Het is door de kracht van het schrijven dat Jan Siebelink zijn vrouw Gerda in de maanden na haar overlijden nog even bij zich kan houden en hijzelf overeind blijft. Even helder en teder, met de even sensitieve als beeldende pen zoals hij die hanteert in zijn romans, ontstaat dag na dag in fragmenten het weergaloze portret van een intens leven samen. Het is een allerpersoonlijkst boek, door de lichte schrijvershand van Jan Siebelink zowel krachtig als troostrijk.
Dit boek komt hard binnen, natuurlijk omdat ik lotgenoot ben. Ik werd regelmatig heen en weer geslingerd tussen het verhaal van de schrijver en mijn eigen verhaal. De beelden flitsten over en weer. De omstandigheden zijn weliswaar verschillend, maar wat Jan Siebelink beschrijft is zó herkenbaar en ook zó confronterend dat ik eigenlijk nog steeds niet weet of ik er goed aan gedaan heb het te lezen. Maar ik heb het bijna in één keer uitgelezen. Wie weet helpt het mij (ook).
Eerlijk, rauw en liefdevol afscheid van de grote liefde, de mens die het meest nabij was. En hoe ondenkbaar een leven zonder is. Het zet aan tot nabijheid tot wie lief is, nu het nog kan.
Ontroerend en erg herkenbaar hoe Jan Siebelink de chaotische gedachten en gevoelens rondom het verlies van zijn grote liefde en echtgenote beschrijft. De taal is prachtig, poëtisch of gewoon verhalend en geeft een goed beeld van deze mooie relatie. Ondanks dat het niet chronogisch is en uit “flarden” bestaat, afwisselend herinneringen beschrijft maar ook de ervaringen tijdens de ziekte en de gevoelens na de dood, leest het makkelijk.
Diep geraakt door de manier waarop Siebelink het rouwproces na het overlijden van zijn vrouw heeft beschreven. Mooie zinnen. Fragmentarisch. Tijdsprongen, maar goed te volgen.
Een vriend zei: ‘Je bent alleen, maak gebruik van die vrijheid.’ ‘Maar ik wil juist gebonden zijn, en… in die gebondenheid vrij zijn.’
Indrukwekkend hoe Jan Siebelink schrijft over de tijd vlak voor, tijdens en na het overlijden van zijn vrouw. Rouw is rauw. Erg associatief en herhalend beschreven. Maar tegelijk draagt dat ook juist wel bij aan de heftigheid van het thema rouw. Wel echt prachtige zinnen, poëtisch, zeker in de beschrijvingen van de natuur en met name planten/bomen/bloemen, echt op z'n Jan Siebelinks.
Ondanks het droeve thema, afscheid moeten nemen van je partner, heeft dit boek me stevig beroerd. De schrijver heeft dit thema zo mooi, fragiel benaderd. Wow! Zijn schrijfstijl is ook zo mooi, breekbaar. Een pareltje! ✨✨✨
Wat een bijzonder krachtig en prachtig verhaal vertelt Jan Siebelink over zijn intense relatie, de diagnose, het ziekbed, het overlijden en de tijd erna. Voor mij een voorbeeld voor later.
Ja, ik vond het een mooi boek. Sowieso hou ik van de schrijfstijl van Jan Siebelink (ik weet geen woord: persoonlijk? warm?). Dit verhaal raakt me vooral door de eerlijkheid. Zijn ongeloof, zijn ergernis over wat mensen zeggen, zijn boosheid over het geklungel met medicijnen en dokters, zijn verlangen. De vele herhalingen, bezweringen bijna, en ook de intieme beschrijvingen van de tuin getuigen voor mij - vreemd genoeg? - van de heftigheid (en waarde) van het bestaan.
“Het is door de kracht van het schrijven dat Jan Siebelink zijn vrouw Gerda in de maanden na haar overlijden nog even bij zich kan houden en hijzelf overeind blijft.” Dit is het begin van de tekst achterop Rouwjournaal het nieuwe boek van Jan Siebelink. Verderop in deze tekst staat dat “dag na dag in fragmenten het weergaloze portret van een intens leven samen [ontstaat]”. Daarmee stelt de uitgever de lezer van het boek meteen voor een vraag: houdt deze een roman in handen of behoort dit boek tot een heel ander genre? Is het niet eerder een memoir of een dagboek in plaats van een werk van fictie? Die vragen hield ik bij het lezen van dit Rouwjournaal steeds in het achterhoofd. Naarmate de lectuur vorderde werd zonneklaar dat dit geen roman is, ondanks de NUR-code die de uitgever achterin het boek gezet heeft. Die code (301) zegt dat dit een literaire roman of novelle is.
