Buiten-mijn-bubbel-boek waarnaar ik nieuwsgierig geworden was na het (min of meer toevallig) horen van een interview met de schrijfster in ‘De taalstaat’ op Radio1.
“Wat vond je eigenlijk van dat boek?”, vroeg mijn echtgenote, binnen een etmaal nadat ik het had uitgelezen.
De vraag helpt om te proberen er woorden aan te geven, want mijn eerste antwoord was dat ik het niet zo goed weet.
Eerst maar de korte versie:
De proloog is pakkend. De plot, de opbouw en de wisselende perspectieven vind ik interessant, en ik vond het lastig om het boek weg te leggen toen ik er eenmaal goed in zat. Daarmee is het (boek) onderhoudend en dus geslaagd. En ja, ik ben nieuwsgierig naar het vervolg.
En dan volgt het enigszins dreigende ‘Maar…’
Bij nadere beschouwing vind ik het voor een prijswinnend boek nogal tegenvallen.
Dat licht ik voor de geïnteresseerde lezer graag hieronder verder toe, in het stellige besef dat een boek kritisch bespreken zoveel makkelijker is dan er zelf een te schrijven – vooral wanneer dat laatste misschien een therapeutisch karakter draagt.
__________
Tijdens het lezen begon ik me ook enkele dingen af te vragen, en begonnen er andere zaken op te vallen en zelfs te storen, zonder dat daar vervolgens voldoende helderheid over of verbetering in kwam.
Dat het in dit genre gebruikelijk (b)lijkt om positieve aandacht te geven aan diversiteit op het gebied van gender en seksualiteit neem ik graag voor lief. Naar mijn smaak levert het vervolgens in het Nederlands wel lelijke taal op, met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden die maken dat je zinnen opeens twee- of driemaal moet lezen om na te gaan of die wel klopten of goed liepen. Als dan bij herhaling slordigheden blijken te zijn neergeschreven en/of bij redactie over het hoofd gezien, bijvoorbeeld door het onjuiste gebruik van al dan niet wederkerende werkwoorden, of als (oké, één keer) bij een non-binair personage het bezittelijk voornaamwoord ‘haar’ i.p.v. ‘hun’ wordt gebruikt, lukt het me minder goed om welwillend te blijven doorlezen. (En dat is nog afgezien van het aantal keren dat ‘hoeveelheid’ foutief wordt toegepast op telbare zaken.) Jammer, want ook Young Adults gun je (de ervaring van) correct en stijlvol taalgebruik.
Inhoudelijk mager vond ik de eenzame situering van de plaats van handeling. De door bergen en water ingesloten stad Agathon heeft wel een haven(gebied) maar er is, op het ‘Oogstgebied’ na, geen enkele suggestie van (interactie met) een wereld daarbuiten. Wel is sprake van een historische context, maar die beperkt zich tot de verwijzing naar wat zich maximaal zo’n honderd jaar eerder in dezelfde stad zou hebben afgespeeld.
In verband daarmee viel me op dat praktisch alle verwijzingen naar techniek en technologie betrekking hebben op mechanisch werkende zaken. Van elektriciteit, electronica en computers is (of lijkt) geen sprake te zijn, wel van boeken en papieren pamfletten als informatiedrager, van gaslampen als verlichting en van paarden als vervoermiddel. Geen probleem natuurlijk, maar consequent gehanteerd lijkt dat dan weer niet, want in de proloog worden luidsprekers (in een nachtclub) genoemd, en op een andere plaats gaat het over (iets visueel) projecteren.
Als bij dit genre hoort dat familiebanden van de karakters van weinig betekenis zijn, dan is de opzet van het verhaal een slimme, omdat zodoende maar van enkele van de hoofdpersonen iets meer dan het basale over hun afkomst gezegd hoeft te worden. Voor het overige zijn het vooral individuen zonder achtergrond die betrekkingen met elkaar aangaan of verbreken. Past dat misschien (ook) bij een subcultuur waarmee dit genre verwant zou zijn?
Ten slotte vind ik dat de in de titel genoemde ‘angst’ concreter had kunnen worden uitgewerkt. Nu blijft het allemaal wat (te) vaag en onbestemd, en begon ik te vermoeden dat ook gevoelens van verdriet, rouw, schuld, vervreemding en wanhoop als min of meer ‘negatieve’ gevoelens onder het begrip angst worden geschaard.
Als mijn overtuiging klopt dat de strijd tussen Goed en Kwaad klassieke fantasy-thematiek is, – een veronderstelling die is gebaseerd op het werk van Tolkien en de Narniakronieken van C.S. Lewis – dan valt me in combinatie met het eerdergenoemde op dat een onderscheid tussen (of een oordeel over?) Goed en Kwaad lijkt te worden vermeden. Nu ben ik niet tegen nuance, en – hoe moeilijk soms ook – een voorstander van ‘liever langer luisteren’, maar dit krijgt iets angstvalligs, en maakt dat naar mijn idee serieuzere diepgang ontbreekt.