De secretarissen-generaal tijdens de Tweede Wereldoorlog Mei 1940. Nog voor het Nederlandse leger zich overgeeft, stappen alle ministers op een torpedobootjager richting Engeland. Op de valreep overhandigen ze de sleutels van het land aan de hoogste ambtenaren van de tien departementen: de secretarissen-generaal. ‘Pas goed op het land en als het te gortig wordt moet je aftreden,’ luidt hun laatste instructie.
Schoorvoetend meewerken met de bezetter Wat doen de tien topambtenaren vervolgens? Hoe reageren ze op de eerste fases van de Jodenvervolging, op het inperken van de rechtsstaat? Schoorvoetend kiezen ze voor meewerken. Loyaliteit zit zo diep in het ambtelijk DNA dat reflectie weinig kans krijgt. Dóórgaan is de regel. Om het Nederlandse overheidsapparaat te beschermen, de werkgelegenheid, de voedselvoorziening. En vooral: om de NSB de wind uit de zeilen te nemen.
In De tien van Den Haag zitten we bij de mannen aan de vergadertafel. We volgen hun privégesprekken en leven mee met hun meest persoonlijke worstelingen. Stap voor stap laten ze zich door de bezetter het moeras in lokken. De druk is groot: slechts drie secretarissen-generaal blijven de hele bezettingsperiode aan. Als de regering in mei 1945 terugkeert, is de balans al opgemaakt. De blijvers moeten weg, de anderen kunnen terugkeren op hun post. Maar is dat wel terecht?
Stephan Steinmetz (born 1956) is an author and former journalist, administrator, and civil servant. From 1990 to 1998, he was chairman of the Amsterdam district of Zeeburg. His publications include Schiphol. Biografie van een luchthaven (2020), De wieg (2017), Asterdorp. Een Amsterdamse geschiedenis van verheffing en vernedering (2016) and De brievenbus van mevrouw De Vries (2013).
'Vanzelfsprekend blijven de principiële bezwaren onveranderd bestaan.'
Soms komt het wel erg dichtbij. Geografisch, maar ook qua amateurisme en opportunisme in tijden van (grote) crisis. In dat kader had ik nog iets meer willen lezen over de rol van de 'regering' in Londen.
Wat een boek! De Tien van den Haag gaat over de ambtelijke leiding van de ministeries die de leiding kregen over Nederland toen de ministers vrij halsoverkop naar Engeland vertrokken. Het is ontzettend knap geschreven.
Stephan Steinmetz schrijft zelf: 'Achteraf hebben we een beter zicht. Wij weten nu namelijk precies wat de secretaris sen-generaal wisten en konden weten. Door het diafragma zo ver dicht te draaien dat we hún perspectief innemen, kunnen we met hen oplopen'
En zo voelt het ook echt, spannend, beklemmend, maar ook ontzettend alledaags. Het meeste indruk maakte het feit dat bij de eerste anti-Joodse maatregel (geen nieuwe rijksambtenaren en geen bevordering van bestaande) de vraag opkwam of dit discriminatie was. Het antwoord: ja, en dus in strijd met de Grondwet. Toen ambtenaren dit aankaartten, stelden de nazi’s het artikel met een beroep op oorlogsrecht buiten werking, zodat ambtenaren alsnog konden meewerken. Zes maanden later, toen Joden parken niet meer mochten betreden, ging het debat niet meer over het principe maar over de definitie: wat is een park eigenlijk – al het openbare groen of alleen terreinen van een bepaalde omvang? De normalisatie van wat niet normaal is.
Ook vragen over goed en fout worden genuanceerd en met wijsheid behandeld. Is het beter om te zorgen dat Nederland te eten houdt (de veestapel werd zeer drastisch gereduceerd om ruimte te maken voor voedselproductie voor mensen) of om weg te gaan uit principe? Wat uiteindelijk niemand deed. En hoe moet je kijken naar het harde oordeel van het verzet, terwijl de aanwijzing van de regering luidde 'blijf op uw post?'.
Steinmetz houdt in alles de nuance, maar schroomt niet een conclusie te trekken. Waar de inclusiviteit en de kroonjuwelen van de rechtstaat in het geding zijn heb je een grens te trekken. Principes en pragmatisme, niet tegen de hitte van de keuken kunnen en verantwoordelijkheid nemen kan tegen deze lat worden gelegd.
Redenen die Steinmetz ziet in het DNA van de ambtenaar zijn loyaliteit, niet kijken naar wat maar naar hoe en vooruitdenken om efficiënt te zijn (zoals met de creatie van het bevolkingsregister).
