In Groene Supermacht krijgt de lezer een inkijkje in de boeiende klimaatdiplomatie in Brussel, waar Diederik Samson een aantal jaren onderdeel van is geweest. Van de Green Deal, waarin Samson en Frans Timmermans een sleutelrol speelden, tot aan verschillende succesvolle en mislukte klimaattoppen. Een bijzonder intrigerende anekdote gaat over een top waar na dagenlange onderhandelingen een select groepje wereldleiders, met Obama als middelpunt, op de laatste dag plotseling een deal sloot in een achterkamertje. Obama zat al in het vliegtuig om het resultaat te vieren, terwijl de kleine landen nog niets hadden kunnen inbrengen. Dat leidde bijna tot het klappen van de afspraken.
Wat ook interessant is, is dat tijdens het opstellen van de Green Deal in 2019 idealen, klimaatambities en het streven naar een betere wereld de belangrijkste drijfveren waren. Economische toekomstbestendigheid, het idee dat een duurzame economie ook een sterke economie is, werd toen vooral gezien als een welkome bijkomstigheid.
Vijf jaar later, in het Draghi-rapport uit 2024, is de toon bijna omgedraaid. Economische toekomstbestendigheid, strategische autonomie en geopolitieke weerbaarheid staan nu centraal. Duurzaamheid en groene innovatie worden vooral gepresenteerd als voorwaarden om competitief te blijven ten opzichte van de Verenigde Staten en China.
Waar ik Samson een beetje kwijtraak in zijn redenering, is in het hoofdstuk over duurzaamheid en economische groei. Hij stelt dat krimp geen realistische optie is: niet met onze huidige voorzieningen, niet binnen de politieke realiteit en niet met een mensbeeld dat volgens hem altijd gericht blijft op vooruitgang. Maar in dat betoog rekent hij vooral af met een idee waar hij zelf ooit in geloofde, zonder echt overtuigend te laten zien dat structurele ontkoppeling tussen groei en milieu-impact wel haalbaar is. Zijn optimisme over elektrische mobiliteit en groene innovatie houdt weinig rekening met de grondstoffenketens, de mijnbouw en de geopolitieke afhankelijkheden die zo’n transitie mogelijk moeten maken. Daardoor voelt zijn kritiek op degrowth steviger onderbouwd dan zijn verdediging van groene groei.
Ironisch genoeg komt zijn visie uiteindelijk dicht in de buurt van de donuteconomie: groeien kan volgens hem, maar alleen binnen ecologische grenzen. Tegelijkertijd schuift hij diezelfde donut eerder in het boek vrij gemakkelijk terzijde. Daarmee blijft voor mij de centrale vraag van Groene Supermacht openstaan: kan Europa de wereld echt verduurzamen met vooral technologische oplossingen en economische concurrentiekracht? Samson gelooft duidelijk van wel, maar ik ben nog niet helemaal overtuigd.