Toen ik begon met het lezen van dit boek, wist ik niet wie Roger Scruton was. Ik heb hem opgezocht op het internet en ik ben erachter gekomen dat ik het niet zo'n leuke man vind: hij heeft Thierry Baudet begeleidt tijdens zijn proefschrift (een man die nu een fascist is), hij was zeer homofoob en Viktor Orban, de Hongaarse dictator, was aanwezig op zijn begrafenis. Het boek is in mijn ogen erg slecht. De logica van Scruton is soms van een belabberd niveau, wat ik in deze review bewijs. Mijn grootste probleem met dit boek is het feit dat de theorieën niet aansluiten op de werkelijkheid.
Conservatisme wordt gedefinieerd als: "De politiek van het uitstel, met als doel het leven en de gezondheid van een maatschappelijk organisme zo lang mogelijk in stand te houden" (p. 14). Dit wordt gekoppeld aan groen-beleid: "Conservatisme en milieubehoud zijn twee aspecten van één enkel langetermijnbeleid, gericht op het zuinig omgaan met hulpbronnen en het veiligstellen van de vernieuwing daarvan" (p. 14). Scruton zegt het volgende: (1) conservatisme staat voor behoud; (2) we hebben een klimaatprobleem; (3) conservatisme en klimaatbehoud delen dezelfde visie. De koppeling van conservatisme en klimaatbehoud slaat in de werkelijkheid nergens op: het verklaart niet waarom het huidige beleid er niet in is geslaagd om te verduurzamen, aangezien de meeste landen een rechts-conservatieve regering hebben. Daarom ben ik het fundamenteel oneens met de kern van dit boek. Wel zijn Scruton en ik het eens dat conservatieven voor klimaatbehoud zouden moeten zijn, maar ze zijn het in de praktijk niet.
Roger Scruton heeft (samen met Paul Cliteur) Thierry Baudet begeleidt in zijn proefschrift. Thierry Baudet is op dit moment de leider van een fascistische partij (FvD) die klimaatverandering (door menselijk toedoen) ontkent. Dit boek is geschreven in dezelfde periode dat Baudet zijn proefschrift schreef - het woord 'oikofolie' komt dan ook geregeld terug, Baudet heeft (kort na het verschijnen van dit boek) een boek geschreven over de tegenhanger van dat woord ('oikofobie'). Scrutons eigen pupil laat dus zien dat conservatisme en klimaatbehoud niet samengaan. Daarom is de volgende uitspraak frappant: "Om die reden, zo lijkt me, moeten Groenen voor het conservatisme kiezen" (p. 258).
Scruton vindt dat individuen alle verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun gedrag: "De oplossing is onze vraag aan te passen, zodat we de kosten ervan zelf te dragen krijgen, en een manier te vinden om bedrijven zo onder druk te zetten dat ze hetzelfde gaan doen" (p. 19). Ook schrijft hij: "Telkens wanneer we een vliegreis maken, de supermarkt bezoeken of fossiele brandstof verbruiken, schuiven we onze kosten af op anderen en op toekomstige generaties" (p. 19). Echter kan een bedrijf veel meer impact maken dan een individu: als ik stop met autorijden, kan Shell alsnog een nieuw boorplatform openen, waardoor mijn verantwoordelijkheid geen resultaat heeft. Daarnaast zijn individuen afhankelijk van hetgeen bedrijven aanbieden. Zo wil ik graag een vliegreis maken met een vliegtuig die aangedreven wordt met zonnepanelen, maar zo'n toestel bestaat niet; ik kan alleen maar kiezen uit niet-duurzame producten en diensten. Scruton pleit hier dus impliciet voor het onttrekken van mensen uit de samenleving: ik mag alleen bedrijven bekritiseren als ik niet meer consumeer, wat onmogelijk is.
Het hele boek is gevuld met anti-globalistisch sentiment; Scruton drukt zich uit als een xenofoob. De argumenten tegen globalisme zijn volledig eenzijdig: de voordelen van globalisme worden niet benoemd. Bovendien worden islamieten weggezet als barbaren: "[De traditionele Islam slaat over] naar een Europa waarvan de instituties en tradities wringen met de islamitische levenswijze" (p. 18). Dit sentiment veranderd later in het boek onverwachts: "De opwarming van de aarde is een transnationaal probleem en roept vragen op over verdragen en internationale samenwerking" (p. 52). Ook schrijft hij: "Persoonlijk ben ik voorstander van een wet [van de Europese Unie] die niet-afbreekbare verpakkingen verbiedt of de inzameling ervan waarborgt" (p. 78).
