Onderzoekspsycholoog en boeddhistische leraar Han de Wit en de jonge filosoof en historicus Jeroen Hopster vergelijken in het boek 'Boeddhisme voor denkers' de boeddhistische traditie en de westerse filosofie. Er blijken overeenkomsten én verschillen te bestaan. Een verschil ligt in de innerlijke ervaring als bron voor kennis. In het Westen speelt die innerlijke ervaring bijna geen rol meer, voor boeddhisten is ze juist belangrijk. Dat maakt het boeddhisme tot een schatkamer voor levenskunst.
In Boeddhisme voor denkers (2014) benaderen psycholoog Han F. de Wit en filosoof Jeroen Hopster het boeddhisme expliciet vanuit het perspectief van de denker. Hun centrale vraag luidt: “Hoe zou een filosoof aankijken tegen de boeddhistische leer?” (p. 7). Vanuit deze invalshoek verkennen zij het boeddhistische gedachtegoed en onderzoeken zij hoe dit zich verhoudt tot thema’s en discussies uit de westerse filosofie. Die vraag vormt het uitgangspunt van dit toegankelijke maar inhoudelijk ambitieuze boek. Na een beknopte inleiding volgen tien thematische hoofdstukken, waarin onder meer levenskunst, ervaringskennis, verlichting en maatschappelijk boeddhisme aan bod komen.
In de inleiding onderstrepen De Wit en Hopster de intellectuele waarde van een boeddhistische blik op mens en wereld. Zij kiezen daarbij nadrukkelijk voor een visie van binnenuit (emic-perspectief): “hoe kijkt een boeddhistisch denker zelf aan tegen het boeddhistische gedachtegoed?” (p. 9). Het doel is niet primair descriptief of historisch, maar dialogisch: de auteurs willen laten zien welke inzichten hedendaagse denkers kunnen putten uit de boeddhistische traditie. Door het boeddhisme in gesprek te brengen met de westerse filosofie worden zowel parallellen als verschillen zichtbaar gemaakt.
Een terugkerende vraag is wat het boeddhisme eigenlijk is. Moeten we het begrijpen als religie, als psychologie, of als filosofie? Volgens De Wit en Hopster bezit het kenmerken van alle drie, maar geeft het “daaraan niet altijd de invulling die wij gewend zijn” (p. 14). Psychologie speelt een centrale rol, in die zin dat het boeddhisme diepgaand onderzoek doet naar de menselijke geest en ervaring, maar dit gebeurt op een andere wijze dan binnen de moderne westerse psychologie. Ook kent het boeddhisme een rijke filosofische traditie, zij het een die minder sterk op rationele argumentatie is gericht. Ten slotte vertoont het boeddhisme overeenkomsten met religie, al benadrukken de auteurs dat hier een onderscheid moet worden gemaakt tussen religie en godsdienst. Een treffender begrip is volgens hen ‘levenskunst’: een praktische wijsheid die erop gericht is mensen tot bloei te brengen. Dit perspectief wordt uitgewerkt in het eerste hoofdstuk en zet de toon voor de rest van het boek.
Bijzonder verhelderend is hoofdstuk drie, over ‘schijn en werkelijkheid’. Hier geven de auteurs een heldere uiteenzetting van boeddhistische opvattingen over illusie en realiteit. Veel boeddhistische lessen zijn erop gericht schijn te doorzien als schijn, en niet te verwarren met werkelijkheid. Zolang dit inzicht ontbreekt, leeft men in onwetendheid en daarmee in samsara. Het doorzien van de schijn en het ervaren van de werkelijkheid betekent ontwaken en het realiseren van nirwana. In dit hoofdstuk bespreken De Wit en Hopster onder meer de Vaibhāṣika-school en de Sautrāntika-stroming. Vooral deze laatste is relevant vanwege haar stelling dat uitsluitend de werkzaamheid van verschijnselen als ‘werkelijk’ kan gelden. Concepten en essenties behoren niet tot de werkelijkheid zelf, maar zijn producten van onze geest. “Onze concepten zijn ‘leeg van werkelijkheid’” (p. 29).
Deze analyse wordt expliciet verbonden met klassieke debatten uit de westerse filosofie, zoals de controverse tussen realisten en nominalisten over universalia en particularia. Het boeddhistische denken vertoont duidelijke verwantschap met het nominalisme, waarin universalia worden opgevat als mentale constructies. Daarnaast leggen de auteurs een verbinding met de procesfilosofie van Alfred North Whitehead. In het daaropvolgende hoofdstuk, over ‘leegte’, wordt deze gedachte verder uitgewerkt. Het gaat hier om de deconstructie van concepten en om het komen tot shunyata: de ervaring dat gedachten en begrippen ‘leeg van werkelijkheid’ zijn.
