zij, net als in zijn klassiekers “De uitvreter”, “Titaantjes” en “Dichtertje” treft men dergelijke spelling aan in de oorlogscorrespondentie van de schrijver, bezorgd door Frerichs en uitgegeven door Van Oorschot onder de titel “Zingen in het donker, Brieven uit de hongerwinter”. Men komt ze weer in veelvoud tegen, woorden, uitdrukkingen, woordcombinaties en werkwoordsvormen die zijn gespeld als i, zegti, zeidi, heefti, datti, issi, weigerdeni, verteldeni, gezeid, nogeris, hoordenik, hartelike, kennelik, boterammetjes, geouehoerd, nix. En waar het gaat, het is tenslotte hongerwinter, om bijvoorbeeld de bonkaarten van dochter Miep en echtgenote Os(je) Grönloh, wordt die eigendomsrelatie aangegeven met Oster resp. Miepter. Dat is even wennen voor de lezer, maar al snel weer vertrouwd en het komt bij mij eerder vertederend over dan irritant.
Maar dan de inhoud van de brieven, 55 in getal, waarvan de dagtekening zich uitstrekt van 13 augustus 1944 tot 5 juni 1945. Veelvuldig schrijft Nescio –vanuit Amsterdam, vooral aan twee van zijn drie dochters, in Groningen– over de steeds nijpender wordende levensomstandigheden in het westen des lands. Over de honger en de kou, het gaandeweg ontberen van gas en licht, over de inspanningen die hij verricht om aan voedsel en brandstof te komen, over de bomen die uit het straatbeeld verdwijnen, over de gaarkeuken, over pakketten die het echtpaar Grönloh uit Groningen ontvangt of zou moeten ontvangen, over pakketten die in omgekeerde richting worden verzonden, naar de dochters, schoonzoon en kleinkinderen, enz. Heel wat tijd en moeite, én aandacht in de correspondentie, gaat uit naar pogingen om eventueel zoekgeraakte zendingen te achterhalen, zoals de brieven ook getuigen van een serieuze administratie van de verzending en de (verwachte) ontvangst ervan en van het uitblijven van enigerlei reactie erop. Het repetitieve karakter van dit alles zal bij sommigen misschien afbreuk doen aan het leesplezier, maar maakt wel duidelijk hoezeer Nescio’s gedachten en gevoelsleven erdoor werden beheerst. In de allerlaatste brief, van begin juni 1945, klinkt ineens irritatie door. Die wordt. naar aanleiding van de ontvangst van ‘Miep’s ondoordachte [helaas niet bewaard gebleven] briefkaart’ dan ook besloten met de zinsnede: “Ik moet evenwel nadrukkelijk verzoeken van een dergelijken toon verschoond te blijven” (p. 206).
Wat me inhoudelijk verder opviel in de brieven uit de Hongerwinter is dat het, althans in de eerste maanden ervan, alleszins lijkt te zijn meegevallen met het aantal koolhydraten dat voor de Amsterdamse bevolking beschikbaar kwam in de vorm van brood en aardappelen – vreemd, de Grönlohs consumeerden daar meer van dan mijn vrouw en ik anno 2025 plegen te doen. Herkenbaar uit Nescio’s fictieve werk is het observatievermogen van de auteur en diens vermogen om zijn waarnemingen van onder meer de stad, het landschap en de gesteldheid van weer en natuur fraai te verwoorden. Daarbij geeft hij ook blijk van zijn liefde voor de natuur, geëxpliciteerd in een zin als “Ik geef ook meer om sommige boomen dan om de meeste menschen” (p. 186).
Passages met ironische of laconieke ondertoon treft men overigens vaker aan in de brieven. Zoals, over een bezoek aan de tandarts: “In lang had ik hem niet gezien, het is al weer bijna 4 jaar geleden dat er ’t laatst iets aan m’n gebit is gedaan. Hij was allerhartelijkst ook, ik ben aan z’n nieuwe vrouw voorgesteld, een figuurtje uit de Libelle, verkleed als huishoudstertje, met geschilderde wenkbrauwtjes en een beetje bravoure houdinkje. En toen kwam het gesprek op m’n gezondheid en op m’n dieet en toen kreeg ik 3 kilo worteltjes uit den kelder mee. En voor ’t nakijken van m’n gebit wou i nix hebben” (p. 116). En over een bezoek aan Artis: “Ook een jonge zebu, een lekker wit kalf, al halfwas. En bij z’n neus lijkt de bison op kleine Bep van Vessem [de aanstaande echtgenote van Joop den Uyl, HM], stom en verwaand. […] De bronzen Boeddha zag er nog even bot en antipathiek uit, achterlijk zoo’n plat neusje” (pp.36-37).
Het was me al met al wederom een waar genoegen om Nescio te lezen. Dientengevolge besluit ik maar met, om in stijl te blijven, een simpel “Daggi”; hopelijk tot nogeris een volgende keer.