Overigens is die een echt voorbeeld van de 'banality of evil' - met edelruiters en oproepkaarten werd de holocaust gefaciliteerd.
Het boek houdt me, net als het boek over Goed en Kwaad van Christien Brinkgreve me nog vaak bezig en hoort daarmee tot de beste die ik dit jaar las.
De tien van Den Haag speelt in de Tweede Wereldoorlog, maar is onthutsend actueel. Waar ligt de grens tussen meebewegen en een grens stellen wanneer de rechtstaat stukje voor stukje wordt afgebroken? Hoe is de afweging tussen principiële waarden hooghouden en de consequentie van aftreden, namelijk dat een ander het overneemt die het slecht (of zelfs niet) met de rechtstaat voorheeft? We zien dat de hoofdpersonen, de hoogste Haagse ambtenaren van destijds, zich verliezen in praktische en technische uitwerkingen en procedurele aangelegenheden tot ze (ver) buiten de Grondwet zijn gekomen. Stapje voor stapje. Achteraf is het onbegrijpelijk hoe het zover kwam, maar ik vraag me na het lezen van dit boek sterker af: hoe kijken we (of bijvoorbeeld ambtenaren nu in de VS) later aan tegen de stappen die we op dit moment wel of juist niet zetten? Het verhaal geeft te denken over keuzes die je (noodgedwongen) maakt zonder dat je weet wat zal volgen. Keuzes waarvoor de tien van Den Haag zich gesteld zagen. Een must-read en nuttige verwijsbron voor ambtenaren, politici en anderen die het huidige knagen aan onze liberale democratie met argusogen aanschouwen. En een waarschuwing voor degenen die het niet zien, meebewegen en/of er praktisch tegenaan kijken. Er is een grens!
Een erg informatieintensief maar goed leesbaar boek over een onderdeel van de oorlog waar ik eigenlijk nog nooit over had nagedacht. Geen idee hoe de overheid functioneerde tijdens de bezetting en of daar eigenlijk wel Nederlanders bij betrokken waren. Nou, volop dus, het overgrote deel van de ambtenaren bleef in functie (cruciale posten werden gedurende de oorlogsjaren vervangen). Dit boek concentreert zich op de 10 SG’s maar de rol van vele andere ambtenaren komt ook aan bod. Wat ik heel knap vind is dat de auteur erin is geslaagd om je als lezer een duidelijk beeld te geven van de informatie die bij de ambtenaren op dat moment bekend was en hoe ze op basis daarvan keuzes hebben gemaakt. Je weet dat dit niet altijd de juiste keuzes geweest zijn maar de auteur onthoudt zich van kritiek of reflectie. Dat doet hij pas in het laatste hoofdstuk en daarmee voorziet hij de door hem beschreven geschiedenis van de noodzakelijke lading.
Pppffffff!!!!! Dit was zeer zeer boeiend om te lezen, vooral als ambtenaar zijnde in de afgelopen jaren waarbij het zo zo duidelijk is geworden dat onze overheid nul morele waarden en normen heeft. Dit boek bewijst maar weer dat het altijd zo geweest is. Heb echt nieuwe inzichten gekregen ook want ja hoe werkt een overheid nou tijdens een bezetting? Nou de ministers vluchten bij eerste de beste mogelijkheid en de SG’s schrijven af en toe een hele super boze brief om te laten ze dat ze het er echt niet mee eens zijn hoor!! Maar zullen daarna gewoon al het nazibeleid lekker uitvoeren🥰🥰🥰
“Door het diafragma zo ver dicht te draaien dat we hún perspectief innemen, kunnen we met hen oplopen. We kunnen instemmend knikken of juist afkeurend brommen bij hun keuzen, niet gehinderd door achterafkennis, maar wel met een scherp zicht op de setting waarin zij moest opereren.”
Beklemmend boek dat de stappen volgt van de tien secretarissen-generaal die in 1940 het landsbestuur in handen krijgen. Het geeft nauwgezette informatie, duidt en contextualiseert deze en geeft tegelijkertijd ruimte voor eigen reflectie. Ik heb ook veel geleerd over het verloop van de oorlog, vaak minder lichtkomisch dan dit: een van de eerste 'no brainer'-maatregelen tegen voedseltekorten was het inkrimpen van de veestapel.
