Schitterend geschreven roman. Een roman die ‘antimaterie’ is tegen sombere denkers dat literatuur aan het uitsterven is. Een feest van taal en ideeën. Banville laat met dit boek zien dat de literaire roman een unieke vorm is waarin ideeën en taal, en ideeën in taal in vrijheid kunnen worden verkend; en dat men tegelijkertijd van die verkenning kan genieten, in een ervaring van schoonheid. Terwijl dit boek niet persé een mooie boodschap heeft. Dé grote vraag die dit boek ons stelt is of het allemaal zin heeft, ons geploeter en gezwoeg - we willen graag dat onze levens betekenis hebben, maar klooien we niet allemaal maar wat aan, klungelend van impuls naar toevalligheid, iedereen opgesloten in zijn eigen werkelijkheid? Zijn we niet net als dieren, miljoenen parallelle singulariteiten?
Wat kunnen we zeggen over deze knappe en tegelijkertijd vreemde roman die leest als een koortsdroom van een van zijn verwarde personages? In de woorden van zo’n personage: “Maar hoe moet je beginnen te zeggen, met enige overtuiging, met enige zekerheid, wat dit ding is? Is het fictie, fantasie, een droomverslag? Was het geschreven door de schrijver voor eigen vermaak, om zijn perverse voorliefde voor het ongerijmde en ongepaste te prikkelen, of had hij een duisterder doel voor ogen?”
“‘Alles komt goed,’ hoorde ik mezelf mompelen, waarna ik even zweeg om een bierboertje in mijn vuist te dempen, ‘ja, alles zal goed komen met de wereld.’
Adam keek me onderzoekend aan en vroeg zich duidelijk af of deze aforistische uiting bedoeld zou kunnen zijn als een duistere grap.
‘Denkt u?’ vroeg hij voorzichtig.
‘Nee, natuurlijk niet,’ zei ik snibbig, en ik voelde mijn voorhoofd rood worden. ‘Het is gewoon iets doms wat iemand ooit zei.’”
Aantekeningen voor mezelf gemaakt. Eén grote spoiler.
Hoofdpersoon één vergelijkt zijn verblijf in de gevangenis als dat van een embryo in een baarmoeder. Dat maakt zijn vrijlating tot een (weder)geboorte. Hij noemt de wereld buiten de gevangenis de “zogenaamde realiteit” en ziet zichzelf als “antimaterie” om die realiteit, “de materie van de wereld zoals hij die heeft gekend”, op te heffen. “De gevangenis had de overvloed aan dingen weggeblazen, maar nu werd hij teruggegooid midden in de warboel. Er was gewoonweg te veel van alles - kijk maar eens! - auto’s, huizen, winkels, verkeerslichten, platanen (…). Te veel, veel te veel. Zijn hart sidderde.” “Waar hij het meest naar verlangt is niet te zijn, of te zijn en toch niet, beide tegelijk. Bovenal om weg van het gekakel te zijn, het onophoudelijke, verdovende gekakel altijd en overal om hem heen, zelfs in Arden, een plek die verzonken ligt in eenzaamheid.” “Wat hij de laatste tijd voelt is niet het voelen zelf maar het gevoel van hoe voelen voelt.” De man geeft zichzelf een nieuwe naam: Felix Mordaunt. Later lezen we dat hij ooit Freddie heette. Mordaunt had een dienstmeisje vermoord dat hem betrapte bij het stelen van een duur schilderij in het landhuis waar een klasgenootje woonde met wie hij naar bed is geweest. “Als Adam Godleys Brahmatheorie klopt, (…) dan is ergens in de wirwar van oneindige mogelijkheden het arme schepsel dat Mordaunt vermoordde niet gestorven en is hij onschuldig.” Kortom, het had ook anders kunnen lopen, als zijn leven niet de toevallige en impulsieve wending had genomen van de diefstal en de niet-beoogde moord die daar weer uit voortkwam.
