In maart 1917 besluit een Russische krijgsgevange, sergeant Grigorij Iljitsch Paprotkin (‘Grisja’), aan zijn Duitse bewakers te ontsnappen. De vrede lijkt op dat ogenblik, na drie verschrikkelijke oorlogsjaren, niet ver weg meer. Grisja wil op die vrede echter niet wachten. Hij wil zo snel mogelijk terug naar zijn vrouw en pas geboren kind op het Russische platteland. Na zijn ontsnapping, waarbij hij zich op een trein verbergt tussen stapels hout, raakt hij verzeild in de onmetelijke bossen van oostelijk Polen en Wit-Rusland, nog altijd in de greep van de onbarmhartige winter. Daar ontmoet hij Babka, een karaktervolle jonge vrouw die er met haar grijze vlechten en verweerde gezicht oud uitziet en bij wie hij, zo blijkt later, een dochter verwekt.
Grisja was ontsnapt, maar hij was nog niet van de Duitsers af. “Het leger van verbonden Duitse stammen had zich als het ware met duizenden zuignappen vastgezogen aan dit ontzaglijke gebied”, schrijft Zweig. “Tegelijkertijd onttrokken zij de sappen en de grondstoffen aan het zwakke land en pompten die in het leger of door naar Duitsland, dat, volkomen afgesneden van de zee en van iedere toevoer, als een gigantische octopus de landstreken waar nog wat te halen viel leegzoog.” (65) De plaatselijke bevolking zocht ondertussen haar toevlucht onder de dieren in de bossen, van waaruit zij de Duitse vijand in de nachtelijke uren angst inboezemde. “Het komt, ondanks uitdrukkelijke verbodsbepalingen, huiszoekingen en terechtstellingen, maar al te vaak voor dat de bevolking toch over wapens blijkt te beschikken: het wemelt ervan. Massa’s mensen, massa’s verborgenen, hele volksstammen als je ze uit de uitgestrekte bezette gebieden zou samenbrengen, zwerven ‘s nachts door hun vaderland…” (67) Zweig beschrijft beeldend hoe Grisja onder deze omstandigheden, Babka weer achterlatend, als een schim in het nachtelijke donker door de dorpen trekt, een spoor van geruchten achter zich latend. (72)
Uiteindelijk valt Grisja opnieuw in Duitse handen. Niet als Grisja Paprotkin, maar als Bjoezjov, van wie hij zich de identiteit op aandringen van Babka had aangemeten. Het blijkt een noodlottige identiteitsverwisseling: Bjoezjov was een Russische spion en Grisja wordt daarom door het opperbevel ter dood veroordeeld—uiteraard ten onrechte en Bjoezjov was bovendien al dood. De veroordeling is het begin van een langdurige strijd om zijn leven te redden. Grisja wekt de sympathie van zijn Duitse bewakers, die hem een geschikte vent vinden en zich zijn lot aantrekken. Tegelijkertijd blijft hij overgeleverd aan de grillen, de onbenullige toevalligheden en de harde onverschilligheid van de bureaucratie in het Duitse leger. Daar doorheen spelen de sterk gegroeide sociale tegenstellingen in de Duitse samenleving, die binnen het leger hun doorwerking niet missen. De strijd om sergeant Grisja is ook de strijd tussen de oude, op ridderlijke waarden georiënteerde Pruisische landadel, die in de roman wordt vertegenwoordigd door de oude divisiegeneraal Otto von Lychov, en de opkomende industriële, burgerlijke klasse die van ambitie overloopt en wordt vertegenwoordigd door opperbevelhebber generaal-majoor Albert Schieffenzahn en ritmeester Von Brettschneider. Schieffenzahn houdt vast aan zijn besluit als opperbevelhebber, ook nadat is komen vast te staan dat deze veroordeling de verkeerde man treft; Von Lychov en zijn getrouwen proberen Grisja met man en macht te redden. Aldus wordt Grisja een pion in een moreel gevecht dat tegelijkertijd een competentiestrijd is tussen de ‘menselijke’ Von Lychov en de op macht en roem beluste Schieffenzahn. Deze strijd om sergeant Grisja is zeer herkenbaar — en leerzaam — voor iedereen die werkzaam is in complexe bureaucratieën die het leven van mensen vergaand beïnvloeden maar waarin de menselijke maat al snel uit het zicht kan verdwijnen en ethische vraagstukken kunnen worden weggeduwd.