Vrij feitelijk opgetekend verhaal van tien secretarissen generaal die na de bezetting en het vertrek van de regering en koningin achterbleven in Den Haag om de staat Nederland zo goed mogelijk in bezettingstijd te begeleiden. Het dilemma tekent zich direct af: ben je principieel en gooi je al snel de handdoek in de ring of ga je opportunistisch en pragmatisch te werk en probeer je zoveel mogelijk het belang van de Nederlandse burger te dienen. De schrijver laat alleen de mogelijkheden zien zonder met de vinger te wijzen. Het nodigt de lezer ontegenzeggelijk uit om hierover na te denken.
heel goed en interessant: boek maakt duidelijk hoe de Duitse en het nederlandse gezag bestuurlijk in elkaar greep; en ook hoezeer de tien erop bedacht waren om de NSB buiten de deur te houden. Over de glidende schaal moet ik nog eens nadenken.
Op momenten moelijk te volgen vanwege de hoeveelheid namen en functies. Het vrije droge en feitelijke verslag van gebeurtenissen en overwegingen komt echt tot leven wanneer de schrijver de balans opmaakt en uiteenzet welke factoren ertoe hebben geleid 'dat tien democratisch ingestelde, intelligente en de grondwet eerbiedigende mannen over de schreef gingen.' De moeite van het lezen waard.
Tien topambtenaren nemen noodgedwongen de posities van de ministers over en moeten ons land besturen. Nee, dit gaat niet over onze huidige premier en ex-topambtenaar Dick Schoof. Dit gaat over de tien topambtenaren die ons land bestuurden op het moment dat Nederland zich overgaf aan Duitsland in 1940. De tien van Den Haag is een indrukwekkende historische non-fictie met relevantie voor het heden gezien het feit dat onze minister-president ook topambtenaar is geweest.
Stephan Steinmetz (1956) is auteur en hij was journalist, bestuurder en ambtenaar. Van 1990 tot 1998 was hij voorzitter van het Amsterdamse stadsdeel Zeeburg. Van zijn hand verschenen onder andere Schiphol. Biografie van een luchthaven (2020), De wieg (2017), Asterdorp. Een Amsterdamse geschiedenis van verheffing en vernedering (2016) en De brievenbus van mevrouw De Vries (2013).
Steinmetz schrijft in zijn dankwoord dat hij vijf jaar onderzoek heeft gedaan voor zijn meest recente boek De tien van Den Haag. Dat is bij het openslaan van het boek direct te merken door de aanwezigheid van voetnoten in de tekst. Steinmetz put voor zijn verhaal informatie uit nieuwsberichten, overheidsarchieven, verslagen en literatuur. Ook heeft de auteur nabestaanden van de topambtenaren gesproken die het land bestuurden nadat de ministers waren vertrokken in 1940.
Ja, zo is het echt gegaan. Het verhaal is chronologisch opgebouwd en begint in 1940 op het moment dat de Duitse dreiging tot escalatie heeft geleid. Steinmetz omschrijft de chaos over de mogelijke oorlog die Nederland moet voeren en de gebrekkige weerstand die Nederland kan bieden. Nadat Nederland capituleert verdwijnt de regering – de ministers en ook de koningin – naar Engeland. Wat overblijft: de hoogste ambtenaren van de tien departementen, de secretarissen-generaal. ‘Pas goed op het land en als het te gortig wordt moet je aftreden’, luidt hun laatste instructie. De Eerste en Tweede Kamer komen hierna ook niet meer bijeen.
Er ontvouwt zich een uitermate interessant verhaal. De ambtenaren krijgen elk te maken met hun eigen dilemma’s, zeker als de Duitse bezetter de eerste fase van de Jodenvervolging inzet. Dat begint met de registratie van de Joden in Nederland. De ambtenaren benadrukken dat er geen Joden-probleem in Nederland is, maar stemmen toch in met de registratie ervan.
Naarmate het verhaal vordert voert de Duitse bezetter de druk op en worden de dilemma’s voor de ambtenaren groter. De afweging van de ambtenaar is als volgt: meewerken met de Duitsers – maar de processen vertragen – of opstappen. Dat eerste kan door definities te betwisten. Bijvoorbeeld: wanneer is iemand Joods? Er kan pas iets uitgevoerd worden als dat helemaal duidelijk is. Maar: uitstel betekent geen afstel. De andere optie is opstappen, maar in dat geval komt er een pro-NSB vervanger op jouw ministerie. Is dat wenselijk? De ambtenaren kiezen er in ieder geval niet voor om omstreden wetten te ondertekenen. Het spel dat de ambtenaren samen met al hun medewerkers en de lokale overheden spelen, om de Duitse bezetter dwars te zitten, is buitengewoon goed beschreven. Als lezer begrijp je de overwegingen van de ambtenaren en ontwikkel je een eigen visie en vraag je jezelf regelmatig af: wat zou ik doen? In het verhaal komen voorbeelden aan bod waardoor de levens van honderden Joden gespaard zijn gebleven, maar ook juist beslissingen waardoor Joden om het leven zijn gekomen, zonder de ambtenaren hiervoor te veroordelen.
