Terwijl buiten de Tweede Wereldoorlog woedt, droomt de eenzelvige Modest Dams van een leven als groot kunstenaar. Maar hoe te schilderen in deze barre tijden? Wanneer hij tegen zijn zin betrokken raakt bij het verzet, slaat de angst toe. Hij verlaat zijn vrouw en pasgeboren kind en duikt onder. Het blijken cruciale maanden voor zijn verdere bestaan als kunstenaar. Een distel in bloei is losjes gebaseerd op het leven van schilder Jan Vaerten, van wie vergeefs werd voorspeld dat zijn werk moeiteloos overeind zou blijven. Op weergaloze wijze schetst Bart Meuleman de bloei, het hoogtepunt en de neergang van een ploeteraar die boven zichzelf uit probeert te stijgen.
Zo’n eeuw geleden was William Gerhardie de ongekroonde koning van de Britse literatuur. ‘Ik heb talent, maar jij bent geniaal,’ smeerde Evelyn Waugh de man stroop om de mond. H.G. Wells, Anthony Powell en Graham Greene vielen hem daar graag in bij. Alleen werd het na een paar fel geprezen romans heel stil rond Gerhardie. Hij schreef nog amper, publiceerde niets meer en verzonk de laatste veertig jaar van zijn leven in armoede en vereenzaming. William Boyd baseerde Logan Mountstuart op hem in zijn roman Any Human Heart. Iets gelijkaardigs doet Bart Meuleman in Een distel in bloei, maar dan met Jan Vaerten, ooit een gevierde schilder, die het twee keer tot in het Belgisch paviljoen op de Biënnale van Venetië schopte, maar die in de jaren vijftig uit de gratie viel en tot zijn dood in 1980 in Beerse zat te verkommeren. Net zoals Boyd schreef Meuleman een roman, en fictionaliseert hij zijn hoofdpersonage, tot Modest Dams. Dams is - hoe zou het anders kunnen bij Meuleman? - een kind van de Kempen, iemand die opkijkt naar Schiele en Munch en in tegenstelling tot zijn leermeester niet zoveel op heeft met de traditie van Dürer en Rembrandt, of met Permekes kleurenpalet wat dat betreft. ‘Dat is wat ik zie als ik mijn gat afkuis’, aldus de man. Nieuwe tijden smeken om een nieuwe schilderkunst, meent Dams. En dat de tijden nieuw zijn, zal hij geweten hebben, want Meulemans’ roman begint met de Duitse bezetting tijdens WO II, waarna hij naar een dieptragische finale toewerkt: Dams op het einde van zijn leven, alleen in zijn koude huis in Beerse bezig met het opstoken van zijn oude etsen en fabulerend over zijn verzetsverleden. Meesterlijk wat Meuleman hier doet, net zoals in de grandioos grappige passage die op de Biënnale van 1948 speelt, een knipoog naar het werk van Gerhardie, Powell en Waugh. Dams is op sleeptouw genomen door Edy Mesens, een soort Jan Hoet avant la lettre, die hoog opliep met het werk van René Magritte. Hij is overweldigend, flamboyant, zelfingenomen en uiteindelijk ook wel wat irritant, maar hij stelt Dams wel voor aan Peggy Guggenheim en toont hem werk van Rothko en Pollock. ‘Dit is de toekomst,’ voegt hij eraan toe, ‘maar wat ik ervan moet denken weet ik nog altijd niet.’ Veel problematischer zijn de 200 pagina’s die ervoor komen, die in grijze kleuren en een overdaad aan kunsthistorische details blijven hangen en die al te schatplichtig zijn aan Jeroen Olyslaegers’ Wil en Tom Lanoyes De draaischijf. Of misschien net niet, maar valt er gewoon niet veel origineels meer te melden over bezetting, collaboratie en verzet. Meuleman probeert aan die gewenning te ontsnappen door ieder hoofdstuk op te hangen aan een schilderij van Dams, maar ook die systematische aanpak wordt na een tijd voorspelbaar.