Scruton beargumenteert het volgende: "Toch blijft het zo dat de activistische ngo's onvoldoende verantwoording afleggen en dit is een natuurlijk gevolg van hun werkwijze" (p. 29). Inherent in dit argument is het idee dat organisaties die verantwoording afleggen per definitie goed zijn. Echter blijkt dit in de praktijk niet te werken: FvD hoeft geen verantwoording af te leggen voor fascistische uitspraken en kan geld blijven verdienen met de gelieerde bedrijven; zolang er mensen zijn die geloven dat het World Economic Forum bestaat uit satanistische pedofielen, blijft FvD zetels houden. Verantwoording afleggen is een terugkerend thema in het boek: bureaucraten vindt Scruton niks.
De auteur creëert een foutieve tegenstelling door het volgende te schrijven: "Er zijn mensen die politiek zien als het mobiliseren van de samenleving voor een bepaald doel. En er zijn anderen die politiek zien als een methode voor het oplossen van conflicten en het verzoenen van belangen, een methode die echter geen eigen doel heeft" (p. 30). Scruton vindt dat linkse mensen bij de eerste groep horen en hijzelf bij de andere groep. Echter schreef Scruton eerder nog: "De politiek van het uitstel, met als doel het leven en de gezondheid van een maatschappelijk organisme zo lang mogelijk in stand te houden" (p. 14). Zijn doel van politiek is dus om de huidige maatschappelijke orde in stand te houden. Dit betekent dat Scruton in beide groepen valt, net als iedereen.
In hoofdstuk 2 lijkt Scruton het klimaatprobleem (op meerdere momenten) te bagatelliseren: "Ik stelde mij in dit hoofdstuk ten doel aan te geven dat de waarschijnlijkheid van de opwarming van de aarde niet voldoende is om milieuproblemen uit de sferen te tillen waarin het door mij verdedigde conservatisme vaste voet krijgt" (p. 52). Hierdoor betwijfel ik de oprechtheid van Scruton om het klimaatprobleem aan te pakken.
Scruton en ik delen de volgende visie: ". . . zij die voor schade verantwoordelijk zijn, deze ook behoren te herstellen" (p. 53). Daarom moeten we grote bedrijven aanpakken, aangezien 100 bedrijven verantwoordelijk zijn voor 71% van de globale uitstoot (The Guardian, 2017). Echter pleit Scruton hier niet voor. Integendeel: "Bovendien miskent het de eigenlijke verantwoordelijkheid, omdat het mikt op de energieproducten in plaats van op de consumenten" (p. 267).
Scruton beargumenteert in hoofdstuk 4 dat het nemen van risico's nodig is en dat voorzorgsmaatregelen (genomen door de Europese Unie) erg slecht zijn: "Hoeveel slaperige keizerrijken waanden zich niet veilig in hun langdurige overvloed en werden weggevaagd door barbaarse horden, eenvoudigweg omdat de basileus of kalief zijn leven had doorgebracht in risicovrije paleizen" (p. 84). Dit voorbeeld is compleet onbenullig en wordt veel gebruikt door rechts-conservatieve mensen. Het Romeinse Rijk is inderdaad omvergeworpen door "barbaren", echter hebben de Romeinen ook ontelbare volksstammen verslagen en overgenomen. De geschiedenis wordt simpelweg geschreven door de winnaars. Bovendien laat het voorbeeld niet zien dat er geen risico's werden genomen, maar dat de risico's verkeerd zijn ingeschat; Scrutons logica klopt niet in zijn eigen voorbeeld.
Scruton heeft hierover nog wat te melden: "zij [, de risicomijders, zullen] de verliezers zijn en ze zijn alleen van bescherming verzekerd wanneer ze op een bemoederende staat kunnen terugvallen. Toch is de bemoederende staat zelf afhankelijk van risiconemers." (p. 87). Echter vergeet hij dat grote bedrijven en andere ondernemers (de risiconemers) vaak ook afhankelijk zijn van overheidssteun: grote bedrijven moeten regelmatig gered worden door de overheid en ze krijgen veel subsidies (vaak in de vorm van belastingkortingen).