Hoofdstuk vijf, gewijd aan ‘ervaringskennis’, behoort tot de meest aansprekende delen van het boek. Volgens de boeddhistische epistemoloog Dharmakirti kan kennis worden onderscheiden in ‘conceptueel’ en ‘perceptueel’ kennen. Zijn uitspraak luidt: “Conceptuele kennis kan spreken, maar is blind. Perceptuele kennis kan zien, maar is stom” (p. 48). Om tot perceptuele kennis te komen, wordt meditatie beoefend: “die levert ons perceptuele kennis over het landschap van onze geest” (p. 48). Meditatie als vorm van kennisverwerving is binnen de westerse filosofische traditie ongebruikelijk, maar in het boeddhisme geldt zij juist als een onderzoeksmethode van de menselijke geest.
Meditatief zelfonderzoek wordt opgevat als een vorm van ‘introspectie’ en expliciet afgezet tegen het behaviorisme, dat introspectie als wetenschappelijke methode afwijst. In meditatie wordt de gedachtenstroom zelf waargenomen; men leert gedachten te zien in plaats van erin op te gaan. Hierdoor ontstaat een zekere onafhankelijkheid van onderzoeker en onderzochte. De opbrengst van dit boeddhistische zelfonderzoek typeren De Wit en Hopster treffend als ‘intersubjectieve eerstepersoonskennis’ (p. 52).
Een ander onmisbaar thema is het ‘ik’ als illusie, dat centraal staat in hoofdstuk zeven. “Over dit concept van een ‘ik’ wordt in het boeddhisme gezegd: het is een mentale constructie, die niet is gebaseerd op onze ervaring” (p. 62). Er is geen homunculus die onze ervaringen aanstuurt. De auteurs illustreren dit onder meer met dromen, waarin de geest moeiteloos een ander ‘ik’ kan voortbrengen. “Die veranderlijkheid suggereert dat ons zogenaamde subject, ons ‘ik’, een mentale creatie is” (p. 64). Bij het ontwaken sterft het ‘droom-ik’ en wordt een nieuw ‘waak-ik’ geboren.
Ook het begrip ‘ego’ krijgt een andere betekenis dan in de westerse psychologie. Waar daar vaak wordt gesproken over ‘ik-sterkte’, verwijst ‘ego’ (atman) in het boeddhisme naar “een ‘egocentrische werkelijkheidsbeleving’, een egocentrische manier om de werkelijkheid te construeren” (p. 65). Deze egocentrische houding – een mentale terugtrekking uit de wereld – is volgens de boeddhistische diagnose de bron van duhkha, het lijden. In die zin staat het boeddhistische ego niet voor kracht, maar eerder voor ‘ik-zwakte’. Het loslaten van deze egocentrische werkelijkheidsconstructie vormt een noodzakelijke stap richting verlichting. In het daaropvolgende hoofdstuk wordt nirwana omschreven als het “uitdoven van je egocentrische werkelijkheidsbeleving” (p. 71).
Boeddhisme voor denkers is een helder en toegankelijk boek dat zich vlot laat lezen, zonder oppervlakkig te worden. In beknopte hoofdstukken behandelen De Wit en Hopster kernbegrippen uit de boeddhistische traditie en brengen die respectvol in dialoog met de westerse filosofie. Het boek zet aan tot reflectie: hebben we in het Westen de ratio te veel bevoordeeld ten koste van ervaringskennis? Welke inzichten levert introspectie via meditatie op over de menselijke geest? En hoe moeten we de (on)werkelijkheid van concepten herwaarderen?
Deze vragen blijven hangen na lezing, naast de fundamentele boeddhistische noties van bevrijding uit samsara, meditatiebeoefening en het cultiveren van egoloosheid, gericht op nirwana. Hoewel in deze recensie slechts een selectie van thema’s aan bod komt, behandelen de auteurs nog tal van andere onderwerpen. Het boek sluit af met een bibliografie die uitnodigt tot verdere studie. Daarmee is Boeddhisme voor denkers vooral een heldere inleiding; wie een meer academische verdieping zoekt, vindt daarvoor aanknopingspunten in de literatuurverwijzingen.
Boeddhisme voor denkers (Paperback) by Han F. De Wit
Mijn voorkeur gaat wel naar Theravada dat radicaler is in analyse van de menselijke conditie en het niet heeft over 'de goede natuur' van de mens of Boeddha-natuur van elke mens. Ik vind de voorstelling wel mooi, maar niet realistisch. Weliswaar kunnen de hints een hulp zijn voor hen die naar die natuur op zoek zijn. Mij lijkt het alerter aan te sluiten bij Hobbes, Freud en Sartre.
In 93 pagina's adresseren de schrijvers de belangrijkste aspecten van het Boeddhisme en plaatsen die in de context van de het westerse filosofische denken. Ik vind dat een prestatie, het werkje leest bovendien ook nog eens lekker weg. De benoeming van de Boeddhistische scholen had wat mij betreft ook nog achterwege mogen blijven (verplaatst naar de Bibliografie) de gebruikelijke Boeddhistische terminologie vond ik juist wel heel goed uitgelegd en hertaald. Veel wijsheid in kort bestek.
Een interessant onderwerp en dit boek gaf me zeker stof tot nadenken, maar de schrijvers gaan wat mij betreft niet diep genoeg op de materie in. Het krijgt zo meer het karakter van een overzicht dan van een echt doorwrochte studie.