Voorjaar 1978. Voor de laatste maal bezoekt de schrijver Quentin Bell Charleston, het boerenhuis op het Engelse platteland waar hij vijftig jaar geleden is opgegroeid. Ooit was Charleston `een schilderij om in te wonen , vol kunstenaars, vrijdenkers en kinderen, met hun werk, hun avonturen, hun wonderlijke liefdes. Nu is het een huis in verval met nog maar één bewoner: de stokoude schilder Duncan Grant. Maar ook Duncan zal vertrekken en dan is er niemand meer, dan zijn er alleen nog de verhalen, de herinneringen. Quentin besluit die verhalen op te schrijven, opdat nooit vergeten zal worden wie zij waren, de eigenzinnige bewoners van dat paradijs op aarde.
Aan het tempo van het lezen van deze trilogie te zien heb ik erg genoten. Een kleurrijke, onconventionele familie met een rijke geschiedenis beschreven vanuit een bedachtzame jongen/man. Dit derde deel is door de tijd die zijn tol eist wat treuriger dan deel een en twee. Desalniettemin heb ik genoten van de nostalgie en was het einde fijn.
Het was een heel mooi boek, maar niet zo mooi als de andere twee over de Bloomsbury groep. De personages fascineerden me weer en Rindert Kromhout zorgde met de opbouw ervoor dat ik het boek heel snel uitlas, omdat er steeds open plekken waren en nieuwe mensen beschreven werden. De stukken die zich in het vertelheden afspeelden voelden af en toe wel een beetje onwennig en in het begin werden alle familiebanden met veel nadruk en herhaling uitgelegd - zodat je het ook zonder de eerste twee delen kan lezen - en dat stoorde het verhaal een beetje. Ik heb Vertel me wie wij waren met veel plezier en bewondering gelezen, maar het greep met toch niet zo naar de keel als Soldaten huilen niet.
Ik vond dit einde van het drieluik mooi, het heeft een echt einde. Het boeide me iets minder dan de andere twee delen. Het slot is het allermooist,want de melancholie wordt omgezet in een nieuw begin, het huis zoals het was blijft bestaan! Ik wil zelf ook eens Charleston bezoeken! http://www.charleston.org.uk/ Ik vind deze boekenreeks, zeker dit laatste deel, eerder een boek voor volwassenen dan voor jongeren.
Beter dan het tweede deel, naar mijn aanvoelen. De anekdotische stijl werkt voor mij al verloor, in het verhaal van Grace, de dialoog wat aan ritme. Een waardig slot van een sfeervolle trilogie. Als ik niet beter zou weten, zou ik begot een boek van Virginia Woolf uit het rek nemen (maar ervaring leert dat dat niet m'n ding is).
Een treinrit naar Amsterdam en een vrije namiddag daar zorgden ervoor dat ik dit dunste deel van de trilogie op één dag kon uitlezen. (En dus op tijd voor de lezing 's avonds over Virginia en Leonard Woolf georganiseerd door uitgeverij HetMoet waar ook Rindert Kromhout te gast was, heel interessant!)
Een andere opbouw deze keer, met herinneringen van Duncan Grant en aandacht voor enkele nevenpersonages uit de vorige boeken om zo hun belang voor de kinderen Bell aan te tonen. En veel verwijzingen naar andere literaire werken en kunstenaars. Het geeft meer zin om klassiekers te lezen en naar kunst te gaan kijken :-)
Quote: "Schrijvers zijn onzichtbare mensen die anderen observeren en hopen dat die anderen spannender zijn dan zijzelf, zodat ze erover kunnen schrijven. Raad eens van wie ik die wijsheid heb. ... 'Was het Virginia?' 'Uiteraard was het Virginia, terwijl zij zelf het tegendeel van onzichtbaar was.'
Een mooie afsluiter - dit derde deel van de familie&vrienden van Charleston Farmhouse. RK is en blijft de fantastische verteller. Het leven van toen in het nu, komt tot een einde met het sterven van Duncan. Het 'huis' begint te leven in het nu...
Charlestontrilogie ✅. Deze laatste laat vooral zien waar de Bloomsburygroep vandaan kwam: de geschiedenis van de kleine uitgeverij Hogarth Press (die James Joyces Ulysses niet wilde/durfde uit te geven) en het ontstaan van het Charleston Museum. Mooi trio, maar lees vooral Soldaten huilen niet.
