What do you think?
Rate this book


64 pages, Hardcover
First published May 15, 2025
Een typische Lanoye: hij schuwt zijn stokpaardjes niet, de draak steken met populistisch rechts en co. Plaatst zichzelf in de spotlight, citeert uit zijn eigen Diplodocus Deks in dezelfde adem als de beginzin Anna Karenina en de slotzang van Koning Oidipous. Heeft het over zijn mentor Gerard Mortier en de invloed op zijn meesterlijke tragedie Mamma Medea. Strooit hier en daar achteloos met een duur woordje ("gremium", "zich encanailleren"). Schrijft vooral super soepel. Los daarvan schrijft Lanoye naar een logische conclusie over de essentie van de tragedie. Hij pleit al langer voor de noodzaak van taal en cultuur in het licht van democratie. Dat komt hier mooi samen. Het Athene van Pericles en De Grote Drie (Tragici), het verband tussen het ontstaan van democratie en tragedie is snel gelegd.
"Als het lezen en bewerken van theaterklassieken mij iets heeft geleerd, dan is het wel deze gietijzeren podiumwet: humor veroudert snel." (p.24)Toch een kleine bedenking. Wat Lanoye schrijft over de tragedie kan ik goed volgen. Hij schrijft komedie af als "tijdgebonden commentaar". Dat is wel heel kort door de bocht, alsof je geen vrij universele of tijdloze humor hebt. Zelden zo goed gelachen als met Poquelin II, gebaseerd op vierhonderd jaar oude teksten van Molière. Lanoye bedoelt vast dat komedies als genre minder beklijven. Noemt hij daarom de komedies van Shakespeare "melig en doorgaans amper te genieten"?