Het is voor de lezer uiteraard gemakkelijk te sympathiseren met Grisja en met Von Lychov en de zijnen. Nadat Von Lychov de strijd met Schieffenzahn al heeft verloren, legt deze in een brief aan het keizerlijke hof uit waarom hij zich zo had ingespannen voor één enkele Russische krijgsgevangene: “[ik] beschouw […] elk afzonderlijk geval als belangrijk, de moeite van het bekijken waard, als een soort barometer.” Ook tegenwoordig nog een belangrijke vingerwijzing voor bestuurders: casuïstiek is belangrijk en misschien zelfs wel waar het om gaat. Op een ander moment in het verhaal laat Zweig Von Lychovs adjudant, luitenant Winfried, uitleggen waarom hij zich voor Grisja zijn nek uitsteekt: “Het gaat ons om Duitsland, […] dat in het land waarvan wij het uniform dragen, en waarvoor wij bereid zijn te creperen, waarachtig en rechtvaardig recht wordt gesproken. Dat dit geliefde land niet ten onder gaat, terwijl het meent op te stijgen, dat onze moeder Duitsland niet aan de verkeerde kant terechtkomt. Want wie het recht laat varen, is verloren.” Het zijn — met de benefit of hindsight — belangrijke waarschuwende woorden in een roman die in 1927 verscheen. Verpleegster Sophie koppelde haar betrokkenheid bij het lot van Grisja daarentegen juist los van dat van Duitsland: “Haar hart hunkerde naar rechtvaardigheid, maar niet omdat het ging om landen en mensen, maar omdat de ziel die binnen in haar leefde en klopte, en het goddelijke waaruit die voortsproot, niet kon leven en ademen waar onrecht de boventoon voerde.” Zo laat Zweig uiteenlopende morele perspectieven zien. Hij pretendeert als auteur niet de wijsheid in pacht te hebben, maar nodigt uit tot overdenking. De kwaliteit van deze roman schuilt onder meer in haar subtiliteit.
Grisja’s pleitbezorgers ten spijt, de ene na de andere reddingspoging lijdt schipbreuk. Schieffenzahn is onwrikbaar: Befehl ist Befehl. Het verhaal leest dan ook als een aanklacht tegen de Befehl ist Befehl-mentaliteit die menselijke waarden uit het oog verliest (en uiteraard niet alleen is voorbehouden aan de Duitse cultuur); Zweig is hoe dan ook kritisch over de regelzucht van de Duitser, die de oorlog denkt te winnen met zijn verordeningen, bevelen en plakkaten. Het afsluitende hoofdstuk is veelzeggend. Daarin is de naar zijn verlof snakkende korporaal Schacht, de bewaker van Grisja, afhankelijk van de bereidheid van de treinmachinist om van de dienstregeling af te wijken en de al vertrekkende locomotief te stoppen om Schacht aan boord te laten klimmen. De locomotief stopt in weerwil van de dienstregeling, waar Schacht zelf had geweigerd van regels af te wijken teneinde een door luitenant Winfried bedachte vluchtpoging voor Grisja mogelijk te maken. Befehl ist Befehl.
De waanzin van de oorlog is een ander belangrijk thema in deze prachtige roman. Niet alleen de tijdelijk aan zijn krijgsgevangenschap ontsnapte Grisja, maar ook zijn Duitse bewakers zijn oorlogsmoe. “Europa kreunde, bloedend uit talloze wonden, hoopte schroomvallig op een spoedig einde van dit lijden, bad met honderdduizend onhoorbare stemmen om verlossing uit zijn ellende. De simpele instinctieve wijsheid van het volk wist, alle zeer verstandige overwegingen en politieke sluwheden ten spijt, dat die vrede die het snelst gesloten werd de beste was voor alle partijen.” (152) De boodschap van deze roman is wat dat betreft vergelijkbaar met het werk van de Engelse oorlogsdichter Wilfred Owen.