Scruton noemt het Groot-Brittannië van na de Tweede Wereldoorlog socialistisch, wat enigszins overdreven is - socialisme vindt hij overduidelijk slecht, terwijl het ook goede dingen heeft voortgebracht zoals de NHS. Hij beweert het volgende: "[door socialisme] raakten de rivieren ernstig vervuild, en in veel van de mooiste bleef geen leven meer over" (p. 113). Echter klinkt dit totaal niet logisch en realistisch - waar ik geen bewijs voor heb. Bovendien wordt de Sovjet-Unie meerdere keren weggezet als een inherent niet-duurzaam land, terwijl alle industrialiserende landen relatief veel uitstootten. Een voorbeeld die Scruton gebruikt is de kernramp van Tsjernobyl. Waarom wordt Fukushima niet gebruikt als voorbeeld van de inherente niet-duurzaamheid van het kapitalisme? De kernreactor was immers geplaatst door een geïndustrialiseerd land, nabij een breuklijn.
Scruton gebruikt het pleidooi van Edmund Burke om de conservatieve benadering van het milieuprobleem te schetsen. In dit conservatieve denken zitten drie kernideeën: "respect voor de doden, het 'kleine peloton' en de stem van de traditie" (p. 151). Burke dacht het volgende over de Franse Revolutie: "Minachting voor de doden leidt zo tot het ontnemen van rechten aan de ongeborenen, en hoewel dat resultaat misschien niet onvermijdelijk is, werd het door alle daaropvolgende revoluties herhaald" (p. 152). De revolutionairen kwamen in opstand omdat hun huidige leven een lage kwaliteit had, terwijl de monarchen een extreem luxeleven hadden. Scruton definieerde conservatisme als het in stand houden van de huidige maatschappelijke orde. Wellicht was de revolutie de schuld van de monarchen zelf: als de monarchen het volk hadden voorzien van een beter leven, was een revolutionaire beweging waarschijnlijk niet succesvol geweest. De monarchen waren, volgens de logica van Scruton en Burke, dus niet conservatief genoeg: de maatschappelijke orde werd immers omvergeworpen.
Scruton heeft het volgende te zeggen over tradities: "Mensen die ze aanvaarden zijn niet altijd in staat ze uit te leggen, laat staan ze te rechtvaardigen. . . . De rede blijkt uit datgene waarvoor we geen redenen geven en misschien ook geen redenen kunnen geven" (p. 154). Hiermee beweert Scruton dat alle tradities hoe dan ook goed moeten zijn en niet veranderd mogen worden. Echter zijn er tradities op te noemen die afgeschaft moeten worden. Denk aan de verering van kolonialisten (met standbeelden) zoals Jan Pieterszoon Coen (bijnaam 'de slachter van Banda').
Scruton beschrijft het ontstaan van naties als een idyllisch proces, en gebruikt USA als voorbeeld: "Het is duidelijk dat naties ook een jurisdictie nodig hebben die voor het hele grondgebied geldt. Zo'n jurisdictie vereist wetgeving en dus een politiek proces. Dit proces transformeert het gedeelde grondgebied tot een gedeelde identiteit, en die identiteit is de natiestaat. Dit is ook een korte samenvatting van de Amerikaanse geschiedenis" (p. 168-169). Echter vergeet Scruton hier de genocide (van de inheemse bevolking) en de burgeroorlog te vermelden. Bovendien verklaart de visie niet waarom kolonialisten (geboren in het Verenigd Koninkrijk) zich in een ander land wilden vestigen. De gedeelde identiteit van USA is volgens Scruton dus het afpakken van land en uitroeien van inheemse volkeren door kolonialisten.
Scruton ziet een causaal verband tussen oikofolie en zorgen voor het eigen milieu: "Over het algemeen wordt het milieu het best onderhouden waar de oikofilie sterk is, zoals in de Scandinavische landen, in Zwitserland en in de Engelssprekende landen" (p. 169). Echter is deze redenering eenzijdig: per hoofd stoten inwoners van deze landen namelijk het meeste uit van de hele wereld. Daarnaast zijn dit de landen die de welvaart hebben om iets te doen aan het milieu. Scruton maakt hetzelfde punt nogmaals: "Twee van de ontwikkelingslanden die momenteel het meest verantwoordelijk zijn voor de uitstoot van broeikasgassen zijn India en China" (p. 208).
