Deze biografie wordt wat mij betreft beter met de bladzijde. In het filosofische deel aan het einde komt hij het beste tot zijn recht. Daar wordt hij kwetsbaarder en menselijker.
Toch zit er door het boek heen ook wel wat borstklopperij. Misschien ervaar ik dat zo omdat zijn wereld ver van mijn eigen leven afstaat. Hij spreekt vaak in wijsheden en oneliners. Het is af en toe wat belerend, maar soms ook juist verrassend kwetsbaar.
Het is alleen lastig om de meegegeven lessen toe te passen op je eigen leven. Het blijft toch vooral zakelijk en afstandelijk. Het is wél interessant om te lezen waar hij vandaan komt, maar over zijn privéleven vertelt hij opvallend weinig. Vooral school komt voorbij: de vervelende ervaringen, zijn drang om gelijk te halen. Ik zie niet echt zijn falen terug. Zijn eigenwijsheid spat van de pagina’s, al lijkt hij zich daar deels ook wel bewust van.
Er zaten wel mooie metaforen verborgen in dit boek.
Die van de piano: toetsen, melodieën die zich combineren en voortborduren op wat er al is. Dat idee dat alles er eigenlijk al was, spreekt me aan.
Die van de speelplaats: met het vallen van het klimrek of verliezen met een potje knikkeren terwijl je weet dat ooit de bel gaat en de speeltijd afgelopen is. Hoe lang blijf je verbolgen als je valt of verliest?
Het is indrukwekkend hoe veelzijdig hij is: hard en zakelijk, maar ook diep en sociaal. Een psycholoog, filosoof, zanger, consultant én Special Forces-operator in één. Dit maakt hem een interssant en kleurrijk figuur. Ook waardeer ik hoe hij kritisch is op projectie, coaching en zelfhulpcoaches en dat hij zichzelf daarin meeneemt. Dat vind ik sterk.
Hij geeft in dit boek aan nooit echt trots te zijn op zichzelf, maar zo komt het voor mij niet over. Hij komt nogal overtuigd van zichzelf over, zelfs een beetje macho. Maar eerlijk is eerlijk: misschien hoort die perfectionistische en overtuigde instelling ook bij het vak waarin hij heeft gewerkt. Je moet dan wel zelfverzekerd iemand zijn voor wie het tegelijkertijd nooit genoeg is.
Zijn vraag: “Zou je gaan naar de film van je eigen leven?” is een mooie oneliner om bij stil te staan. Maar ik denk ook: het leven hoeft niet altijd een film te zijn vol actie, humor of plottwists. Je mag ook gewoon genieten van kleine dingen en een beetje doorkabbelen.
Door het hele boek viel het me op hoe selectief hij was in wat hij deelde. Bijna niets over zijn omgeving of familie, vooral over vrienden. Gelukkig komt hij daar op het einde nog op terug, anders had het incompleet gevoeld. Hierin probeert hij voor mijn gevoel zijn egoïsme goed te praten of andere woorden te geven, al lijkt hij zich daarvan ook bewust te zijn en probeert hij het ook te nuanceren.
Zijn visie op ouderschap vind ik dan weer mooi: het doorgeven van autonomie, en het idee dat een kind per definitie goed genoeg is.
Voor mij werd het boek dus richting het einde steeds sterker. Steeds eerlijker, dieper en kwetsbaarder. Het filosofische slotdeel is zonder twijfel het sterkste.