De rol van een ambtenaar als vervangend minister is daarnaast ook boeiend en relevant in deze tijd aangezien wij nu ook een minister-president hebben die een topambtenaar is geweest. Wat opvalt is dat ambtenaren goed zijn in het uitvoeren van beleid. In het boek haalt Steinmetz het voorbeeld aan van de voedselzekerheid. De ambtenaren willen voorkomen dat er een voedseltekort komt, want door de oorlog kan er flink minder voer voor de veestapel en eten geïmporteerd worden. De ambtenaren dokteren een plan uit: de veestapel moet fors krimpen en er moeten veel meer groenten worden verbouwd om voedselzekerheid te garanderen. Op dit gebied opereren de ambtenaren volledig autonoom. Ze bedenken een technocratisch plan en voeren het uit. En het werkt. Alleen in het laatste jaar van de oorlog is er een voedseltekort, maar dat heeft niks te maken met de voedselproductie. Dat komt doordat het vervoer van voedsel binnen Nederland onmogelijk werd gemaakt. Interessant is om tijdens het lezen van De tien van Den Haag parallellen te trekken met onze huidige minister-president.
Welke ambtenaren blijven zitten tot het einde van de oorlog? En hoe loopt het af met de ambtenaren die zijn blijven zitten, aangezien zij met de Duitse vijand hebben meegewerkt aan de deportatie van de Joden. Is hun iets te verwijten? Allemaal komt het uitvoerig aan bod in dit prachtige boek. De tien van Den Haag krijgt van mij 5 sterren.
Met dank aan Uitgeverij Boom voor dit recensie-exemplaar in ruil voor een eerlijke recensie.
Blog n.a.v. ‘De tien van Den Haag’ van Stephan Steinmetz Topambtenaren tijdens de bezetting, luidt de ondertitel – een fascinerend boek over de tien topambtenaren die het Nederlands bestuur vormden, toen de regering naar Londen was vertrokken. Het is het ambtelijk-bestuurlijke verhaal a la de Joodse Raad: (gedwongen) meebewegen met de Duitsers, in de uitvoering proberen te redden wat er te redden valt. Stephan Steinmetz doet verslag van de activiteiten van de tien secretarissen-generaal, en volgt hun stappen op de voet. Hij velt een kritisch oordeel, met name omdat ze door bleven gaan, nadat de Duitsers bevolen hadden geen Joden meer te benoemen als ambtenaar. Verder laat hij vooral zien wat ze deden, en waarom – zowel individueel als collectief. Een fascinerend geschiedenisverhaal, wat mij betreft. Wat mij opviel tijdens het lezen: “De regering was vertrokken naar Londen, de Tweede Kamer opgeheven, en deze tien ambtenaren waren plots het hoogste Nederlandse gezag geworden. Onder hun leiding heeft het overgrote deel van de ambtenaren meegewerkt met de bezetter.” “Snouck Hurgronje had de contouren van de machtsoverdracht scherp voor ogen: opperbevelhebber Winkelman krijgt naast het militair ook het burgerlijk gezag en onder zijn eindverantwoordelijkheid nemen de secretarissen-generaal de leiding van het bestuurlijk apparaat op zich. Steenberghe en Van Rhijn konden zich hierin vinden en ook Hirschfeld knikte instemmend.” “Verbreking der continuïteit, met een ander woord wanorde, dat was voor de Haagse topambtenaren het allerergste denkbaar. (…) Deze prioriteit deelden zij met de leiding van het bezettingsleger. Hun tweede zorg betrof het zeker stellen van hun machtspositie.” “De stemming onder de secretarissen-generaal was positief: we komen er wel uit met die Duitse generaals.” “Dit tiental, zonder enige Duitse bemoeienis samengesteld had de leiding van de Nederlandse staat in handen. Van 13 mei tot 29 mei 1940 formeel onder het gezag van Winkelman, vanaf 29 mei direct ondergeschikt aan de bezettingsmacht.” “De eerste geluiden van het Duitse burgerlijk bestuur waren in overeenstemming met de terughoudende, ja zelfs fatsoenlijk geachte opstelling van het Duitse leger. De plannen die de bezetter openbaarde, wezen in de richting van orde, rust en continuïteit.” “Op 6 juni marcheerde een heel detachement Duitse ambtenaren het Haagse bestuurscentrum binnen. (…) Naast deze vier rechterhanden van Seyss-Inquart werden in alle provincies en de vier grote steden toezichthouders neergezet. (…) Behalve met het controleren