I tre noveller på starten av det førre hundreåret, skildra ein anonym forfattar livet som drøymandekunstnarspire i eit land der det var lite plass for slike. Forfattaren kalte seg Nescio, og novellene har sidan fått klassikarstatus i Nederland og veksande internasjonalt ry. Tekstane hans står i lågmælt kontrast til den nederlandske gullalderen, prega av handel, kolonimakt og kulturell stordom. Unge titanar. Tre noveller handlar om unge idealistar i Amsterdam, kunstnarar og poetar, som prøver å finne fotfeste i det borgarlegevaksenlivet. Hovudpersonane har spelt ut sjansane som ein gong låg opne for dei. Forteljingane er rå og direkte, men òg høgstemde og lyriske – dei får oss til å tru på denne idealiseringa av ungdommen. Samstundes opnartekstaneeit kulturelt det djupt nederlandske spennet mellom kunst og økonomi, idealisme og borgarskap, børs og katedral. Nescio (1882–1961), eller Jan Hendrik Frederik Grönloh som han eigentlegheitte, er blant dei mest betydningsfulle moderne forfattarane i Nederland. Verka hans er eit fast innslag i skuleundervisninga og er alltid med når den beste nederlandske litteraturen opp gjennom tidene blir kåra. Grønloh debuterte som forfattar i 1911 og under pseudonym. Først då han hadde ei trygg stilling som direktør i The Holland-Bombay Trading Company, og tekstane hadde begynt å bli einsnakkis blant unge forfattarar, avslørte Nescio sitt verkelegnamn i eit forord til 1933-utgåva. Etter at han slutta i direktørstillinga levde Grønloheittilbaketrekt liv, samstundes som verket hans fekkklassikarstatus i den nederlandske litteraturkanonen. Nescio har lenge vore ukjent utanfor sitt eige språkområde. Først i nyare tid har dei tre novellene, som dannarhovudverket hans, blitt oppdaga i utlandet. I 2012 gav New York ReviewBooks ut novellene under tittelen Amsterdam Stories, til strålandekritikkar. Eit artig samantreff er at det var Jon Fosse-omsetjarenDaimionSearls som gjorde den amerikanske forleggaren merksam på forfattarskapen.
Jan Hendrik Frederik Grönloh was born in Amsterdam, the oldest of four children. After an idealistic youth, he joined the Holland–Bombay Trading Company in 1904, becoming director in 1926, suffering a nervous breakdown leading to a short hospitalization in 1927, and retiring at age fifty-five, on December 31, 1937; he married Aagje Tiket (b. 1883) in 1906 and had four daughters with her, born in 1907, 1908, 1909, and 1912. Meanwhile, as Nescio (Latin for “I don’t know”; he adopted a pseudonym so as not to jeopardize his business career, acknowledging his authorship publicly only in 1929), he wrote what is now considered perhaps the best prose in the Dutch language.
Beautifully written novella, famous piece of Dutch literature, written around 1915 I think, about a couple of young guys who have great ambitions and philosophies, about to change the world, write and paint great works of art, but 'nothing really comes of it'. Beautiful still Dutch language, subdued humor, mildly sad, poetic descriptions of the landscape and the sea... A tiny gem. One of my goals is to read some Dutch literature, which I neglected for a long time. I listened to it in my car to and fro work, morning and evening. With the calm and wonderful voice of Job Cohen, former mayor of Amsterdam. Beautiful. I will move on to read Nescio's other masterpiece, 'De Uitvreter', soon. Enjoyed my renewed encounter with Dutch literature (oh how different it was when I was 17 of age and 'forced' to read Dutch literature for school.... )
Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden hun wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'n vijven. Alle andere menschen waren 'ze'. 'Ze', die niets snapten en niets zagen. 'Wat?' zei Bavink, 'God? je praat over God? Hun warme eten is hun God.' Op enkele 'goeie kerels' na werd iedereen door ons veracht. Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: 'En niet ten onrechte', maar dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Je weet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyer vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die 'm op den slechten weg brachten. Maar toen waren we in de dagen onzer dwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu, alweer behalve Bavink, en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zeg tegen Hoyer: 'we zijn er niet op vooruit gegaan.' Maar Hoyer is al te ver heen, hij begint bij de bonzen van de S.D.A.P. te hooren, en maakt een gebaar van twijfel met z'n handen en z'n schouders.
'Gods troon is nog ongeschikt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokken op te stapelen om 'm van z'n verhevenheid te storten en dan de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt; 'Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. 't Spijt me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen , maar ik ben ook God maar'. En zo gaat alles z'n gangetje en wee hem die vraagt : Waarom?'
