Jump to ratings and reviews
Rate this book

Bevrijding: Dagboeken 1981-1987

Rate this book
In Bevrijding boekstaaft J.J. Voskuil de laatste zes van zijn dertig jaren op het P. J. Meertens-Instituut. Terwijl het Bureau in zijn dagboek geleidelijk naar het tweede plan schuift, treedt het infernale leven met Lousje op de voorgrond. Bevrijding is een ontluisterend portret van het huwelijk waarin hij gevangen zit, zonder enige ruimte voor zichzelf. Om overeind te blijven neemt Voskuil zijn toevlucht tot 'innerlijke emigratie'. Buiten zijn woning krijgt hij nog lucht, op fietstochten en wandelingen zonder Lousje. En bij zijn vriendin, die hij in het dagboek zo veel mogelijk buiten schot houdt en slechts zijdelings noemt. De kracht van Bevrijding zit in de filmische beschrijving van zijn leven, en in de meeslepende, dikwijls komische dialogen met zijn vrouw.

Kindle Edition

Published November 18, 2025

4 people are currently reading
2 people want to read

About the author

J.J. Voskuil

42 books60 followers
J.J. (Johan Jacob / Han) Voskuil (1926–2008) publiceerde in 1963 de 1207 pagina's tellende roman Bij nader inzien. Het boek, dat zowel een roman van een generatie als een psychologische roman is, gaat over een groep vrienden, studenten Nederlands in de periode 1946–1953, die een aantal jaren samen optrekken en in de traditie van Du Perron en Ter Braak discussiëren over leven, literatuur en politiek. Aan het eind van de roman moet de hoofdpersoon Maarten Koning, Voskuils alter ego, erkennen dat de vriendschap die er leek te zijn, niet meer dan een illusie was. Bij nader inzien werd in 1991 door Frans Weisz verfilmd voor de VPRO. De serie werd met drie gouden kalveren bekroond.

In 1996 keerden Voskuil en Maarten Koning terug in de kolossale roman Het Bureau die in totaal zeven delen telt: Meneer Beerta, Vuile handen, Plankton, Het A.P. Beerta-Instituut, En ook weemoedigheid, Afgang, De dood van Maarten Koning. De roman beschrijft het leven van Maarten Koning als medewerker van het Bureau: het Amsterdamse Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde. Kern van de roman is de vraag hoe mensen die dag in dag uit met elkaar moeten samenwerken zich tot elkaar verhouden.

In 2002 verscheen Requiem voor een vriend, waarin Voskuil voor het eerst zijn alter ego Maarten Koning loslaat. De hoofdpersoon van het boek is niet de schrijver zelf, maar Jan Breugelman. Het boek is een geschiedenis van een vriendschap, die haar oorsprong vindt op de middelbare school, vorm krijgt op de universiteit en in de jaren daarna steeds hechter wordt. In februari 2004 verscheen het eerste deel van de Voettochten: Terloops. Het bevat tien verslagen in dagboekvorm van wandelingen door Frankrijk. Het tweede deel, Buiten schot verscheen in 2005, en het derde en laatste deel, Gaandeweg, is in de zomer van 2006 verschenen. In maart 2007 verscheen Onder andere, een verzameling portretten en herinneringen. Voskuil overleed op 1 mei 2008 na een kort ziekbed. Postuum verschenen zijn romans Binnen de huid en De buurman en de essaybundel Ik ben ik niet, ingeleid door Detlev van Heest.

Ratings & Reviews

What do you think?
Rate this book

Friends & Following

Create a free account to discover what your friends think of this book!

