Dit handboek, neen: dit naslagwerk, neen: dit litterair-historische verhaal biedt een geheel nieuwe benadering van de ontwikkeling van de Nederlandse poëzie vanaf de beweging van Tachtig. Ondanks een aanloop van ruim 150 pagina’s over deze beweging, vangt deze geschiedenis bij Dorleijn en Van den Akker aan rond 1900, als de autonomie-opvatting van Tachtig (allerindividueelste expressie etc.) eigenlijk in alle uithoeken van de Nederlandse poëzie geland is en min of meer aanvaard wordt. Wat volgt is een tour de force. De geschiedenis van de poëzie beschrijven de auteurs vanuit de feiten, op basis van wat er aan poëzie tussen 1900 en 1940 verscheen en hoe er destijds (contemporain) op werd gereflecteerd. Daardoor komt de geijkte opsomming van zg. generaties op losse schroeven te staan (80-90-1910-1916-etc.) Wat verscheen er, wat was de hiërarchie, wie schreef wat over wie en wat had dat voor invloed op het litteraire discours. Deze aanpak levert een avontuurlijk boek op: bij deze neerlandicus begon de vast grond onder de voeten regelmatig danig te schuiven. Dit 1250 pagina’s tellende boek is een aangename reis door het begin van de poëtische 20ste eeuw.
Ik heb slechts een paar bezwaren: af en toe sluipen er anachronismen in de beschrijvingen en ook in de aanpak. Er zijn een paar hoofdstukken waarin modieuze termen uit het eerste kwart van de 21ste eeuw gebruikt worden om helderheid te scheppen over zaken die honderd jaar daarvoor speelden. Dat maakt op mij een nogal potsierlijke en ahistorische indruk. Dat geldt ook voor een blik die je na-oorlogs zou kunnen noemen op in ieder geval een gedicht van H. Marsman, Nachttrein. Het is niet de vraag of de schrijvers dit gedicht nú anti-semitisch vinden, maar of het dat was, of zo bedoeld was. Quod non, denk ik. Ik lees het er in ieder geval niet in. Zo’n heftig scheldwoord moet je alleen gebruiken als Joden en het jodendom als absoluut inferieur worden voorgesteld. Ook hier wreekt zich de anachronistische blik. De hoofdstukken 33-35 leiden aan dit euvel en hadden beter niet of in ieder geval in een andere vorm opgenomen kunnen worden.
Een nadeel van de empirische aanpak is, ten slotte, dat er nogal wat aandacht uitgaat naar poëzie die niet zoveel om de hakken heeft, maar die omwille van het toenmalige gesprek en het toenmalige belang dat eraan deze poëzie en haar dichters gehecht werd toch veel ruimte krijgt. Daardoor gaan wel heel veel pagina’s over Boutens, Henriette Roland Holst, Albert Verweij en P.N. Van Eyck, dichters die heden ten dagen toch op zijn best tot de tweede garnituur gerekend worden.
Ondanks deze bezwaren: een prachtige litteratuurgeschiedenis.