Dier
Hoofdpersoon keert terug naar het huis waarin hij was opgegroeid: Arden House, vroeger Coolgrange geheten. Met gemengde gevoelens. Zou het huis zijn veranderd, evenals hijzelf? Zoekt Banville hiermee naar de relatie tussen de (uiterlijke) objecten in de wereld en onze (innerlijke) representatie of beleving daarvan? Als de huidige bewoonster hem voor het eerst ziet, denkt ze eerst met een dier van doen te hebben.
God
Banville laat zijn verhaal deels vertellen door een alwetende verteller buiten het verhaal. “Wie is hier aan het woord? Ik, een kleine god; de grote goden zijn met de noorderzon vertrokken.” “Zie hoe mijn gevleugelde helm glimt in het ochtendlicht.” Mercurius? Deze god van dit verhaal, de verteller, trakteert ons op gezette tijden op commentaar. Zoals hier: “Ach, hoe de tijd ze aantast, de stervelingen, hoe ze door de jaren slijten, verslijten.” Het geheel voelt aan als een toneelstuk, enigszins absurdistisch, grappig ook, of gevat; en vilein. Niet voor niets is één van de hoofdpersonen, Helen Godley (de vrouw van de laatste nazaat van de tweede eigenaar van het huis, Godley) een actrice in ruste. Niemand in het verhaal ziet deze mindere god, behalve de hond: “Hij (de hond, red.) kijkt me boos aan, de enige van hen die me kan zien.” Af en toe laat Banville een personage commentaar leveren op zijn stijl, even gevat als die stijl zelf: “Tjonge, wat een stamppot van metaforen.” Hahaha. Tegen het eind van het verhaal laat Banville zijn kleine god zeggen: “(…) als een god, want natuurlijk is hij een god, hij is mij, zoals ik hem ben, want ze zijn allemaal mij en van mij, mijn verzonnen wezens (…).” Uiteindelijk is vanzelfsprekend Banville zelf de échte god van dit verhaal.
Tweede verhaallijn
De god-verteller vertelt dus de verhaallijn over de vrijgelaten gevangene Mordaunt. Een tweede verhaallijn, over het personage William Jaybey, een historicus uit Arcadië die een biografie gaat schrijven over de fictieve wetenschapper Adam Godley, wordt verteld vanuit de biograaf zelf, in de ik-vorm. De twee verhaallijnen komen bij elkaar in het huis waar zowel Mordaunt als Godley hebben gewoond. De biograaf strijkt er neer om zijn biografie te schrijven, Mordaunt is er ingetrokken na zijn vrijlating uit de gevangenis. Banville beschrijft Jaybey zoals Houellebecq zijn hoofdpersonen beschrijft, als een lamlendige en neerslachtige loser (“stoffige ouwe vent die ik ben, met mijn buikje en mijn halskwabben, mijn tics en getril”) die nergens meer voor warmloopt behalve voor vrouwen. Zelfs als biograaf deugt hij niet: “Je bedoelt te zeggen dat je het niet wist van het meisje (…). Wat ben jij nou voor een biograaf.” Jaybey is hoteldebotel voor de mooie maar voor hem onbereikbare Helen. Hij spreekt over Helen als “mijn halfzus Helena, dochter van Leda”; ziet dit personage zich als de halfbroer van een halfgodin? Kastor, Pollux? “(…) schudde het gouden stof van Arcadië van mijn gevleugelde hielen (…)” - nu weer Achilles? En hij is hopeloos verliefd op haar… ??? Het is overigens niet Jaybey met wie Helen uiteindelijk vreemdgaat, maar Mordaunt.
Het huis
Het huis, Arden House, voorheen Coolgrange, is in verval. Het wordt bewoond door Adam Godley jr. en zijn beeldschone vrouw Helen. Mordaunt is in bijgebouwen ingetrokken bij dienstmeisje/vrouw Ivy Blount. De biograaf woont, researcht en schrijft in de torenkamer waar de oude Godley aan zijn revolutionaire theorie werkte. Jaybey in de voetsporen van Godley sr., Mordaunt in die van hemzelf. Mordaunt en Ivy zitten elkaar danig in de weg, treiteren elkaar zelfs. Op een avond “(…) zei hij dat ze net zo goed met elkaar getrouwd zouden kunnen zijn, zo grondig verafschuwden ze elkaar.” Hahaha.