Op het eerste gezicht lijkt dit een wat bureaucratische kwestie. Wat mij betreft is het echter meer dan dat, vooral doordat Siebelink in dit boek regelmatig impliciet verwijst naar eerder werk van zijn hand, waar wel roman op staat, zoals Knielen op een bed violen. De verteller van Rouwjournaal – en volgens de tekst op de achterkant valt die dus samen met de persoon Jan Siebelink – haalt namelijk regelmatig herinneringen op aan de tijd dat zijn betreurde vrouw Gerda nog leefde, hoezeer zij destijds in de smaak viel bij de vader van, ja, van Jan Siebelink en dat die vader een kwekerij dreef. Hé, denkt de lezer, dat is context waarin ook Knielen op een bed violen zich afspeelt, een boek waar ‘roman’ op staat. Fictie en werkelijkheid lopen in een deel van het werk van Siebelink blijkbaar naadloos in elkaar over, zo lijkt het. In dit verband is het stofomslag van het boek veelbetekenend. Het is gemaakt door Klaas Gubbels en is getiteld “Het gat in de heg”, tevens de titel van een ander boek van Siebelink, met fragmenten uit de roman Knielen op een bed violen. Navrant detail: Gerda wordt pal naast het gat in de heg begraven.
Wat is dit Rouwjournaal nu voor een boek? Het is het bewogen en ontroerend verslag van een sterfbed, van een afscheid, van een verder moeten zonder de geliefde. Het is heel persoonlijk en bij vlagen ook bespiegelend. Duidelijk is dat het schrijven ervan voor Siebelink voorwaardelijk was om verder te kunnen leven. Dat maakt het lezen ervan ook een aangrijpende ervaring. Rouwjournaal is geen dagboek, daarvoor gaat Siebelink te veel heen en weer in de tijd: van het heden - na de dood van Gerda, naar het nabije verleden van haar laatste ziekbed en dood, naar het verdere verleden: de jaren van hun leven samen. Het journaal bestaat uit 125 stukjes, in lengte variërend van een enkele regel tot enkele pagina’s. In sommige van de stukjes spreekt de verteller Gerda aan in de tweede persoon enkelvoud. In andere wordt Gerda in de derde persoon opgevoerd. Wat uit alle stukjes duidelijk wordt is dat de verteller zich met zijn 86 jaar niet kan voorstellen dat hij nog een paar jaar zonder Gerda verder moet. Die gedachte is hem onverdraaglijk. In een van de stukjes wordt verteld dat Jan ooit een gaspistool vond bij het opruimen van het huis van zijn schoonvader. Dat pistool had hij al lang bij de politie moeten inleveren, vond Gerda, of moeten weggooien. Na de dood van Gerda speelt hij met de gedachte er iets anders mee te doen, zozeer is het leven zonder haar zonder zin geworden. “In huis ben ik ’s nachts steeds banger”, zo begint stukje 48. “Toen Gerda nog leefde, kende ik die angst niet. Al kon ze niet op haar benen staan, we waren met z’n tweeën, dat was heel veilig. Ons huis ligt op de hoek van twee stille straten, is omgeven door een dichte, hoge heg van taxusbomen. Buren zijn ver, een inbreker bezig via een Bulgaarse truc het huis binnen te komen, kan vanaf de weg niet gezien worden en in alle rust zijn gang gaan.” Na lang aarzelen gooit Siebelink het pistool toch maar in het water.
Rouwjournaal bevat nog een paar andere kleine verhaallijnen. Een ervan is die van de haat die Gerda koestert jegens haar zus. Waaraan deze zus deze onverzoenlijkheid precies te wijten heeft, werd mij niet geheel duidelijk. Wat wel helder is, is dat deze zus aan de universiteit heeft mogen studeren, terwijl Gerda vroeger die kans niet kreeg. Zus lijkt daardoor in een wat ander sociaal milieu te zijn terechtgekomen. Ook vertelt Siebelink de anekdote van een voorgenomen reis van de beide zussen naar Florence. Als Gerda haar zus vraagt wanneer ze naar Italië afreizen, blijkt zus de afspraak straal te zijn vergeten. Sterker nog, ze maakte de reis al met een vriendin. “Ik weet nog, toen je dat hoorde, hoe je trilde, beefde van woede.”, schijft Siebelink. Het loopt erop uit dat deze zus geen aankondiging krijgt van het fatale karakter van Gerda’s ziekte, niet op bezoek mag komen en ook geen kennisgeving ontvangt van de uitvaart. In deze affaire zit een roman, denk ik.