Bijna iedereen kent de eerste zin van Titaantjes van Nescio en niet deze laatste regels. En dat terwijl die ook zo mooi zijn. Een verhaal over de dromen van de jeugd en de ontgoocheling van het ouder worden. Mooi.
De weemoedige herinneringen van 'koekebakker', de verteller aan zijn dromende en hemelbestormende vriendenclub zoals die was toen ze 19/20 waren en hoe hij deze dromen zes jaar later in allen voorgoed in duigen heeft zien vallen.
Het eenvoudige, doeltreffende proza is doordrenkt van een nostalgie en een spijt dat het leven veel minder spannend is dan het zou kunnen zijn. De 'helaasheid der dingen' ware een goeie omschrijving voor het gevoel in dit boek geweest. In al zijn beknoptheid is dit wonderschone boekje een van de onbetwiste meesterwerken van de Nederlandse literatuur.
Absoluut meesterwerk. Prachtig Nederlands zowel qua ritme als beschrijving. Het is zeer jammer dat de brave man niet meer geschreven heeft. Anderzijds heeft hij m.i. alles gezegd wat hij wou zeggen. Nescio's doel is eigenlijk een filosofisch tractaat (nauwelijks) verborgen in een verhaal. Het is een liefdevolle maar haarscherpe analyse van la condition humaine. Je moet wel 40+ zijn om het te apprecieren denk ik.
(Er komen enkele passages in voor die sterk een buddhistische kijk op het leven verraden zonder dat dit ook maar aangegeven wordt. Ik heb geen idee of Nescio ooit met het buddhisme in aanraking kwam.)
This time, there are four of them. Young men, never clear about what they were going to do, but sure they were going to do SOMETHING. It seems to me now that there is a constant refrain in Nescio's works: an unending amazement that we are mortals and that the world shall outlast us for a long, long time. The same thought I have, whenever I pass by a Starbucks outlet, remembering a friend, seeing the old table we once played chess in when he was still alive.
Nescio is erin geslaagd om in een erg modern aandoende taal een beeld te schetsen van de onmogelijkheid tot grootse daden van een vijftal jonge mannen. Ze dromen van een toekomst die voor hen niet weggelegd blijkt en botsen tegen de muren van de realiteit. Alles wordt verteld op een haast gezellige wijze en er hoeft niet veel te gebeuren in het verhaal om de pointe duidelijk te maken.
Hollandske Nescio er en ren fornøjelse af læse. Små titaner er hyldest til de unyttige drømmerier. En samling velskrevne, charmerende fortællinger fyldt med nærvær og melankolsk humor.
“Jongens waren we - maar aardige jongens, behalve Bavink”. Ze waren een pracht stel kerels om rijk te zijn, maar ‘centen hebben’ vonden ze verachtelijk. Dit vervolg op de uitvreter heeft weer het thema dat ieder mens zich uiteindelijk ten koste van zijn idealen aanpast. Hoe groot de afkeer ook mag zijn geweest, wordt er toegegeven aan de maatschappelijke eisen en vindt er uiteindelijk ook berusting plaats.
“Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten gezien, en mijn hart had naar de verte getrokken en de roode luchten in ‘t Westen. Doch al had ik van den toren kunnen vliegen naar de verten, dan zou ik slechts gevonden hebben, dat de verte het nabije was geworden en opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben. En wat baat mij de wijsheid, die mij leert dat ‘t niet anders kan en zoo blijven zal in eeuwigheid? ... Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid”.
Nieuwe titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokjes op te stapelen en God lacht maar en denkt:”Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. ‘t Spijt me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar.”
Een verhaal uit 1918. Toen het Damrak nog niet gedempt was. Geschreven met een losse toon die op mij als een realistische, bijna 21e eeuwse wijze overkomt. En een tijdloos thema van de vrienden die de wereld gaan veroveren maar door de gesel van 9 tot 6 nergens aan toekomen. En als ze eraan toe komen - via gedicht of schilderij - het ook weer laten vallen of vernietigen. Titaantjes waren zij, maar aardige titaantjes… De losse flarden en gedachten maken het tot een boek dat ook in het modernisme en postmodernisme meekan.
Het e-book dat ik heb gelezen kwam uit de Gutenberg-collectie en was gezet in spelling van 1918.
Did not read the version with illustrations from Joost Swarte (he is a great artist). But Nescio dies not need illustrations. He rights simply, beautifully and his writing evokes images of the people and their surroundings as if you are there with them. It is beautiful, funny and a little sad. A gem! Btw, I read the book in Dutch.