Troje
Veel verwijzingen naar de Griekse mythologie - Helena, Mercurius, Achillis, Paris - hebben te maken met de Trojaanse oorlog tussen Griekenland en Troje, waarvan de mooie Helena de oorzaak was. “(…) alsof haar passagier een held was die aan zijn publiek moest worden getoond, een legerleider die terugkeerde van een nog smeulend Troje (…)”. In Arcadië zijn straatnamen aan Troje ontleend: Paris Street, Hellenic Bay. Helena heeft haar zoon, die als kind overleed, Hercules genoemd.
God sr.
We maken kennis met Adam Godley sr. (let op de naam!). Een gevierd professor die voor het eerst zou hebben aangetoond “(…) dat het oneindige zijn grenzen heeft, en bovendien dat onze oneindigheid er slechts één van een oneindigheid aan oneindigheden is. Dat was, en is, in elk geval hoe ik een theorie begrijp die zo’n eigenaardige en verwoestende invloed op onze arme oude onschuldige planeet heeft gehad.” De Brahmatheorie. “En laten we eerlijk zijn, hij was een verschrikkelijke kerel.” Aan het woord is William Jaybey, biograaf van deze Godley. Die noemt hem “een speculatief genie”. Er zit sowieso een scifi-randje aan deze roman. Zo laat de biograaf zich “door een vacuümtrein van de westkust naar het oosten schieten” waar hij aankomt in “Nieuw-Amsterdam”, Nie Ams, voorheen New York, een stad vol vooroverhellende “scrapers” (hoge gebouwen, red.), heroverd door de Hollanders en deels kapotgeschoten in één of andere oorlog. Het vliegtuig is achterhaald. Even later lezen we over een universeel verbod op godleyaanse meetkunde en geruchten dat de knapste professoren in coma zouden zijn gebracht om hun “catastrofale overpeinzingen te onderdrukken”. Kopernikus en Darwin zijn vergeten, auto’s rijden op bewerkt zeewater.
Singulariteiten
“Misschien verbeeldt hij het zich, misschien is het een waanidee, iets wat in zijn geest en niet in de wereld gebeurt.” Is et een werkelijkheid buiten ons bewustzijn, of creëert ons bewustzijn de werkelijkheid. Filosofen breken hun taalkundige vermogens over deze vraag; Banville laat hem door de kleine god beantwoorden: “(…) er zal altijd iemand of iets zijn om zijn val (een boom in het bos, red) op te merken, al was het maar een vos, een muis, een rondworm, of gewoon de lucht zelf (…).” Vml gevangene Mordaunt kijkt met verwondering naar de wereld die hij buiten de gevangenis aantreft. Alles is hem vreemd en hij is verward; hij heet niet eens Mordaunt, hij heeft die naam bij zijn vrijlating verzonnen. Hij denkt over het terugdraaien van de tijd en waar dat dan eindigt: “Een reeks singulariteiten, oneindig kleine punten met een oneindige massa die op het punt staan uit elkaar te barsten, en van ons is er in de verste verte nog geen sprake.” Eén van de bizarre ideeën in dit boek, afkomstig van het personage Adam Godley Sr., is dat het begrijpen van de wereld, dat kennistoename over de wereld, rechtstreeks, maar in tegengestelde richting, op de wereld inwerkt, als het ware er een donker gat in maakt: “(…) hij (Mordaunt, red.) had geleerd dat Godley liet zien dat alleen al door er op bepaalde gespecialiseerde manieren over te speculeren, we gestaag de wereld aan het uitputten waren.” “(…) hij voelde dat hij een van de weinigen was die wakker waren, of misschien was hij als enige wakker, in deze kudde van slaapwandelaars.” Enige grootheidswaanzin lijkt deze Mordaunt niet vreemd. “Hij wil inzicht, uitleg. (…) Waar is zijn wereld gebleven? Hij zou een onderzoek op kunnen zetten, maar hoe stel je de vragen, hoe voer je het kruisverhoor uit - hoe, en aan wie stel je de vragen? Hij zit, kortom, nog steeds opgesloten en kijkt van binnen naar buiten.” Schizofreen, bipolair, denk je dan, of iets