In De strijd om sergeant Grisja gaat de sympathie uit naar de onderste sociale ‘laag’ in de oorlog: de gewone manschappen, de krijgsgevangenen en de plaatselijke bevolking. Zij hebben het meeste te lijden onder de oorlog en de uitbuiting. De kameraadschappelijke omgang tussen Grisja en zijn Duitse bewakers komt voort uit wederzijds begrip en solidariteit: “Het waren [in de ogen van Grisja] geen slechte mensen. Hij kende ze allemaal; ze waren niet goed en niet slecht, maar ieder van hen had het in zich om op een gegeven moment juist te handelen. De handen van hun superieuren lagen om hun nek en daar waren ze doodsbang voor, veel banger dan voor zo’n daad, het vermoorden van een medemens. En dat deden momenteel twintig miljoen mannen, en vierhonderd miljoen mannen en vrouwen vonden dat prima, helemaal in orde, vanzelfsprekend.” (312) In het verlengde hiervan is tevens duidelijk dat Zweig sympathie koestert voor het opkomende socialisme, in de roman vooral vertolkt door de schrijver Bertin (130). “De landenverslinder heeft gewapende proletariërs nodig, maar die noemt hij legers, hoewel ze weinig tot niets te maken hebben met de legers in eerdere stadia van de Europese geschiedenis. De gewapende proletariër moet bang gehouden worden voor zijn superieuren, dat noemen ze discipline, en omwille van de discipline worden onschuldige mensen doodgeschoten.”
In literair opzicht is De strijd om sergeant Grisja van een grote schoonheid. Zo is Grisja’s droom over de soldatenhemel — “of misschien de soldatenhel; waaraan zag je het verschil…” — werkelijk prachtig geschreven (322-323). Mooi is ook hoe Zweig met zijn literaire lens in- en uitzoomt. Op de eerste bladzijde wordt het startpunt gevormd door de wijdsheid van het universum om vervolgens snel af te dalen tot niveau van een man bij een boom in een winters bos— Grisja. Later zoomt Zweig juist weer uit: “Ze zwegen, wikkelden zich in hun dekens en lagen dicht naast elkaar om warm te blijven, als de poppen van een griezelig grote vlinder; ze voelden dat ze nog leefden en niet alleen waren onder de maan, die haar smalle rode hoorn in het oosten tussen de nevels liet hangen. In de verte klonk gehuil, misschien van een wolf, misschien van een hond op een onzichtbare hofstede, en met geluidloze vleugelslagen cirkelde boven het kamp van de slapers met het gloeiende vuur de jagende grote uil. Hoog in de hemel beschreven de sterren flonkerend en imposant hun baan.” (71)
Is het verhaal van Grisja waargebeurd? Arnold Zweig werd in 1887 geboren in Glogau (tegenwoordig in Polen) in een gematigd religieus Joods gezin. Opgeroepen voor dienstplicht in de Eerste Wereldoorlog vocht hij bij Verdun in 1915 (in de roman diverse keren gekenschetst als een zinloze slachtpartij). In 1917 werd hij overgeplaatst naar de staf van Ober-Ost in Kovno (Litouwen). In Kovno hoorde Zweig over de lotgevallen van een Russische krijgsgevangene, waarmee de kiem werd gelegd voor De strijd om sergeant Grisja.
De roman verscheen voor het eerst in feuilletonvorm in 1927 en markeerde de doorbraak van Zweig als grote Duitse auteur (ongeveer tegelijkertijd met Erich Maria Remarque die in die tijd Im Westen Nichts Neues publiceerde). In 1933 moest Zweig onder druk van de Nazi’s Duitsland echter verlaten; hij emigreerde naar Palestina. Na de Tweede Wereldoorlog verkoos Zweig een terugkeer naar de DDR boven een verblijf in het westen. In de DDR, waar hij leefde tot aan zijn dood in 1968, werd hij als schrijver gevierd, maar in West-Duitsland werd zijn werk genegeerd. De Koude Oorlog zat nog in de weg. Pas vanaf de jaren tachtig kreeg Zweig als schrijver in heel Duitsland opnieuw de waardering die hem op grond van zijn werk toekwam. Er is wat mij betreft geen twijfel mogelijk: de strijd om sergeant Grisja is een nog altijd actueel meesterwerk.