"Ga eens met je rug naar 't water staan en luister. Kan je eruit blijven?" "Waaruit?" "Uit de zee? Ik knikte van ja, dat kon ik best. "Ik nauwelijks," zei Bavink. "'t Is zoo raar dat weemoedige geluid achter je. 't Is net of zoo'n zee wat van me wil. Daarin is God ook. God roept."
The theme may seem common: a group of young men with grand aspirations realize over the course of the years that their grand aspirations are not attainable. They have to subject to the great order of things, or else remain outcasts. Nostalgic, powerful, universal, subliminal. Very worthy read.
Beautiful beautiful lucid poetic prose, all about youth and adulthood, friendship and lonelyness, and the light and the air and the sky and the sea and Amsterdam and constant change… Nescio added to my personal pantheon of greats.
Mooi kort verhaaltje dat ik van school moest lezen, het boek is kort maar heeft toch een soort van pessimistische boodschap in mijn ogen, tegelijkertijd is die ook wel mooi. De titanen slagen er maar niet in te "winnen" en uiteindelijk wordt iedereen maar toch 'gewoon' en 'normaal'
Tænk - at kunne se sig selv og sine venner, midt i ungdommen, som de guder, titanerne er, når man ved, at de faldt - og samtidig indrømme, man er lille
I am still a young titan, waiting for something to happen. But nothing will
Quotes:
Oh, we took our revenge, we learned languages they had never even heard of and we read books they couldn’t even begin to understand, we experienced feelings they never knew existed.
And how we had thought our way through the whole universe, without words; and how God had filled our head, our heart and our spine, and how stark raving mad they would look if we told them about it. And how, with all their money and their trips to Switzerland and Italy and God knows where else and with all their clever hard work, they could never feel such things.
But still, they had us in their power, they confiscated the greater part of our time, they kept us out of the
sunshine and away from the meadows and the seaside. They forced us constantly to fill our thoughts with their incomprehensible business. Even though that only went so far. They chewed us out; at the office we were totally insignificant.
He started to argue with Bekker about the heath. It was a miracle of erudition. He tried to convince Bekker that it was a mistake to withdraw from the world and go off to the heath, which he would never do anyway. An artist belongs at the centre of modern life.
But I also had a feeling I hadn’t known before. All those days had passed and many more days would pass as well, and on every one of them my expectations would remain unfulfilled and my longings unsatisfied.
I stood on the Rhenen tower and looked into the distance, and my heart went out into the distance, to the red sky in the west. But even if I could have flown off the top of the tower into that distance, I would have found only the distance nearby, and my heart would have gone out to the distance once more. And what good did it do me – the wisdom that taught me that nothing would ever change, it would be like this for ever?
Every day we longed for something, without knowing what. It got monotonous. Sunrise and sunset and sunlight on the water and behind the drifting white clouds – monotonous – and the darker skies too, the leaves turning brown and yellow, the bare treetops and poor soggy fields in the winter – all the things I had seen so many times and thought about so many times while I was gone and would see again so many more times, as long as I didn’t die. Who can spend his life watching all these things that constantly repeat themselves, who can keep longing for nothing?
And now the gorse was blooming again, and the lilacs and apple trees and chestnuts, and the sun was blazing down on all of it. Full of emotion, I had seen it all again. And while I was thinking about it, my vague longings and expectations faded away.
I hear the wind rustling through the high pines, through the forests of certainty, of knowing that all this exists whenever I decide to think it. I am grateful that this has been given to me.
But to keep this awareness always is granted to no man.
When I was young there were so many times when I wished something would happen, anything. But nothing ever happened.
God’s throne is still unshaken. His world just takes its course. Now and then God smiles for a moment about the important gentlemen who think they’re really something. A new batch of little Titans are still busy piling up little boulders so that they can topple him down off his heights and arrange the world the way they think it should be.
And so everything takes its little course, and woe to those who ask: Why?
Zo blij dat ik eindelijk klaar ben met Nescio, maar om heel eerlijk te zijn was dit de minst slechte novella. Nou ja, ze waren niet per se slecht, maar ze waren gewoon echt ontzettend saai. De personages waren niet boeiend, de schrijfstijl was raar en ik kon er maar niet aan wennen. Voorlopig blijf ik ver weg van Nescio.
'Gods troon in nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokjes op te stapelen om 'm van z'n verhevenheid te storten en dan de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt: 'Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. 't Spijt me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar.' En zoo gaat alles z'n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?'
'Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid. Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.'
Een kortverhaal op zijn Nesciaans dat in se gaat over hoe de onschuld en dromen van de jeugd onvermijdelijk verloren gaan. Met dank aan meneer D. Vandewal voor de introductie tot het oeuvre van Nescio.