In Addertje ontmoeten we het demonische wezen Addertje dat haar moeder zoekt. Het bange meisje Zuuz dat de stem van de duivel heeft gehoord. Haar oudoom Drie die eindeloos op sterven ligt. De kinderen misbruikende priester Bubblebeez die de hel onder zijn toog meedraagt. De eeuwig klagende teinreiziger Constant en de zeldzame watersatan, aan de andere kant van het gangpad, die het op hem gemunt heeft.
Addertje is een wonderlijk lichte, fijnzinnige en diepzinnige dichtbundel over de duivel. De vier verhalende gedichten gaan over het kwaad, over vervreemding, verdraaiing, angst, het verloren lopen in de wereld, het pauzeren van een kritische grens. Het archetype van de duivel wordt opnieuw geboren in een veelheid van vromen en gedaanten en hij is verrassend anders dan je denkt.
Alfred Schaffer schreef over deze bundel in De Groene: ‘Riemen vast en verstand op nul, dit wordt een bumpy ride, niet bedoeld voor lezers die willen duiden en uitleggen.’
Ik hou ervan hoe ik gegrepen kan worden door de virtuositeit van taal en terechtkom in een trip waar ik weinig van begrijp, maar waar ik ook niet hoéf te begrijpen omdat de trip maar doorgaat. Vreemd, grappig en ontroerend tegelijk. Vergelijkbaar met wat ik ervaarde bij het lezen van Oroppa.
Lekker luidop aan mezelf voorgelezen, waar ik maar kon. Vooral 'Zuuz' en 'Constant' waren heel plezierig. Een mens zou er naar verlangen om ook eens een duivel tegen te komen.