Scruton beschrijft een land als volgt: "We hebben te maken met een enorm machtig kartel van rijke mensen, die het recht controleren dat hen zogenaamd controleert en die geen enkele aantasting van hun bevoorrechte status kunnen dulden" (p. 206). Gaat dit om China of de Verenigde Staten? Uiteraard schrijft Scruton niet zo kritisch over de VS. Maar dit beschrijft redelijk de positie van de elite in de VS, zoals de leden van de Supreme Court of the United States (SCOTUS).
Na meer dan 200 bladzijden te hebben gelezen, ben ik het eindelijk volledig eens met Scruton, hij schrijft: "Achter de EU, altijd aandringend op de uitbreiding en hopend de wetgevende bevoegdheden van de Unie te kunnen gebruiken om de markt in hun voordeel te beïnvloeden, staan de grote bedrijven Europa, Japan, China en Amerika - en in het bijzonder de supermarktketens, de fastfoodfranchisers, de farmaceutische ondernemingen, de autofabrikanten, de leveranciers van mondiale goederen en mondiaal amusement, die de hele wereld eender willen maken om verzekerd te zijn van een 'gelijk speelveld' dat een maximale klandizie voor hun goederen oplevert" (p. 223). Het sentiment dat in dit stuk heerst, lijkt verdomd veel op een groep mensen die ook kritisch zijn op grote bedrijven, en waar Scruton een hekel aan heeft: linkse mensen. Bovendien ben ik het eens met het volgende: "Europa werd inderdaad zelfvoorzienend, grotendeels door toedoen van wereldwijde (hoewel naar alle waarschijnlijkheid niet duurzame) veranderingen in de landbouwmethoden; maar het eerste slachtoffer hiervan was de kleine boer, die meer werd benadeeld dan geholpen door het GLB [Gemeenschappelijke Landbouwbeleid van de Europese Unie]" (p. 244).
Scruton benadrukt keer op keer dat eigendomsrecht het belangrijkste element is om natuurbehoud te realiseren; de staat zou zich alleen hiermee moeten bemoeien. Echter schrijft hij ook het volgende: "Er kwam een gerechtelijk verbod op verkaveling en uiteindelijk nam het parlement een wet aan - de Epping Forest Act van 1878 - die het bos sindsdien als gemeenschapsgrond heeft beschermd" (p. 232). Bovendien spreekt een groot gedeelte van hoofdstuk 10 tegen dat staatsingrepen slecht zijn, als Scruton het volgende triomfantelijk schrijft: "Wie het Engeland van nu met Nederland of België vergelijkt, beseft ten volle welke ecologische voordelen de wet van 1945 heeft opgeleverd" (p. 238). Als we Scruton mogen geloven, is de VK (met haar vele burgerinitiatieven) een utopie - dit is uiteraard niet waar. Ook spreekt Scruton zichzelf tegen over de Franse Revolutie: "Intussen was stadsplanning een belangrijk punt van publieke aandacht geworden, deels als gevolg van invloeden uit het Frankrijk van na de revolutie" (p. 237).
Scruton bewijst dat conservatieve mensen last hebben van excessieve bekrompenheid; als er iets nieuws is zijn conservatieven direct tegen. Als het nieuwe wordt uitgevoerd en succesvol blijkt te zijn, kunnen ze er achteraf wel tevreden naar kijken: "De spoorweg kwam er uiteindelijk toch en vormt vandaag de dag een monument van victoriaanse techniek en architectonisch kunnen" (p. 234).
Scruton maakt een uiterst bizarre vergelijking tussen windmolens en communisme: "De turbines doen denken aan Lenins definitie van het communisme als 'sovjetmacht plus elektrificatie'" (p. 265). Deze opmerking heeft twee mogelijke verklaringen: (1) Scruton is hallucinant; (2) ik ben niet intelligent genoeg om deze analyse te begrijpen. De waarheid ligt vaak ergens in het midden. Bovendien laat dit weer Scrutons haat over het communisme zien; dingen waar Scruton het mee oneens is, zijn communistisch.