Op sommige momenten had ik tijdens het lezen de indruk dat de eindredactie bij dit boek wat te mild geweest is. Er zijn een paar – haast woordelijke – herhalingen blijven staan, die mij stoorden en me het idee gaven dat een laatste redactieslag overgeslagen is. Het Rouwjournaal is een in omvang bescheiden boek en als je wat doorleest storen deze doublures, omdat ze in het boek verder ook geen functie hebben. Sommige van de stukjes zijn, zoals gezegd, heel kort. Nummer 84 bestaat uit één zin: “God is een hunkering.” Ik zou niet weten wat Siebelink hiermee bedoelt. Zelfs niet na nummer 83, waar onder meer staat “Ik zie nu wel dat Sartre bijna denkt als de middeleeuwse mysticus Eckhart die een boek over God schreef met de titel Over God moet ik zwijgen.” Evenmin kan ik veel aanvangen met nummer 82: “Heeft het universum weet van de mens op aarde?” Het boek had aan kwaliteit gewonnen als er minder van dit soort zinnen in hadden gestaan.
Mijn noeste arbeid, het haast onmogelijke doen, haar dichtbij weten, en dat weten om te buigen naar een verbrokkeld verhaal, dat toch 'in orde' is, naar iets waarmee te leven valt.
Rouwjournaal is het verslag van de totale ontreddering die Jan Siebelink te beurt valt wanneer zijn echtgenote Gerda na een kort ziekbed overlijdt aan kanker aan de galwegen. Een verbrokkeld verhaal is het zeker: het boek bestaat uit 125 korte aantekeningen die (net zoals het rouwproces) ontdaan zijn van een logische volgorde.
Rouwjournaal is een mokerslag. Voor Siebelink voelt het overlijden van 'Gem' aan als een amputatie, en hij slaagt erin om de lezer daar deelgenoot van te maken. Van hun eerste kennismaking tot de (te late) diagnosestelling, het schrijnende proces van aftakeling en palliatieve sedatie: zo rauw kreeg je het zelden voorgeschoteld. Siebelink schuwt zichzelf niet: hij heeft het ook over zijn eigen overspeligheid, de paranoia waaraan hij te beurt valt eenmaal hij zichzelf alleen in het veel te grote huis weet.
Rouwjournaal krijgt iets bezwerends door de herhaling van de vele motieven: de traan die in het dode oog van zijn echtgenote opwelt, de haag die het voormalige tuinbedrijf van zijn vader scheidt van de begraafplaats. Het boek vormt een prachtig eerbetoon aan zijn echtgenote en laat zien waar schrijven toe in staat is: iemand laten voortleven, én zorgen voor verzachting voor wie achterblijft.
Siebelink laat zijn trouwe thema's (de relatie tussen vader en zoon, de beklemming van een streng-christelijk geloof) slechts gedeeltelijk achter zich: in de laatste zin geeft hij aan de veiligheid en geborgenheid van het ouderlijk huis te missen tijdens zijn rouwproces. Al te zeer menselijk, van een pijnlijke schoonheid.
In 'Rouwjournaal' schrijft Jan Siebelink over de ziekte en het overlijden van zijn vrouw Gerda, met wie hij 59 jaar getrouwd was. Hij schrijft ook over hun huwelijk, de mooie en de moeilijke dagen. Het is tegelijk een ode aan de liefde en een schrijnend relaas van het gemis, het alleen achterblijven.
Het is een emotioneel verslag van een loodzware periode, waarbij dezelfde beelden en dezelfde bedenkingen telkens terugkeren, zoals het bij een rouwproces altijd gaat. Het telkens weer thuiskomen in een leeg huis, beseffen dat je geliefde nooit meer zal antwoorden, je vragen stellen bij het graf en hoe ze daar in ligt …
Maar er zijn gelukkig ook de mooie herinneringen, ook aan die laatste dagen. Hoe hij haar in de rolstoel de tuin in reed, waar ze samen nog even intens konden genieten van het zachte zonlicht van juni.
Iedere dag schreef Jan Siebelink een paar zinnen, niet in zijn werkkamer maar in de woonkamer naast Gerda haar piano, waar ook haar ziekbed stond. Van september tot december 2024 hield hij het dagboek bij, er waren dagen waarin hij slechts één zin noteerde. Dat zorgde voor een bladspiegel met veel wit, leegte die er overigens ook mocht en moest zijn.
'Rouwjournaal' is autobiografisch. Het zit boordevol emotie en zal bij menig lezer herkenbare gevoelens oproepen.
Al veel gelezen van Jan Siebelink, maar dit boek is natuurlijk atypisch voor hem. Hij schrijft over (het verdriet over) het verlies van zijn vrouw. Altijd aangrijpende literatuur natuurlijk. Toch vond ik dit rouwverslag regelmatig erg onsamenhangend. Dat hangt natuurlijk direct samen met de fase die Siebelink beschrijft. Verlies is verpletterend. Het verandert je leven in een chaos, in een doolbof waarin je opnieuw de weg in je leven moet zien te vinden. Maar een kritischer redacteur had Siebelink behoedt voor passages waarin hij teveel veronderstelt of te weinig uitlegt. Wat me wel pakte: het boek bestaat uit losse fragmenten waar de chronologie ontbreekt. Het zijn scherven. En is dat niet het kenmerk van verlies: je zit tussen de scherven van wat eens geluk was.