van de ambtenaren waren ze uitvoerend bezig met de eigen, vier punten tellende Duitse agenda: het nazificeren van Nederland, het verwerven van arbeidskrachten, het roven vangrondstoffen en het in kaart brengen, isoleren, transporteren en uiteindelijk ‘oplossen van het Jodenvraagstuk’. Deze agenda was als verzameling beleidsdoelen geheim, de uitwerking ervan sijpelde traag doch helder door.” “Om zijn greep op het apparaat te vergroten legde Seyss-Inquart de Nederlandse topambtenaren een schriftelijke verklaring voor. (…) “Ik verklaar onder ede dat ik (…) de verordeningen en andere bepalingen van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied en van de hem onder geschikte Duitse organen nauwgezet zal nakomen en mij zal onthouden van elke handeling gericht tegen het Duitse rijk of de Duitse weermacht.” “De staatskas werd langzaam leeggetrokken. In de zomer legden de Duitsers een rekening van 155 miljoen gulden neer bij Trip. ‘Bezettingskosten’ stond op het bonnetje. Trip en collega’s reageerden op een wijze die ze vaker zouden laten zien: eerst luid protest aantekenen tegen de hoofdzaak, vervolgens sputterend akkoord gaan, maar tegelijk heel veel disputen opstarten over details in de uitvoering.” “Uiteindelijk is er gedurende de bezetting 200.000 hectare grasland omgezet in akkerbouwland voor gewassen die mensen nuttigen. (…) Totdat eind 1944 het vervoer en daarmee de verdeling van het geproduceerde voedsel een probleem werd, hadden alle Nederlanders voldoende te eten.” “Ze konden hun vooroorlogse reflexen niet loslaten: het draaide nog steeds om stabiliteit en orde.” “Onder de secretarissen-generaal groeide deze zomer een zekere gewenning aan de nieuwe verhoudingen. Voorzichtig manoeuvreren, luidde het devies. Incidenten klein houden en apart zetten. Vooral niet provoceren of escaleren. Als ze op deze weg voort zouden kunnen gaan, leek de schade overkomelijk.” “Wimmer verlangde een opgave van ‘alle ambtenaren die geheel of gedeeltelijk Joden zijn’. (…) De handigste manier om deze lijst te verkrijgen, zo besloten de secretarissen-generaal een paar dagen later, was het voorleggen van een formulier aan alle ambtenaren waarop eenieder moest aangeven wel of niet (gedeeltelijk) Joods te zijn. Deze zogenaamde ariërverklaring werd als een formaliteit beschouwd, zowel door de secretarissen-generaal als door de 224.000 ambtenaren.” “Het massale karakter van de medewerking aan de ariërverklaring was vooral een demonstratie van de destijds allesoverheersende gehoorzaamheid. (…) De gewenning om het gezag te leveren wat het gezag vroeg, zat zo diep dat de gedachte aan weigeren niet eens opkwam bij de meeste mensen.” “De secretarissen-generaal werden dit najaar overstelpt met beleidsmaatregelen rond Joden. De strategie achter hun reactie was niet veranderd sinds de zomer: klein houden, niet provoceren, hopen dat absorptie van de maatregelen de Duitse honger zou bevredigen. Alles omwille van orde en rust, van het vermijden van een ‘verbreking der continuïteit’.” “De beslissingen van de secretarissen-generaal om mee te werken aan de invoering van de anti-Joodse maatregelen riepen slechts lichte weerstand op in de samenleving. Enkele juristen mopperden en het enige luide protest kwam van de kerken, preciezer gezegd van de gereformeerde, hervormde en doopsgezinde kerken.” “De bezetting leunde op materiele motieven, zo meenden de topambtenaren. De Duitsers wilden meer grond en meer macht en wilden de Engelsen bestrijden. Het verloop van de Eerste Wereldoorlog bepaalde het perspectief van de topambtenaren: een echte oorlog ging om macht, grondstoffen en land, niet om ideologie. De nazileer met zijn staatsgestuurde antisemitisme was bijzaak, hooguit een lokale tic. En zo werd de anti-Joodse agenda van de bezetter afgedaan als een typisch Duitse onhebbelijkheid.” “De basishouding van de secretarissen-generaal: accepteer de huidige machtsverhouding en maak er het beste van. (…) Het kabinet had geen oog voor hun worstelingen.” “Seyss-Inquart had een bredere blik: de secretarissen-generaal hadden de