anders in die richting misschien? Of is Mordaunt zoals wij allemaal: opgesloten in onszelf? “Hij voelde hoe zijn geest de grip op de dingen losliet, alsof hij op weg was om in slaap te vallen. Het verdomde Godley-effect weer?” “Dit was de plek waar hij nog maar een maand of twee geleden door iets als zijn eigen spiegelbeeld was gestapt en deze andere wereld vol spiegels en doolhoven was binnengegaan. (…) De afdaling naar Avernus is gemakkelijk, zoals we weten, maar probeer maar weer eens terug te komen, dan merk je het wel.” Avernus is een oude vulkaan bij Napels, nu een meer, Lago d’Averno bij Pozzuoli, in de Aeneas van Virgilius beschreven als de toegang tot de onderwereld. “Dus dacht hij op zijn schreden terug te keren in de hoop daarmee de tijd terug te kunnen draaien.” Terug naar singulariteiten. Zijn wij als singulariteit een enorm dichte eenheid potentieel en is het de uitbarsting die de brokstukken daarvan op de meest toevallige en impulsieve plekken doet neerkomen en met andere in botsing doet komen, in een levenslang durend proces van verval? Dit lijkt mij de boodschap van Banville over het menselijke bestaan:
De biografie
Deel 2 van het boek is een deel van de biografie van Jaybey over Adam Godley sr.. we lezen over dat Godley in Arcadië woont waar hij werkt aan zijn Brahmatheorie als hij halverwege 30 is. We lezen een curieuze mengeling van feiten en duiding, inclusief meer of minder serieus bedoelde voetnoten, verwijzingen naar fictieve bronnen en niet-bestaande figuren. Het beeld dat ontstaat is dat van een manipulatieve, egomane, ijdele rokkenjager. Naar zijn vrouw schrijft hij brieven dat hij wanhopig is en zelfdoding overweegt, naar anderen toont hij zich beheerst en hooghartig. Hij ontmoet er Anna Behrens die dan halverwege 20 is. We lezen over de afkeur van toegepaste wetenschap in de vorm van technologie: “Technologie is voor wetenschap wat kitsch is voor kunst.” Hahaha. In de biografie wordt gesproken over een collega van Godley sr. aan de Universiteit van Arcadië, ene Freddie Montgomery, “de aspirant-wiskundige en toekomstig moordenaar” die zijn vrouw en kind verloor door een auto-ongeluk - inderdaad, een beschrijving van onze bekende Mordaunt… Later zal Mordaunt in het huis van Anna Behrens een schilderij proberen te stelen en daarbij Anna’s zusje die hem betrapt om het leven brengen. zo grijpt dit verhaal in elkaar, als een reeks impulsieve en toevallige ontmoetingen, gebeurtenissen en botsingen tussen levens.
Brahmatheorie
Eén van de grote mysteries uit dit boek is de Brahmatheorie van Adam Godley sr. Banville laat Jaybey deze theorie omschrijven als “wereldschokkende publicatie” en “oogverblindende herformulering van de fundamentele aard van de werkelijkheid”. Deze theorie heeft in dit verhaal een enorme impact gehad op de wereld, zoals een hausse aan zelfdodingen, oorlog en verval van technologie. Met telkens een klein beetje informatie ontvouwt Banville de bizarre fictieve theorie, maar nooit helemaal. Het lijkt erop dat de theorie zowel het bestaan van meer dan één werkelijkheid en wereld bewijst als ook het einde van déze werkelijkheid. Kortom, het zou zinloos zijn om nog veel te investeren in deze werkelijkheid want die eindigt en by the way door te overlijden open je de mogelijkheid om over te stappen naar een parallelle andere - zoiets. Het artikel waarin de theorie werd gepubliceerd was “Over singulariteiten en de spleten van de wereldlijnen.” Godley had een heel eigen wiskunde opgesteld, metawiskunde, om zijn theorie te onderbouwen, waardoor vrijwel niemand het begreep. Banville laat dit allemaal open, de theorie zelf is niet zijn hoofdboodschap.
Hoop?
