Deze donkere tijden vragen om een filosofische kijk op de lichtheid van het leven De geest van ernst is in vele gedaanten onder ons en dringt ons allerlei verantwoordelijkheden op. Tegelijk verlangen we er soms naar om domweg gelukkig te zijn, ons te vermaken of te dansen als dwazen. Socrates beweerde dat een gedachteloos bestaan geen leven voor de mens was, maar hoort een kleine dosis onnadenkendheid niet ook tot het goede leven? Hoeveel vrolijke onschuld kunnen we ons veroorloven in een wereld waarin de permanente noodtoestand heerst? Peter Venmans laat op speelse wijze zien dat we frivoliteit ernstig nodig hebben.
Ik liefhebber maar wat in de filosofie maar het komt mij voor dat de botheid of ultieme ongrijpbaarheid van het instrument “taal” filosofen blijvend met kopzorgen opzadelt maar hen ook vastheid van betrekking garandeert. Geen begrip of concept raakt eindelijk gedefinieerd en er is altijd wel ruimte om er nog eens omheen te cirkelen.
Neem nu “frivoliteit”, niet direct een filosofisch concept van eerste rang, maar probeer de betekenis maar eens vast te leggen. Peter Venmans schreef er een heerlijk boek over. Niet te veel maar net genoeg ernst, goed gedoseerd. De kernboodschap lijkt me dan ook dat we als mensen en als maatschappij best de scherpslijpers, de zeloten, de zuiveren-in-de-leer, de puriteinen en andere hardhoofdigen voldoende weerwerk moeten bieden.
Venmans neemt ons mee op een wandeling in de westerse filosofie grofweg van de Verlichting tot nu (geen oude Grieken) langs filosofen en denkrichtingen waar “frivoliteit” expliciet of impliciet van betekenis waren: vermijd lichtzinnigheid, wees verantwoordelijk! Of: waardeer de vreugde en de humor. Durf spelen!
De filosofische stellingen worden geflankeerd door veelal recente voorbeelden uit de politieke geschiedenis en van culturele expressies. Bijvoorbeeld het iets tè frivole geloof in het einde van de geschiedenis na de val van de Berlijnse muur of hoe een “frivole” Française in de roman en film “Babette’s feest” ook een van zondebesef doordrongen Deens dorp geestelijk bevrijdt.
Ik zeg u nog: rationalisme, Pascal, sprezzatura, rococo, biopolitiek, postmodern, Nietzsche, Mandeville, Kundera, …Slechts een beperkte greep uit de plekken waar wordt haltgehouden in een vlotte vertelstijl die toch complexe dingen niet mijdt.
Ik las eerder “Discretie” van hem en “Gastvrijheid” ligt hier nog te wachten. Venmans lijkt zijn formule om filosofieboeken te schrijven te consolideren: neem een relevant begrip voor onze tijd (en in onze cultuur) en ga eens na wat daar zoal over te vinden is. Over “Vrijheid” en “Rechtvaardigheid” is er al voorraad genoeg.
In de inleiding tot zijn boek bezigt auteur Peter Venmans al volgende woorden: “vrolijke onschuld”, “iets onbenulligs”, “het frivole, vluchtige en futiele”, “het kleine, nutteloze en ondoordachte”, en “de lichtvoetigheid”. Peter Venmans heeft een boek over frivoliteit geschreven dat hij in de inleiding zelf “een genuanceerd, beschrijvend essay” (p.15) noemt. In het nawoord heeft hij het over “dit serieuze maar hopelijk niet al te zwaarwichtige boek over een bij uitstek onserieus onderwerp” (p. 203). Dit zijn typeringen die inderdaad dit boek goed beschrijven.
Peter Venmans is filosoof en hispanist. Zijn filosofische aard komt in dit werk zeker aan bod. We lezen over Pascal, Descartes, Kant, Nietzsche, Marcuse, Sloterdijk en een rits andere, minder bekende denkers. Dit boek heeft zeker een ernstige kant, maar anderzijds maakt de auteur ook met enkele voorbeelden duidelijk wat hij bedoelt met frivoliteit. Zo schrijft hij over de film Babette’s feest (Denemarken, 1987): “De Franse Babette woont in het midden van de negentiende eeuw in Jutland in een bijzonder puriteins milieu. Ze werkt er als kokkin en bereidt voor de strenge, puriteinse gelovigen (die zich tegen aards genot kanten) een typisch Frans feestmaal voor waarvan ze echt smullen en dat hen zal bijblijven.” Een ander voorbeeld haalt de schrijver uit Woody Allens film Hannah and Her Sisters (1986). Meer bepaald heeft hij het over het personage Mickey Sachs (vertolkt door Woody Allen zelf). Mickey is een hypochonder die vreest dat hij een tumor heeft. Nadat dokters hem duidelijk maken dat er niets met hem scheelt, probeert hij zich te bekeren tot enkele godsdiensten. Maar dat helpt hem niet en in het besef dat hij niet kan leven zonder een god probeert hij nadien zelfmoord te plegen. Na een mislukte zelfmoordpoging doolt hij rond in de stad en gaat hij op goed geluk een bioscoop binnen, waar de film Duck Soup (1933) speelt, een bijzonder lichtvoetige en humoristische film met de Marx Brothers. Het zien hiervan brengt Mickey in een heel andere stemming en onmiddellijk smelt zijn zwaarmoedigheid als sneeuw voor de zon.
