In de familiekroniek Waar wij altijd geweest zijn volgen we drie vrouwen – oma, moeder en dochter – met een Indische achtergrond. Antoinette vecht in voormalig Nederlands-Indië voor haar bestaan. Haar doel is haar dochter Jetty in leven te houden, tegen elke prijs. Jetty brengt haar jeugd door in het jappenkamp en wordt gedwongen met haar moeder naar Nederland te migreren. De trauma’s van haar moeder voedt zij met haar ervaringen in het kamp. In Nederland wordt Jetty’s dochter Tara geboren. En zij is degene die de stroom van trauma die van de ene generatie vrouwen naar de andere loopt, koste wat het kost wil doorbreken. Door de drie vrouwen elk hun eigen stem te geven ontstaat er een rijk en genuanceerd beeld van hoe generaties met elkaar verbonden zijn, en hoe zij zowel hun kracht als hun trauma’s doorgeven.
Het thema van generationeel trauma is hier mooi uitgewerkt. In Antoinette's verhaal zie je hoe ze gedwongen wordt om zich over te geven aan de eisen van haar tijd, en haar eigen hoop en dromen opgeeft. Ze leert dat niemand wil dat ze zichzelf is; ze is alleen goed genoeg als ze is wie alle anderen willen dat ze is. In haar volwassen leven maakt zoveel ellende mee, dat het haar permanent breekt. In Henriette's verhaal begrijp je dat ze niet alleen gevormd wordt door de situaties die ze meemaakt, maar ook door de dingen die de mensen om haar heen zeggen. Het vrije, blije kind dat ze was wordt langzaamaan ook gebroken, net als haar moeder. En waar Antoinette de mannen in haar leven de schuld geeft, leer je in Henriette's verhaal dat de vrouwen evengoed meewerkten om de ongelijkheid in stand te houden: je bent een vrouw dus je bent alleen van waarde als je je dienstbaar opstelt tegenover andere mensen. Wat me ook erg trof, was de hypocrisie van de vrouwen: tante Lina, die beweerde dat er altijd lieve mensen zullen zijn, maar die zelf alles behalve lief is. Mevrouw Charpentier, die Henriette wijs maakt dat vrouwen elkaar steunen, en dat ze dankzij andere vrouwen kan leren van het verleden, en zo voor zichzelf een beter leven kan maken. Maar intussen is er niemand die haar daarbij helpt, en is haar moeder alleen maar trots als ze in dezelfde patronen vervalt als zij heeft gedaan. Dat ze er ook net zo ongelukkig van wordt, is onbelangrijk. De stukken waarin Henriette schrijft dat ze eigenlijk geen idee heeft wie ze is en wat ze wil zijn hartverscheurend. Het is prachtig om te lezen hoe Tara zich langzaam aan het generationeel trauma ontworstelt. Hoe herkenbaar, dat ze schrijft dat het thuis bij haar ouders voelde alsof het er oorlog was, en de opluchting om uit huis te kunnen gaan. Om vervolgens telkens weer naar hun terug getrokken te worden omdat ze altijd wel iets ergs doormaakten, en ze haar altijd wel ergens voor nodig hadden. Eindeloos drama. En het besef dat ze altijd alleen maar mensen om zich heen heeft gehad, die niet met haar omgingen om wie ze was, maar om wat ze voor hun kon doen. Dat wat zij van haar wilden, haar identiteit was geworden, en dat ze als volwassene eindeloos verviel in relaties met mannen die haar domineerden en haar voor hun lieten zorgen alsof ze baby's in grote mensen lichamen waren, omdat ze haar hele jeugd lang had geleerd dat dat liefde en veiligheid was. Je kan niet iets vinden als je niet weet hoe het eruit ziet. Het patroon van voor anderen zorgen en je eigen wil en identiteit weg vlakken omdat dat voor anderen makkelijker is, zat te sterk vast in haar. Ik vond de stukken waarin ze met de voormoeders praat waren wat meer spiritueel van toon, en dat vond ik heel mooi passend om Tara's verhaal mee af te sluiten. Echt een geweldigen heel herkenbaar boek.