Af en toe gloort er een sprankje hoop in dit toch wel duistere boek: “Zelfs in de ergsten onder ons zit er een spleet waardoorheen het onschuldige en bange kind naar buiten gluurt, dat weet ik.” Maar meestal is dit verhaal nogal hopeloos:
“Binnenkort ga ik dood, dacht hij, en hij voelde niets. Dan was hij misschien beter af. Alles achter de rug, nergens zijn - was dat niet waar hij in zijn hart altijd naar had verlangd?”
“Mensen. Hun cirkelbanen ontlopen elkaar, hun oppervlakken raken elkaar niet. Ze zijn net zo ver van elkaar verwijderd als de verste galactische nevels.”
“Ik ben mezelf niet, dat is een feit, ik ben helemaal mezelf niet op dit moment. Maar wanneer ben ik ooit mezelf? Wanneer is wie dan ook ooit zichzelf geweest?”
“Jezelf zijn, met al die ambiguïteit die dat jezelf zijn met zich meebrengt, dat is wat moeilijk is.”
“Feiten, zogezegd, zijn de kopspijkertjes die een leven bij elkaar houden, de vorm ervan, bedoel ik. Godley’s leven; mijn leven; uw. (…) En als het niet echt de feiten zijn, maar slechts een interpretatie? Nou, wat maakt het uit?”
“‘Eerst droom ik, dan denk ik’, zoals een van zijn beroemde uitspraken luidde.”
“Zijn stappen waren nutteloos, zijn route willekeurig, of zo leek het althans.”
“Wat te doen, hoe te leven, of eenvoudiger, hoe te bestaan. Want hij heeft lang geleden het leven opgegeven, nee, het leiden van het leven, het vitale leven zelf.”
“Wat is het toch iets vreemds, dacht hij, de zaken die mannen en vrouwen zo wanhopig met elkaar afhandelen.”
“Ik denk soms dat mijn hele leven niet méér is geweest dan een aaneengesloten reeks van dingen die ik verkeerd heb gehoord en begrepen en de vervelende gevolgen die daaruit voortvloeiden.”
“‘Je bent gek,’ schreeuwt hij tegen haar, ‘zo gek als een deur!’ Alsof dat nieuws voor haar was.” Hahaha.
“‘Om in leven te zijn te midden van zoveel dood!’ zei de oude Adam opgewekt.”
“De engel die hem vanaf het begin had gehinderd, zich aan zichzelf had doen twijfelen en aan de dingen die hij moest doen (…). Altijd was hij daar, de engel van mislukking, van sterfelijkheid en verdoemenis.”
“De onzin van het leven vind je overal; dat is gewoon zo.”
Griekse mythologie, literaire verwijzingen en moeilijke woorden
We komen in dit verhaal op veel plekken verwijzingen naar Griekse mythologie tegen. De ‘kleine god’ die een deel van het verhaal vertelt natuurlijk en die mogelijk Mercurius is met zijn glanzende helm met vleugels erop; maar ook Avernus, de toegang tot de onderwereld; Helen, Helena, de mooie vrouw van Adam Godley jr.; Hercules, de naam die Helena geeft aan haar zoon; de Olympus wordt genoemd in relatie tot Godley sr. - is hij Jupiter zelf, of eerder een moderne Prometheus? Arcadië, de plaats waar Bill Jaybey aan de universiteit een luizenbaantje heeft, verwijzend naar een paradijselijk utopisch land, in oude mythologie gesitueerd op het Griekse schiereiland Peloponnesos. De Paris Bar, vernoemd naar Paris de echtgenoot van Helena. Naast mythologische verwijzingen, gebruikt Banville de nodige moeilijke woorden, zoals Mnemosyne, haecceitas, zygoot, catamite, stratus, cumulus, cumulonimbus, barkentijn, creosootolie, spiritus perniciosus, epitheton, arcanum, perihelium, orbit, aphelium, ausculteren, liminaal, pusillanimitas … en verwijst hij naar andere klassieke literatuur, zoals Prospero, Ophelia en Hamlet (Shakespeare), Hedda en Torvald (Ibsen), Swan (Proust). Dit doet vermoeden dat er meer verwijzingen zijn, maar je moet ze maar opmerken…