Na Matsuo Basho, die als eerste de haiku tot een volwaardig literair genre verhief, wordt Yosa Buson (1716-1784) algemeen beschouwd als de voornaamste Japanse haikudichter. In vergelijking met zijn voorganger gaf Buson de voorkeur aan wereldser, sensueler en soms ronduit ‘fantastische’ onderwerpen. Deze groots opgezette bloemlezing bevat meer dan 750 haiku’s én zijn beste prozastukken én drie van zijn kettingverzen en ten slotte ook de experimentele gedichten waarin hij uitdrukking gaf aan zijn diepste gevoelens. Al het opgenomen materiaal is uiteraard voorzien van verhelderend commentaar.
Yosa Buson or Yosa no Buson (与謝蕪村) was a Japanese poet and painter from the Edo period. Along with Matsuo Bashō and Kobayashi Issa, Buson is considered among the greatest poets of the Edo Period.
Omdat ik vorig jaar zo onthaast en uitgebreid genoten had van Verzamelde haiku’s, kon ik ook deze door Jos Vos vertaalde en becommentarieerde haiku-bundeling niet weerstaan. Temeer omdat de vertaler zelf toegeeft dat het oeuvre van Yosa Buson hem nog dierbaarder is dan dat van Matsuo Bashō.
De achttiende eeuwse Buson schrijft aardsere haiku's dan zijn zeventiende eeuwse voorganger. Toch kijkt hij op naar Bashō en verlangt hij terug naar die hoogdagen van de haikai- of hokku-poëzie. Zoals de traditie het vraagt bevatten ook veel van zijn verzen antwoorden of reacties op de klassieke Japanse en Chinese dichtkunst. En ook op het werk van Bashō.
Haiku's vind ik sowieso kleine wondertjes van observatievermogen, maar ik volg Jos Vos wel als hij beweert dat daarin Busons uitzonderlijke talent ligt. Mede dankzij de verhelderende commentaren en de duiding, opent zich net als in de Bashō-bundeling een tijd- en wereldbeeld waarin traditie en vernieuwing elkaar de hand reiken.
Anders dan bij Matsuo Bashō komen we hier verwijzingen tegen naar het kabuki-theater dat in Busons tijd populair was. Uiteraard blijven Sei Shōnagons Het hoofdkussenboek en Murasaki Shikibu's Het verhaal van Genji inspiratiebronnen, maar opvallend vaak ook het anonieme oorlogsepos De val van de Taira dat Jos Vos enkele jaren geleden vertaalde.
Yosa Buson hanteerde ook het penseel en bleek een getalenteerd schilder. Ook daar wordt weleens naar verwezen in zijn haiku's, net zoals naar demonen en naar heel gewone mensen. Want net als bij Matsuo Bashō morrelt deze dichter graag aan de grenzen tussen de zogenoemde hoge en lage cultuur.
Toch blijven de natuur en het komen en gaan van de seizoenen met elk hun eigen Japanse symbool-vocabulaire het prominentst aanwezig en het was fijn dat Jos Vos deze keer opteerde voor een niet chronologische volgorde, maar voor een thematische opdeling per jaargetijde en per symboolwoord. Het was kortom weer mondjesmaat genieten.
Wat een groot geluk dat Jos Vos ons nog regelmatig trakteert op dit soort uitgelezen selecties. Het is cherry-picking (haha) om een favoriet uit te zoeken. Het gaat met de seizoenen, het is veel maar het verveelt eigenlijk niet of nauwelijks. Er wordt geen voorkennis gevraagd maar een flinke achtergrond in de Japanse letterkunde verhoogt het leesplezier aanzienlijk. De Genji en het verhaal van Taira samen met het hoofdkussen boek (allemaal ook door vos vertaald in voorgaande jaren) vormen dan ook de perfecte compagnon/inleiding op de aardse haikai poëzie van de onvolprezen Buson. Busons reputatie is gedurende de tijd een beetje in de schaduw komen te staan van andere bekendere dichters, waaronder een van zijn grootste voorbeelden (niet perse qua stijl maar qua leven) de overbekende Bassho. Die ook goed is natuurlijk, maar Buson is wat meer van de kwinkslag en de leuke wending. Vos ordent naar seizoen en vervolgens naar openingsregel, herfstmaan, lenteregen nou ja je snapt het. Er zijn komische scenes, serieuze reflecties en diep nostalgische verlangens naar voorbije tijden. Die aware is typisch en doordrenkt de hele Japanse literatuur, gedeeltelijk uit het boeddhisme komend en gedeeltelijk uit de Chinese poëzie van o.a. Bai Juyi. Bassho doet het ook met die typische pleisterplaatsen zoals het strand in Sarashina die bekend zijn uit de literatuur van de verhalen uit Ise en de klassieke bloemlezingen. Monogatari waren voor rijke adel en de beter gestelde een manier om tijd te verdrijven maar ook een elegant spel van schermutselingen met woorden. Het is makkelijk om te vergeten dat Buson uit de achttiende Edo eeuw komt en het voor hem dus een verre wereld is waar hij over schrijft grotendeels. Nog net niet het moderne Japan maar toch een heel ander landschap dan dat van Bassho. Daarnaast was Buson een zeer verdienstelijk schilder wat zeer geslaagde combinaties oplevert die ook voor een deel afgebeeld worden. Hij schreef in officiële capaciteit iets meer dan 5000! hokku waarvan hier een kleine keur wordt gegeven. Het zijn eigenlijk een soort mini schilderijen, net als Yasunari Kawabata op een gegeven moment mini verhalen ging schrijven met heel weinig woorden. Het is die economie van woorden die soms verbluffende resultaten oplevert waarbij een gedeeltelijke kennis van niet zozeer de kanji maar vooral de klank van het Japans helpt. Ik had de dictie van de lezers uit karuta in mijn hoofd, dat zijn de Hyakkunin isshu gedichten maar het voorlezen is vergelijkbaar. Een spel ook met alliteratie, assonantie, betekenis, verborgen verwijzingen en slimme grapjes. Laten we hopen dat Vos nog lang blijft om dit soort werk af te leveren, hij graaft diep en timmert een stevig doorbouwd podium. De interpretatie is ook een kunst, waarbij hij soms vergelijkingen maakt met de bekendste interpretaties en soms afwijkt ook qua vertaling. Nou ja, ga het lekker lezen!