In weinig andere sporten ligt het gevaar zo op de loer als in het in de schaduw van elk peloton fietsen het ongeluk en de dood mee. De lijst met renners die tijdens een wedstrijd om het leven kwamen is lang. In De Zwarte Trui zoekt Flip van Doorn aan de hand van acht beruchte sterfgevallen in de recente wielergeschiedenis naar een antwoord op de vraag waarom de koers nog altijd voor helemaal niemand stopt. En wat is toch de onweerstaanbare aantrekkingskracht van het wielrennen?
Ik weet niet zo goed wat ik van het boek vinden moet. Het leest lekker vlot, dat is een pré en de verhalen van de jammerlijk verongelukte renners zijn prachtig opgeschreven aan de hand van de laatste kilometers die ze maakten. Tegelijk is er ook enige achtergrondinformatie per renner.
Toch krijg ik af en toe het idee dat de schrijver niet voldoende informatie kon vinden over de renner in kwestie en dan het verhaal aanvult met eigen ervaringen die niet altijd direct iets met het verhaal te maken hebben. Het laatste hoofdstuk over Gino Mäder gaat over in een soort samenvatting, dat vind ik echt jammer. Een apart hoofdstuk daarvoor had niet misstaan.
Filip van Doorn vertelt het verhaal van acht verschillende verongelukte renners in acht opeenvolgende decennia. Hij fietst ook de routes die zij fietsen zoals op de plaatsen waar Wouter Weylandt en Gino Mäder verongelukten.
Het verhaal wordt verteld met veel achtergrondinformatie zoals zijn eigen verleden. Tegelijk maken we een beetje een reis naar deze plekken. Van grauwe achterbuurten waar geen monument staat tot op de Mont Ventoux.
Mijn interesse is gewekt om nog meer boeken van Flip van Doorn te lezen.