In De magie van het geloof (2025) doet dr. Kees van Ekris verslag van zijn jaar als Theoloog des Vaderlands. Zijn project droeg de titel Theologie voor het oprapen, waarin hij zich onderdompelde in uiteenlopende leefwerelden om te ontdekken welke vormen van theologie hij daar aantrof. Hij liep mee met tien zeer diverse personen, op bijzondere locaties: van de Bunnikside tot de Tweede Kamer, van een psychiatrische kliniek tot de Rabobank, van een synagoge tot andere onverwachte plekken.
Van Ekris opent zijn proloog met de zin: “Ik heb een jaar van mens tot mens geleefd” (p. 9). Daarmee geeft hij de toon aan voor het hele boek: hij maakt contact, leeft van mens tot mens, en zoekt – als publiek theoloog – naar bezieling en betekenis. Hij vat zijn benadering treffend samen: “Ik interpreteerde wat ik zag met de taal van mijn eigen theologische traditie en in contact met ervaringen van mensen” (p. 11). Een bijzonder krachtige definitie van publieke theologie duikt op in de context van een psychiatrische kliniek: “net zo lang naar mensen luisteren tot je iets heiligs op het spoor komt” (p. 11; p. 235). Deze houding kenmerkt het boek: een inductieve, aandachtige manier van theologiseren. Van Ekris citeert met instemming Paul Celan over poëzie en past diens woorden op zijn theologische zoektocht toe: La théologie ne s’impose plus, elle s’expose.
Een centraal thema in het boek is dat van de mythe. Van Ekris onderzoekt hoe moderne mythes functioneren en welke impact ze hebben op mensen. Hij maakt een interessant onderscheid tussen bezieling en betovering als uitwerkingen van zulke mythes. Bezieling verwijst naar een positieve, vitaliserende werking, terwijl betovering juist een negatieve werking heeft: men raakt in de ban van iets of iemand, zodanig dat alleen nog bevestiging van de eigen overtuiging wordt gehoord (pp. 16–17). Deze analyse raakt aan onze tijd, waarin politici worden gesacraliseerd en er een algemene sacraliserende tendens zichtbaar is in een zogenaamd ‘seculiere’ samenleving. Van Ekris wijst scherp op deze paradox. Onze cultuur is volgens hem doordesemd van een “mythisch krachtenveld” (p. 42) en toont zich als een ware battle of mythologies.
In de tien portretten – variërend van CU-Kamerlid Mirjam Bikker tot Bunniksider Michel Dickhoff – onderzoekt Van Ekris hoe mensen in verschillende maatschappelijke contexten geraakt worden door bezieling en hoe mythes zich manifesteren in hun leefwerelden. Zijn veldonderzoek als publiek theoloog levert niet alleen fraaie en integere levensportretten op, maar ook rake observaties over de werking van mythen in onze tijd. Zo is hij getuige van een debat in de Tweede Kamer over gokken en stelt hij scherpzinnig vast: “Het debat zit barstensvol theologie, tijdgeest en mythologie, en dat onder het mom van seculiere, rationele argumentatie. Onze cultuur is doordrenkt van mythos, zie ik, en dat onder het mom van seculariteit. Ik ben tijdens dit debat oog- en oorgetuige van een clash van mythes, een battle of mythologies” (p. 74).
Halverwege het boek volgt een intermezzo waarin Van Ekris explicieter ingaat op het fenomeen mythe. Hij baseert zich daarbij op het werk van Martin Shaw, die mythes definieert als “a sacred story you can organize your life around” (p. 136). Shaw stelt dat de mens een myth-shaped hole in zich draagt – een hunkering naar bezieling. Mythes zijn van alle tijden, maar in onze seculiere samenleving hebben zij een transfer ondergaan: waar zij vroeger door priesters werden verteld, klinken zij nu in de sportwereld, in de technologie en in politieke ideologie. Ook hier duikt opnieuw de paradox op: “Je kunt de moderne tijd seculier noemen, met heel goede redenen. Maar je kunt de moderne tijd met evenveel recht ook een machinerie van mythes noemen” (p. 138). Deze terugkerende paradox wijst, denk ik, op een blinde vlek: terwijl we denken ‘seculier’ te zijn, zijn we blind geworden voor de mythen waardoor we betoverd worden.
