De een zal dit een vol boek noemen, de ander een rijk boek. Een verhaal dat je meeneemt en speelt met je verwachtingen en ineens een mes in je hart plant. Je zit helemaal in het hoofd van Cato Goudschenker en voelt haar onmacht, haar ergernis over zichzelf om een stap te zetten. Doe iets! maant het eiland haar. De literaire stijl is om te zoenen zonder dat het gewilde/gezochte zinnen zijn die in de weg zitten (had ik nogal last van bij Paul Claudel) Ik bleef nadenken over Cato, haar kinderen, haar gedachten, wat ze zoekt, kwijt is. Haar discussie in haar nachtelijke drankroes met grote denkers is supergeestig en scherp. En die brief! Een monumentale maar persoonlijke roman.
Ze leeft zoals dat gaat als je achttien bent, wanneer de ochtend nog een vraag is en geen in je gezicht dicht gesmeten deur.
Hij is een buitenwijk waar ’s avonds niemand over straat loopt.
De post was verantwoordelijk voor het niet uit elkaar vallen van de mensheid.
Voor de een vlogen de jaren voorbij en voor de ander kropen ze om, dagen van plakband.
Je hebt mensen die kinderen krijgen alsof ze boodschappen gaan doen en je hebt mensen die zelf altijd kinderen blijven, dat zijn aanstekelijke mensen want als je die vroeg: wat is je favoriete dinosaurus, wisten ze meteen antwoord. Alsof het leven voor hen niet bestond uit belastingaangiften en inparkeren, ruzie met de buren of bezoekjes aan kennissen waarvan ze de achternaam verhaspelden.
In het midden van het plein staat, zoals altijd, in elke stad, een vrijheidsmonument. Het eeuwenoude verhaal. Je wordt belegerd, veroverd, je geeft op en dan kom je in opstand. Zo gaat het in het groot, zo gaat het in het klein. Cato was ook in opstand gekomen, tegen zichzelf.
Ik kreeg tijdens het lezen ook enorme zin om in opstand te komen. Lees dit boek.