eerste twaalf maanden van de bezetting nut gehad, veel nut zelfs, maar nu konden ze aan de kant. (…) Hij schatte de actuele waarde van de meeste vooroorlogse secretarissen-generaal laag in. Op twee uitzonderingen na: Hirschfeld bleef nodig om de industrie te laten draaien en Frederiks om de burgemeesters gehoorzaam te houden.” “Alles wat met maatregelen rond Joden te maken had, inclusief het woord Joden zelf, verdween van de vergadertafel van het College van Secretarissen-Generaal, verdween van de agenda, verdween uit de notulen. (…) het lot van de Joden stond bij de secretarissen-generaal nimmer boven aan hun eigen agenda.” “Wat er met de Joden gebeurde, was in de ogen van de secretarissen-generaal triest, maar een onvermijdelijke bijzaak en bovenal buiten hun bereik.” “De daden van het gewapend verzet verergerden in Hirschfeld’s ogen de situatie. Het nut van aanslagen ontging hem en de verheerlijking ervan stuitte hem tegen de borst. Het waren niet zozeer formele redenen die hem dwarszaten, hij vond het vooral contraproductief cowboygedrag.” “De gang van 227.000 werklozen naar Duitsland in de periode van juni 1940 tot maart 1942 stuitte niet op discussie bij de secretarissen-generaal. Integendeel.” “Het College van Secretarissen-Generaal verdween van het vergadertoneel. Hirschfeld en Frederiks hadden er genoeg van om nog langer met de NSB-collega’s te overleggen. Het ging nergens meer over en bovendien: het was intussen ieder voor zich geworden.” Zomer 1945 “Hirschfeld en Frederiks werden op non-actief gesteld in het kader van de zuivering van de ambtelijke top. (…) De overige secretarissen-generaal werden bij voorbaat buiten elke discussie over de zuivering gehouden. Scholten, Ringeling, Van Poelje, Snouck Hurgronje, Trip, Tenkink en Spitzen waren tijdens de bezetting gestopt en dus ‘goed’. Bij hun functioneren zijn nooit vraagtekens geplaats. Integendeel, het voortijdig verlaten van de werkplek verdiende alle lof. Waarom ze waren opgestapt of ontslagen deed niet ter zake. Op de keper beschouwd was Ringeling de enige secretaris-generaal die zich tegen de bezetter had gekeerd. (…) Geen enkele secretaris-generaal is opgestapt vanwege de evident ongrondwettelijke discriminatie en deportatie van de Joden, niemand zag in het massaal doden van Joodse ‘gijzelaars’ in Mauthausen reden voor vertrek, geen topambtenaar gooide de handdoek in de ring vanwege het als dwangarbeiders afvoeren van ruim een half miljoen mannen. De rode lijnen lagen allemaal in de persoonlijke sfeer.” “Frederiks bleef wrokkig. Buiten Den haag werd zijn inzet gedurende de bezetting wel gewaardeerd. (…) En de Joden die dankzij de Barneveldlijst de oorlog hadden overleefd, waren hem eeuwig dankbaar, al zat bij deze mensen diepe schaamte een publiek dankbetoon in de weg.” “Het ging mis, zoveel is zeker. Het Nederlandse staatsapparaat heeft effectief meegewerkt aan de isolatie en deportatie van Joden en daarna ook aan de jacht op mannen voor dwangarbeid. Het zijn deze twee hoofdzonden die ook destijds helder in beeld waren.” “In de kern draait het om de grondwet: bewaken de eindverantwoordelijken de kroonjuwelen van de rechtsstaat? (…) Het getuigt van verantwoordelijkheidsgevoel en plichtsbesef dat de tien ja zeiden tegen rijkscommissaris Seyss-Inquart als hoogste gezag. Omdat ze bedongen dat ze af mochten treden wanneer ze de als niet dragen konden, hoefden ze niet te vrezen gedwongen te worden tot handelingen die tegen het belang van het land en zijn inwoners ingingen. (…) Echt mis ging het op 30 augustus 1940, toen de acht overgebleven secretarissen-generaal het Duitse gebod accepteerden om geen Joden meer te benoemen tot ambtenaar.” “Nadat ze in het najaar van 1940 hadden verzaakt de grondwet te eerbiedigen, stopten de secretarissen-generaal met het nadenken over de rechtsstatelijkheid van opdrachten van de bezetter. Keer op keer stortten ze zich op praktische zaken rond de uitvoering.” “Buiten deze typisch ambtelijke reflexen had ook Duitse misleiding veel invloed op de gebrekkige navigatie van de secretarissen-generaal.”