Een groot deel van dit boek heeft Venmans gewijd aan de historische antifrivoliteit, die hij voornamelijk vindt in het puritanisme en het rationalisme. Hier is het boek zeker ernstig en passeren vele bekende of minder bekende filosofen en denkers de revue. “Een van de meest radicale uitingen van de Reformatie was het puritanisme, dat zoals de naam het al zegt naar absolute zuiverheid streefde.” (p. 41) Daarmee is de puriteinse houding diametraal gekant tegen elke vorm van frivoliteit: “Puriteinen wantrouwen ook het kleine, onschuldige plezier want de duivel is een meester in zich vermommen en kan zich overal schuilhouden.” (p. 51) Een andere stroming die zich kant tegen alles wat frivool is, is het rationalisme, dat evenwel radicaal seculier wil zijn en daarin verschilt van het puritanisme. “Beide worden ze echter beheerst door een geest van ernst die alle vormen van frivoliteit wantrouwt en wil uitbannen.” (p.60) Het rationalisme “heeft de neiging tiranniek te worden omdat het meent te weten wat goed is voor iedereen.” (p.62) Het rationalisme oefent een grote aantrekkingskracht uit op praktische geesten, ondernemers, politici en activisten. Dit evolueert in de werksfeer naar professionalisme: het denken in termen van nut en efficiëntie, dat sinds de negentiende eeuw dominant geworden is. “Geloof werd geleidelijk aan vervangen door nutsdenken, devotie door de cultus van de efficiency.” (p.82)
Maar in het historisch verhaal komt een breuk, met name wanneer vanaf de jaren ‘60 de overvloeds- en consumptiemaatschappij ontstaat. “Dat frivoliteit de motor van de vrije markt is, is een waarheid die in de tweede helft van de twintigste eeuw meer dan ooit actueel geworden is.” (p.89) Marketeers spelen in op behoeften van consumenten en creëren die desnoods zelf. De burger wordt veel meer dan producent nu consument. Herbert Marcuse spreekt in dit verband over ”De eendimensionale mens” (1964), Peter Sloterdijk schrijft over “het postmoderne frivoliteitssysteem” in een essay uit 2007. De beeldcultuur uit die tijd (nog voor het internet) past hierbij: getuige Neil Postman en zijn boek We amuseren ons kapot (1985). Tussen de val van de muur in 1989 en de aanslagen van 11 september 2001 liggen de frivole jaren ’90, wanneer we de illusie hadden dat de geschiedenis voorbij was en iedereen de liberale vrije markt zou omhelzen (Fukuyama).
Maar in de hedendaagse tijd ziet Venmans toch weer ernstige stromingen die de frivoliteit ongenegen zijn. Hij vernoemt onder meer de heropleving van het stoïcisme (via talrijke zelfhulpboeken), het eco-alarmisme (dat in het klimaatprobleem een ernstige bedreiging ziet) en het woke-denken dat evenmin enige vorm van humor of frivoliteit gunstig gezind is. Na dit historische verhaal wijdt Venmans nog twee hoofdstukken respectievelijk aan Nietzsche en Milan Kundera. Hoewel velen de Duitse filosoof niet zouden associëren met lichtvoetigheid, toch ziet de auteur verbanden, met name met zijn ‘amor fati’, zijn boek De vrolijke wetenschap (1882) en tot slot zijn voorkeur voor het mediterrane leven met onder meer zijn liefde voor de opera Carmen van G. Bizet (en zijn afkeer van de opera’s van Wagner die hij voordien bewonderde). Het werk van Kundera is zeker verbonden met de lichtvoetigheid, getuige zijn boek De ondraaglijke lichtheid van het bestaan (1984) en zijn debuut De grap uit 1967. Deze geven aanleiding tot enkele interessante bladzijden bij Venmans.
Verder heeft hij het nog uitgebreid over verschillende vorm van spelen, waar frivoliteit om de hoek loert. Helemaal aan het einde van zijn boek wijdt de auteur nog enkele pagina’s aan het schilderij De gelukkige toevalligheden van de schommel (1767-1768) van de rococoschilder Jean-Honoré Fragonard. Een reproductie van dit schilderij siert de cover van Venmans boek en is – typisch voor de rococostijl - zeer frivool. De auteur wijdt er enkele boeiende beschouwingen aan. Dit boek kan ook gelezen worden als een ideeëngeschiedenis en bevat vele interessante pagina’s. Het onderwerp is op het eerste gezicht zeer lichtvoetig maar geeft toch aanleiding tot zeer boeiende beschouwingen. Lectuur hiervan is zeker aan te raden.
Een boek waar inderdaad nood aan is in deze tijden. Men kan vaak toch maar aan gedeeltelijke waarheden komen. Filosofie lijkt me een groeiend bewustzijn. En vaak is het zoeken tot hoe ver iets waar is of commensurabel.
Ik snap de nood ergens van het afbakenen, als ik het zo mag noemen van filosofische theorieën wel. En in het kader van een verdediging van frivoliteit is het inderdaad zo dat puriteinse en rationele houdingen niets of weinig van eerstgenoemde bevatten. Maar Stoicisme lijkt me verkeerd neergezet en te negatief beoordeeld. Er zijn verkeerde concepten en ideeën in het Stoicisme, maar ook 'nuttige' en dan doel ik op spirituele oefeningen die niet gewoon gaan over emoties onderdrukken. Premeditatio malorum, the ABC of emotions( Albert Ellis) en andere kunnen helpen. Betekent dit dat men echter de volledige leer kan gebruiken, of een dogmatisch wereldbeeld, en dan doel ik op die van de vroegste stoicijnen en de 'perfecte wijze' moet aanhangen. Die raad ik ten stelligste af.
Naast bovenstaande conclusies heeft het boek zeker geholpen om wat minder in functies en nut te leven in de vrije tijd, en wat meer frivoliteit te omarmen zonder hier spoilers neer te schrijven.