De portretten zijn stuk voor stuk invoelend en met grote authenticiteit geschreven. Ze geven een blik in de binnenwereld van de geïnterviewden zonder dat het voyeuristisch wordt. Die balans tussen het persoonlijke en het publieke maakt dit project zo bijzonder: Theologie voor het oprapen blijkt meer te zijn dan een slogan; het wordt een praktijk van aandacht en interpretatie, waarbij de verschillende leefwerelden tot loci theologici worden. Van Ekris slaagt erin de persoonlijke bezieling van mensen te verbinden met de publieke, culturele dynamiek van mythen – en dat op een voor de lezer toegankelijke manier.
Het meest indrukwekkende portret vond ik dat van rabbijn dr. Tzvi Marx, getiteld Synagoge: De magie van kennis. Tijdens het gesprek met Marx, die leeft vanuit de eeuwenoude Joodse traditie waarin verhalen (mythes) generaties lang worden doorgegeven, schrijft Van Ekris: “Zodra ik met hem spreek, voel je die ruime wereld en de bezieling die daarin zit” (p. 241). Hij verbindt dit met het Heilige Lied van Abraham Heschel. De rabbijnse denk- en leefwereld die zich kenmerkt door meerstemmigheid contrasteert krachtig met “de benauwde dampkring van het denken in de seculiere, modieuze en grillige denk- en leefwereld van vandaag” (p. 256). Dit portret raakte me, omdat het raakt aan de tegenstelling tussen oude, beproefde mythen en nieuwe, nog ongewortelde mythen. Oude mythen zijn getoetst aan de tand des tijds en nodigen eerder uit tot bezieling. Moderne mythes daarentegen lijken sneller tot betovering te leiden – ze willen niet beproefd, maar overwinnend zijn. Alsof de moderne mythen zichzelf nog moeten bewijzen. Dat leidt tot maatschappelijke spanningen.
Van Ekris sluit zijn boek af met een epiloog over het evangelie volgens Markus, getiteld Metamorfose. Aanvankelijk vroeg ik me af waar deze epiloog naartoe zou leiden – een exegetisch slot na een publiektheologisch boek? Maar al lezende wordt duidelijk wat zijn inzet is. In de verhalen over Jezus – “de meest menselijke” – toont zich een alternatieve manier van kijken. Jezus doorziet hoe mensen door anderen beïnvloed worden, en herstelt hun menselijkheid. In die blik ligt een ontmythologiserende kracht. Gelovigen worden – in mijn eigen woorden – geroepen om de machten te doorzien en waar die destructief zijn, herstel te brengen. Van Ekris formuleert het als volgt: “Gelovigen doen er beter aan het evangelie niet als een concurrerende mythe op te tuigen, en een meestal grimmige en corrumperende ‘battle of mythologies’ aan te gaan. Vanuit de teksten lijkt het me beter om je te oefenen in het zien en het zingen. Zien waar mens-zijn op het spel staat, de machten doorzien die dat stukmaken, en dus alert zijn. En zingen, een ander, Heilig Lied zingen, bezield worden door een andere schoonheid, niet gegijzeld worden door de hypnotiserende ogen van de slang” (p. 267).
Dat is de metamorfose. Wat betreft God: je leert Zijn sporen herkennen. Wat betreft de mens: je eert de menselijkheid. En wat betreft cultuur: je brengt een ander geloofsperspectief in. “Daar liggen voor mij de ingrediënten van wat ik als de magie van het geloof zie: je ogen, je denken en je handelen ondergaan een metamorfose” (p. 270–271). Deze en nog andere inzichten ontleent Van Ekris aan het Markusevangelie.
Vanuit de heilige vertelling kan deze metamorfose – vaak pijnlijk – plaatsvinden. Je gaat anders kijken naar macht, naar jezelf en naar wat je te doen staat (roeping). De epiloog eindigt onverwacht, maar krachtig, met een beeld dat blijft hangen: de gelovige laat een wond na in de wereld, ten goede, zoals Jezus dat deed. “De wond van: zó kun je ook leven” (p. 274). Christus leefde atonaal, tegen de stroom in. De kerk is geroepen om deze heilige vertelling voort te zetten, als vertelgemeenschap. En als dat met vreugde gebeurt, met een mythische gloed over de woorden, dan: “Wie het hoort zou zomaar kunnen gaan denken: dat geloof is magisch” (p. 274).
Met die zin besluit Van Ekris dit indrukwekkende boek. De magie van het geloof is een meesterlijke oefening in publieke theologie anno 2025: inductief van aard, diepzinnig van inhoud, inspirerend van methode, passend bij deze tijd, maar gefundeerd in een lange en rijke christelijke traditie. Een boek dat aanzet tot publieke theologie: net zo lang naar mensen luisteren tot je iets heiligs op het spoor komt!