On Responsibility, Intention, and Moral Erosion in “De Tien van Den Haag”
What particularly intrigued me about Stephan Steinmetz’s ‘De Tien van Den Haag’ was not so much what the top civil servants did, but how they operated. Ten secretaries-general who, cut off from democratic oversight and public visibility, tried to keep the country running in an increasingly smaller administrative bubble. They made decisions with enormous societal impact, while the majority of Dutch citizens barely knew who they were, let alone what they were dealing with on a daily basis.
This administrative invisibility is no historical curiosity. It touches on a fundamental political-philosophical problem: what happens to responsibility when power becomes detached from recognizability and reciprocity? Hannah Arendt described how moral decay rarely begins with malevolence, but with thoughtlessness, routine, and the progressive narrowing of the moral frame of reference—what she would later characterize as the banality of evil (Arendt, 1963). Governance then becomes technique. Consultation becomes process. And responsibility evaporates into role fulfillment.
Steinmetz describes this strikingly in the chapter about the rearguard battles of 1942–1943. What began as a collective that—in their own words—“sought loopholes to maintain the status quo” for “the most normal possible continuation of daily life,” slowly transforms into a hollowed-out collaboration in which intention, courage, and mutual correction disappear (Steinmetz, 2025, p. 165). The description of meetings in which the level drops, jokes fail, conflicts are avoided, and some members withdraw into administrative triviality shows how administrative culture can implode without a single explicitly wrong decision being made.
“I did little more than administer pensions,” Six later remarks dryly—a sentence that expresses not only resignation but also moral self-reduction (Steinmetz, 2025, p. 165).
What becomes visible here is not a failure of rules or structures, but of intentionality. Who sits here for what purpose? Who still speaks on behalf of whom? And who corrects whom when power becomes uncomfortable? Arendt’s analysis makes clear that precisely in such contexts, non-thinking—the suspension of moral judgment in favor of role and procedure—can be politically explosive (Arendt, 1963).
In a strange way, I recognize something from my own daily work as a manager in this. I too sit on a management team that regularly gets the question: what are you all actually so busy with? And that question is understandable. Much of what happens in management teams takes place outside the direct view of employees. At the same time, I know how intense that decision-making can be, and how real the impact is of choices that apply to everyone.
That’s precisely why the parallel is uncomfortable. Modern organizations also have their bubbles. Consultation structures in which everyone acts rationally, but in which the connection with the workplace, with meaning, and with moral compass gradually weakens. Not because people have bad intentions, but because roles harden and responsibility becomes diffuse.
As a manager, you can wear many hats: administrator, colleague, buffer, translator, executor. Especially as a young manager, it’s sometimes a matter of figuring out which hat to wear when. ‘De Tien van Den Haag’ shows what happens when that choice is no longer made explicitly. When self-preservation, conflict avoidance, or procedural correctness win out over moral positioning.
Perhaps that’s the most important lesson from this book—even outside its historical context. Governance and management are never neutral. They are always embedded in relationships, power dynamics, and moral choices. When in doubt, it’s therefore wise to stand up for the people on your team. But at the same time: protect yourself too. Because whoever completely dissolves themselves in the role risks—as with the ten—looking back one day and finding that they mainly “administered pensions,” while the world around them was tilting.
References
Arendt, H. (1963). Eichmann in Jerusalem: A report on the banality of evil. Viking Press.
Steinmetz, S. (2025). De tien van Den Haag: Topambtenaren tijdens de bezetting (p. 165). Boom.
Stephen Steimetz beschrijft hoe 10 top ambtenaren (secretarissen-generaal) van elk departement 1, na het vertrek (de vlucht) van de regering naar Engeland, hun bestuurlijke opdracht tijdens de bezettingsjaren hebben ingevuld.
Kort samengevat was hun opdracht: "Continuïteit van het landsbestuur te bieden t.b.v alle bewoners. Wordt die bestuurlijke continuïteit volstrekt onmogelijk gemaakt door de vijand dan resteert slechts aftreden".
Het uitgangspunt van bestuurlijke continuïteit zorgde er voor, dat n.a.v. (voorgenomen) vijandelijk beleid, steeds het dilemma opdoemde tussen bestuurlijke contuniteit (het beste ervan maken) en individueel of collectief aftreden.