Jan Siebelink was jarenlang een van mijn favoriete schrijvers ver voor de hype van "Knielen op een bed violen". Door zijn boek "Mijn leven met Tikker", waarin hij zijn liefdevolle band met zijn whippet hond Tikker beschrijft, ben ik veel meer boeken van hem van voor het boek Tikker gaan lezen. Ik vond ze prachtig. Alleen zijn laatste romans konden mij minder bekoren en ben uiteindelijk afgehaakt. Nu dan "Rouwjournaal", dit moest ik lezen en ik ben niet teleurgesteld. Ik moest ook gelijk terugdenken aan het boek van Frits Spits "Alles lijkt zoals het was". Beide boeken zijn zó liefdevol geschreven en wat worden de partners schrijnend gemist!
Wat kan ik hiervan zeggen. Dit was een moeilijk boek. Niet thematisch, maar vormelijk. Is het een privilege of een vloek dat je mag meekijken in (meelezen over) iemands leven.
Wanneer Siebelink zijn overspel opbiecht lijkt het alsof hij dat aan de lezer doet, en wat moet je daar dan mee? “Juist in mijn scabreuze periode was ik dicht bij je.” Nee, want dat soort relatie hebben wij niet met de schrijver.
Dit was veel te intiem, voyeuristisch. Het is niet dat het confronterend was, want ondanks die voortdurende biecht, kreeg ik als lezer maar geen toegang tot het gebeuren, tot emotie. Alles was zo klinisch. Ook de relatie werd klinisch beschreven.
Gisteren las ik "Verkeerd verbonden" van Laura van der Haar, een boek over dertigers. En was ik enigszins blij dat het mijn generatie niet meer is. De generatie van Jan Siebelink is veel dichterbij, al is lezen over het sterven van een geliefde en het daaropvolgende rouwen geen feest. Ik denk wel dat beiden op een goede manier over hun besognes hebben geschreven. De eerste wat holderdebolder, de tweede met nogal wat herhalingen, zoals oude mensen wel vaker hetzelfde zeggen. Dat heb ik maar voor lief genomen, al heeft het wel een sterretje in de beoordeling gescheeld.
Indringend verslag van het overlijden van Gerda, de vrouw van Siebelink, en de radeloze rouw die daarop volgt. Hapsnap geschreven, in korte hoofdstukken, met veel herhalingen, conform het proces zelf. Hopelijk helpt het hem haar dood te accepteren en door te gaan met zijn eigen leven – daar heeft hij in het boek vaak geen zin meer in.
Een wat vlak boek over een oudere man die afscheid neemt van zijn vrouw die ziek is. Op zich mooi en simpel, rechttoe rechtaan geschrven met mooie stukjes over een wel heel bijzonder sereen huwelijk. Jan Siebelink schrijft met veel respect over zijn echtgenote, schetst de mooiste momenten. Maar op zich minder beklijvend dan bijvoorbeeld het boek van Donald Niedekker.
Ik ben geen Siebelink adept, maar dit boek heeft me geraakt. De 87 jarige schrijver die in stukken en brokken verhaal doet van het overlijden van zijn vrouw en zijn overleven daarna, heeft iets breekbaars. De vorm, de inhoud en het gevoel zijn een geheel.
Een krachtig proza, af en toe heel poëtisch, knap hoe hij het verlies van zijn vrouw probeert te verwoorden. Is niet chronologisch opgesteld en dat is beslist een meerwaarde. Vermoedelijk zeer herkenbaar voor lotgenoten.
Treffend geschreven verslag van een rouw periode na het overlijden van de vrouw van de hoofdpersoon; de schrijver. Herkenbaar voor een ieder die een verlies heeft meegemaakt. Knap zoals de schrijver heden en verleden afwisselt.
Soms uitgewerkte overpeinzingen, soms flarden van gedachten over het leven samen en over het sterfbed en de dood van de vrouw van de schrijver. De rauwe pijn spat van de pagina’s maar op een manier die mij troostte in een periode waarin ik zelf in de rouw ben.
Rouwjournaal raakte me in kleine, herkenbare scènes en gedachten. Sommige passages vond ik herhalend en verward. Het is een persoonlijk rouwverslag dat mij soms ontroerde, hoe moeilijk moet dat zijn om neer te pennen en te willen delen met een groot publiek
Hoe kan het bestaan, de beschrijving van de ziekte en het sterven van je geliefde, zo ontroerend mooi, kwetsbaar, eerlijk. Met ontroering en herkenning gelezen.