Breken is bouwen. 75 jaar Vijftigers vertelt voor het eerst het volledige verhaal van de literaire beweging rond Lucebert, Kouwenaar, Schierbeek, Claus en vele anderen. Hoe beroerde de Tweede Wereldoorlog hun hoofd en hart? Waar en hoe in hun werk werden ze aangeraakt door expressionisme, dada, surrealisme of andersoortige avantgarde? Hoe is het mogelijk dat de vrouwelijke Vijftigers zo onzichtbaar bleven? Ruime aandacht ook voor de Vlaamse Vijftigers, de betekenis van bladen als Podium, Merlyn en Raster en de innige band tussen Vijftigers en beeldend kunstenaars (Cobra). Nooit eerder was Vijftig zo’n compleet verhaal.
Graa Boomsma (Nieuwe Niedorp, 15 februari 1953) is een Nederlandse schrijver en dichter. Hij studeerde algemene literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In 1980 debuteerde hij als dichter in het tijdschrift Mandala. Daarna was hij vooral actief als literatuurcriticus, romanschrijver en vertaler, onder andere van de Amerikaanse schrijver James Purdy.
Van zijn romans heeft De laatste tyfoon (1992) de meeste aandacht gekregen. Het boek gaat over een dienstplichtig soldaat, die kort na de Tweede Wereldoorlog naar de politionele acties in Nederlands-Indië wordt gestuurd. Daar raakt hij betrokken bij gewelddadigheden waarvan hij nooit had gedacht dat hij ertoe in staat was.
Tegenwoordig is Boomsma docent Nederlands op het Rijnlands Lyceum Sassenheim. In zijn lessen wordt met name gefocust op de Nederlandse literatuur. Hij heeft in interviews en in zijn boek Uit de school veelvuldig kritiek geuit op de manier van lesgeven van collega's.
Ook is hij docent op de Amsterdamse Schrijversvakschool.
Hij is naast het lesgeven druk bezig met het schrijven van een nieuw boek.
'Breken is bouwen' wordt in de vitrine gezet als het volledige verhaal van de Vijftigers, na vijfenzeventig jaar eindelijk beschikbaar. De auteur kondigt in zijn inleiding aan om zes nog niet afdoend behandelde aspecten over de geruchtmakende naoorlogse Nederlandstalige dichtersgroep te onderzoeken, wat dient te resulteren in een samenhangend overzicht. Gauw blijkt dat onderzoek zich haast uitsluitend te beperken tot een onaflatende stroom aan opsommingen en citaten. Catalogus of inventaris ware wellicht een minder ongepaste omschrijving geweest.
Graa Boomsma verdient waardering voor zijn overzicht van opkomst en geschiedenis van de Vijftigers. De geschiedenis wordt omstandig verteld. Boomsma wil ook recht doen aan schrijvers en dichters van de tweede garnituur, zoals Sonja Prins en een paar Vlamingen. Wat mij nogal ergert is de gelijkstelling van ‘vernieuwend’ en ‘belangrijk’, een misverstand waar de schrijver op verschillende pagina’s het slachtoffer blijkt. Zo vindt Boomsma het tijdschrift Raster belangrijk, omdat het oog had voor vernieuwing en voor de Vijftigers. Hij schijnt niet te weten dat geen schrijver zo snel verouderd als die welke vernieuwend wil zijn. Ernstiger vindt ik zijn neiging en die van Uli Jessurun d’Oliveira om het schokkende oorlogsverleden van Lucebert te vergoelijken, te bagatelliseren, te ontkennen. Zelfs het steeds terugkerende woord ‘dwangarbeid’ voor de Arbeidsinzet waartoe ook Lucebert in de eerste helft van de jaren veertig gedwongen werd, irriteert. In de eerste plaats omdat Lucebert - Wim Hazeu meldt dit terecht in zijn biografie over Lucebert - nogal ‘meldungsfreundlicht’ was. Zijn thuissituatie zou mede hebben gemaakt dat hij zich niet verzette door te kijken of onderduiken of domweg niet melden geen opties waren. In de tweede plaats is Lucebert (met Hans Andreus) naar een aanmeldkantoor voor de Waffen-SS geweest, met de bedoeling zich bij deze vechtersbazen aan te sluiten. Dat laatste deed hij weliswaar op het laatste moment niet, in tegenstelling tot Andreus, maar echt afkerig kan hij er niet van geweest zijn. In de derde plaats maken d’Oliveira en in zijn boek ook Boomsma nogal wat werk van het relativeren van de Groot-Germaansche geestdrift en het virulente anti-semitisme van Lucebert. Wonderlijk en voor mij volkomen bizar. Daar komt bij dat Lucebert zijn tijd in Duitsland als niet al te problematisch omschrijft, tot in later verschenen boeken aan toe: hij toefde in bibliotheken en nam het tot op zeer zekere hoogte op zijn manier van. Tot slot: waarom verwijt Boomsma Kouwenaar, Elburg en Sonja Prins en anderen hun liefde voor het communisme niet, een minstens even misdadige ideologie immers als het nationaal-socialisme?