Toen de bezetter evident ongrondwettelijke discriminatie en deportatie van de Joden invoerde zag geen enkele secretaris-generaal dat echter als reden om de handdoek in de ring te gooien. Dit gebeurde ook niet toen bekend werd dat Joodse "gijzelaars" massaal in Mauthausen vermoord werden. Het bleef ook stil toen ruim een half miljoen mannen voor Duitse dwangarbeid werden weggevoerd. Wanneer de rode lijn tussen doorgaan of stoppen werd overschreden was dit om persoonlijke redenen.
Het is makkelijk vanuit onze huidige perspectief het belerende vingertje op te steken. De kwaliteit van dit boek is dat het dat niet doet. De auteur schenkt veel aandacht aan het perspectief van die tijd. Daardoor is het niet alleen een evenwichtig boek geworden, maar nodigt het de lezer ook uit zich te bezinnen op de schuivende panelen, zoals die zich nu ook weer voordoen.
Zorgvuldige reconstructie van de rol van de tien Nederlandse secretarissengeneraal die tijdens de Tweede Wereldoorlog en toen de ministers het land ontvlucht waren, Nederland bestuurden. Het leest spannend en interessant en ook wel ontluisterend hoe de besluitvorming gegaan is. Achteraf is het makkelijk oordelen, merkt ook Steinmetz terecht op, maar toch had er meer gedaan kunnen en moeten worden tegen de Duitse bezetting. Geeft ook een boeiend inkijkje in de ambtelijke cultuur en toen de Duitsers de Joden toegang tot parken verboden, discussieerden de secretarissengeneraals over de vraag wat een park precies is. Ook met de thematiek van moreel leiderschap en morele moed in gedachten een erg inzichtelijk boek.
Ontzettend interessant inkijkje in hoe de oorlog verliep voor de tien Secretarissen-Generaals die door de Ministers die naar Londen vertrokken werden aangesteld als het 'landsbestuur'. Zo was er toevallig één die de telefoon op nam SG, omdat de daadwerkelijke SG van zijn plek was. Of hoe het gewaardeerd werd hoe mensen hun functie opgaven, terwijl daar duidelijk NSB-ers voor terug zouden komen. Aan blijven als SG werd zeker niet in alle gevallen gewaardeerd. Bijzonder ook met de vraag die niet gesteld wordt, maar toch in je achterhoofd zit: Wat zou je zelf doen?
Tegelijkertijd soms lastig te volgen vanwege de hoge informatiedichtheid en de vele namen die voorbij komen.
Erg indrukwekkend boek over de 10 topambtenaren die het ongevraagd na het vertrek van de regering naar Londen voor het zeggen kregen. Met de kennis van toen wordt de lezer meegenomen in de afwegingen en keuzes die ze maakten tijdens de Duitse bezetting. Fascinerend en verplichte kost voor iedere (top)ambtenaar, al was het enkel om de geschiedenis te kennen. Zal me nog lang in het geheugen blijven.
Steinmetz schreef een heel goed en heel belangrijk boek. Verplichte kost, vind ik, voor iedere (Rijks)ambtenaar. De SG’s die vanaf de meidagen van 1940 aan het hoofd van de ministeriële departementen stonden, gingen al heel snel collectief de mist in. Als er een aftrad - en dat deden zij uiteindelijk vrijwel alle - was dat wegens persoonlijke motieven en niet om echt principiële redenen. Een schokkend relaas.
Een geweldig boek. In mei 1940 vlucht de regering naar Engeland en laat het land achter in de handen van de tien secretarissen-generaal van de diverse ministeries. Vijf jaar lang proberen zij zonder enige ondersteuning van de regering in Engeland en onder grote druk van de Duitse bezetter het land te besturen. Een onmogelijke taak blijkt al gauw. Wat mij betreft de winnaar van de Libris Geschiedenisprijs 2025.
Interessante studie heeft Stephan gemaakt van een onderbelicht thema. Je blijft achter met een onbestemd gevoel. Waarom is dit zo gegaan? Wat bezielde hen?
Facinerend om te lezen. Regering en koningshuis vlucht weg. Wat doe je dan als ambtenarij? Inzichtelijk uitgewerkt hoe men uiteindelijk meewerkte 'om slechter te voorkomen'.
Geweldig boek. Maakt pijnlijk inzichtelijk hoe geraffineerd het Nederlands ambtelijk apparaat heeft gefunctioneerd in de Jodenvervolging, alle geuite principiële bezwaren en soms ongetwijfeld goede bedoelingen ten spijt. De analyse in het slotwoord over de ambtelijke reflexen (loyaliteit, het hoe over het wat, en het 'être plus royaliste que le roi') is eens te meer een waarschuwing voor deze tijd waarin het politiek gezag ook telkens meer autocratische trekken begint te vertonen...