Het klikte niet onmiddellijk tussen Lydia en mij. Maar zulke mensen laten zich niet vlug kennen. Die eenzaamheid van haar, werd na een tijdje echter erg herkenbaar. Ik hou wel van deze vorm van eenzaamheid.
Na de laatste pagina ben ik terug vooraan in het boek begonnen. Ik wou nog wat langer in haar gezelschap blijven en in haar eenzaamheid.
'Een paar keer stak ze ook haar hand uit naar een libel, niet om hem te pakken, maar als erkenning van hun relatie daar in de schemering. Twee Schepsel deelden, hoe vluchtig ook, dezelfde tijdruimte, en dat was toch zeker niet zonder betekenis.' (p13)
'(...) zij die altijd blij werd van de kleine geneugten van het leven: de milde nabijheid van de natuur, het haast onmerkbare dat toch in beweging en levend was, onder de dieren, bij een meertje in de schemering, op een open plek in het bos - daarin lagen al haar wensen verborgen.' (p15)
'Het was een merkwaardige vorm van rouwen, vond ze, gewoon alles krampachtig willen vasthouden.' (p51)
'Eigenlijk ontbrak het hem niet aan gezond verstand, maar aan lichtheid, bedacht ze.' (p65)
'Aan tafel gaan zitten, zich vrolijk drinken en lekker eten was een van de belangrijkste geneugten die je met anderen kon delen, vond ze.' (p65)
'Ze was waar ze wilde zijn, in het landelijke, het provinciale. Plotseling bedacht ze dat dat paradoxale leven, die saaie en goedmoedige tevredenheid die de lente uitlokte, een persoonlijk geschenk voor haar was.' (p70)
'Het gebeurde zelden dat Lydia nog in bed bleef liggen nadat ze wakker was geworden. Meestal gooide ze meteen haar dekbed opzij als de wekker afging en liep ze blootvoets naar de badkamer om haar gezicht met koud water te wassen. Dat was al zo sinds haar kindertijd, besefte ze. Ze wilde opstaan en de nieuwe dag beginnen, het maakte niet uit of er verleidingen of verplichtingen op haar wachtten.' (p79)
'Lydia was niet gelovig, die tijd lag al lang achter haar, bovendien was het nooit uit diepe overtuiging geweest. Maar sommige verhalen uit de Bijbel konden haar nog altijd ontroeren, niet op een sentimentele manier, maar eerder als begrijpelijke, heldere principes. ''Het goede'', daarnaar moest je proberen op zoek te gaan, bij jezelf en bij anderen.' (p119)
'Soms dacht Lydia dat niet de tijd maar de ruimte haar veranderde: de bosbodem, de heuvelruggen, de tuin met het kruidenbed, de keukentafel met drogende cantharellen, het behand van de kinderkamer, de woonkamer waar haar moeder net in slaap was gevallen, de oever van een uitdrogende rivier, de rivierbodem, een zolderkamer waar ze dacht een uil te hebben gezien, de studentenkamer waar ze voor het eerst de liefde bedreef. De tijd is blind, genadeloos, de ruimte heeft een blik die nooit uitdooft, een geheugen dat de werkelijkheid wakker houdt.' (p126)