Literair misschien niet het sterkste boek, maar onderwerp geeft een prachtige kijk op het leven in Charleston, eigenzinnige mensen in puritijns en hurgerlijk Engeland een eeuw geleden. 3e van de 3 boeken hierover.
“Vertel me wie wij waren” vormt een schitterend sluitstuk van de Bloomsburytrilogie van Rindert Kromhout. Iedereen kwam doorheen de drie boeken aan bod, en dat is goed.
‘Vertel me wie we waren’ is het derde deel van de trilogie die Rindert Kromhout wijdde aan Charleston House, zijn bewoners en hun vrienden en familie… Quentin (Bell, jongste zoon van Vanessa Bell) bezoekt er Duncan Grant, die als laatste stand heeft gehouden in het langzaam vervallende huis, de dag voor ook hij er zal vertrekken. Het is 1978, Duncan is 93 en zal de volgende ochtend worden opgehaald door vriend Paul Roche die zich samen met zijn vrouw over hem zal ontfermen in wat zijn laatste maanden zullen blijken. Op 8 mei overlijdt Duncan Grant. ‘Nu was er niemand meer over van de mensen die mij hebben gevormd,’ laat Rindert Kromhout Quentin zeggen. ‘Nu waren alleen de verhalen er nog…’
In ‘Vertel me wie we waren’ dolen Quentin en Duncan, later vervoegd door Angelica, een laatste keer rond door Charleston House en wordt er wat ‘petite histoire’ uit de schaduw gehaald van de grotere verhalen die iedereen kent en die in ‘Soldaten huilen niet ‘ en ‘April is de wreedste maand’ aan bod kwamen. In ‘Vertel me wie we waren’ zien we Leonard en Virginia ‘knoeien’ met het eerste zetsel van hun Hogarth Press (en lezen we over hun weigering om Ulysses uit te geven), we delen Lady Ottoline’s verdriet om de dood van haar jonge minnaar (een verhaal dat door de soms toch wel gemene Bloomsburries tot vermaak van iedereen werd doorverteld en D.H. Lawrence de inspiratie bezorgde voor ‘Lady Chatterly’s Lover’), we leren de verborgen kant van huishoudster Grace kennen (‘Wie niet beter wist, dacht dat de wereld van Grace uit niet veel meer bestond dan de keuken van Charleston, de vloeren die ze boende, de ramen die ze zeemde en de bedden die ze opmaakte. Maar Grace’s wereld was veel groter, want ze las.’) en de bedoelingen van David Garnett (Duncans minnaar en grote liefde die vele jaren later met Angelica zou trouwen)… In de epiloog (‘Voorjaar 1986’) krijgen we het relaas van de restauratie van Charleston Farmhouse, dat dank zij de bezieling van kunsthistorica Deborah Gage en de intensieve medewerking van Quentin en Angelica ‘gered’ werd en sinds de opening voor publiek jaarlijks duizenden bezoekers mag verwelkomen.
Kromhout voegt ook weer een kleine literatuurlijst toe en hoewel er niets gaat boven het werk van Quentin zelf, dé chroniqueur van Bloomsburry, is ‘Vertel me wie we waren’ een mooie aanvulling bij deze trilogie. Wie de doelgroep niet uit het oog verliest (+14) krijgt op enkele uren tijd bij het lezen van deze drie boeken een mooi tijdsbeeld van een rijke, inspirerende periode. En wie tot de doelgroep behoort maakt kennis met interessante ideeën en belangrijke namen uit die periode: Virginia en Leonard Woolf, John Maynard Keynes, E.M. Forster, Lytton Strachey, Roger Fry, Clive Bell, Lady Ottoline Morell, T.S. Eliot…. en uiteraard Vanessa Bell en Duncan Grant. Je kan slechter krijgen als veertienjarige.
(Omdat de literatuurlijst beperkt is, graag een toevoeging: Quentin Bell’s memoires ‘Elders and Betters’, verschenen in 1995, kort voor zijn dood in 1996.)
Ja, leuk. Mooi inkijkje bij Bloomsbury groep, de kring rond Virginia en Vanessa Woolf. Verrassend perspectief (de kinderen van Vanessa), waardoor het verhaal heel persoonlijk wordt verteld. Een tikje langdradig, maar ik heb ervan genoten.
Het verhaal als karretje: Rindert Kromhout vertelt anecdotes en dingetjes die hij ontdekte en erg leuk vindt over Virginia Woolf en haar entourage. Het geluk is dat ik die dingetjes ook erg leuk vind. Maar als roman stelt dit niet zo veel voor.