Community Reviews

5 stars
3 (37%)
4 stars
5 (62%)
3 stars
0 (0%)
2 stars
0 (0%)
1 star
0 (0%)
Displaying 1 of 1 review
Profile Image for Hans Moerland.
560 reviews15 followers
December 2, 2025
Waarom geniet ik toch altijd weer zo van de dagboeken van J.J. Voskuil, van “Bevrijding” (het zesde deel alweer) net zozeer als van de voorgaande delen? Zijn stijl van schrijven speelt zeker een rol, evenals het tijdsbeeld dat uit de dagboeken oprijst. Zo leest men dat broer Jan begin 1984 zijn levenspartner Katrien voor haar verjaardag een computer cadeau heeft gegeven: “Wat ze ermee moeten doen, weten ze nog niet, maar ze denken dat hij misschien ook wel kan alfabetiseren. Dan hoeven zij dat niet meer te doen” (pp. 218-219). Maar ook de gedetailleerde beschrijving van alle wandel- en fietstochten die hij onderneemt, dikwijls samen met Lousje, mag er weer zijn, en niet te vergeten die van de steeds veelvuldiger onderlinge ruzies van het echtpaar Voskuil en de bijbehorende spanning en sensatie. En eerlijk gezegd beleef ik ook veel genoegen en leedvermaak aan de gêne die menige gebeurtenis, ontmoeting of situatie teweegbrengt.
Een andere factor die mijn waardering verklaart is gelegen in de herkenbaarheid die allerlei houdingen, handelwijzen, karakter- en andere eigenschappen van de dagboekschrijver voor mij persoonlijk hebben. Dat varieert van onhandigheid in technische kwesties (zoals kortsluiting, pp. 233-234) tot het optreden in bepaalde sociale aangelegenheden, bijvoorbeeld het lachen om grappen die men niet verstaat (p. 41), het op gang houden van een gesprek enkel en alleen om je goede wil te tonen (p.459) en de opluchting die men ervaart bij het afscheid nemen na een bezoek aan iemand met wie eigenlijk geen conversatie meer mogelijk is (Meertens, p. 335). Karakteristiek in dit verband is tevens een grappige passage als: “Er is een nieuwe kracht, een dikke Surinaamse vrouw, aan wie ik me voorstel, als altijd met de heimelijke gedachte dat ik daarmee duidelijk toon dat ik geen vooroordelen heb” (p. 40).
Verscheidene keren demonstreert Voskuil ook een voor mij goed herkenbaar sentimenteel gevoel of ronduit animistisch denken, bijvoorbeeld waar het gaat om het willen lijmen van een kopje dat hij heeft gebroken (p. 232), de, met Lousje gedeelde, triestheid die hij ervaart wanneer een koelkast wordt afgevoerd die jarenlang dienst heeft gedaan (p. 421) en zijn schuldgevoelens tegenover een foto die hij overweegt van de muur te halen omdat hij erop zou zijn uitgekeken (‘niet aardig tegenover die foto’, pp. 618-619). Waarop hij eveneens min of meer zegt te zijn uitgekeken zijn de tv-programma’s van Van Kooten & De Bie; zijn afkeer van cabarettier Freek de Jonge ventileerde hij al in oudere dagboeken – een soort heiligschennis waar ik graag in meega. De dagboekschrijver wendt zich tevens af van de PSP (Pacifistisch Socialistische Partij, die later zou opgaan in GroenLinks; p. 221). Een half jaar later rept hij overigens van ‘een paar ouderen met de rechtlijnige, enigszins infantiele gezichten die veel oudere linkse mensen hebben’ (p. 313). Dank u wel meneer de schrijver, dat kan ik in m’n zak steken.
Het bovenstaande brengt me vervolgens op de vele, ondanks alles vermakelijke, negatieve typeringen die Voskuil ook in de jaren tachtig weer bezigt ten aanzien van personen die hem om wat voor reden dan ook niet aanstaan. Met betrekking tot kinderen en automobilisten houdt hij zich nu behoorlijk in, maar er blijven nog heel wat categorieën mensen over ten aanzien waarvan zijn verbale agressie even welig tiert als voorheen. Zo treft hij in een zekere horecagelegenheid ‘Haagse hoofden, het ene nog rechtser en onsympathieker dan het andere’ (p.7), kan hij aan iemands achterkant al zien dat de man in kwestie een rotzak is (p. 128), is elders sprake van ‘rotzakken die zich artist voelen’ (p. 525) en wemelt het waar en wanneer dan ook van rotkoppen of, nog erger, ‘afschuwelijke rechtse rotkoppen’ om hem heen (zoals op pp. 292, 418, 523, 653 en 707). Enkele keren worden dergelijke figuren nader geduid als misdadigers (pp. 522, 619) of onderwereldfiguur (p. 585). Een ander wordt op basis van een enkele blik omschreven als een patser die op Nijenrode heeft gezeten (p. 303), en het is met weerzin dat hij kijkt naar een ‘olifantachtig meisje’ wier verdere voorkomen hem evenmin bevalt: ze heeft ‘vijf oorbellen en hangertjes boven elkaar in haar oren laten maken, wenkbrauwen verwijderd, oogkassen blauw […] Als altijd de vraag hoe je met zoiets naar bed kunt’ (p.172). Verrassend is dat het publiek bij een pianorecital het in zijn observaties evenzeer moet ontgelden: “De ongeveer honderd bruine, plastic stoeltjes worden geleidelijk bezet door de meest merkwaardige mensen, jongens die je eerder met een stel blote meiden in een zeilboot zou verwachten, canailleuze vrouwen, domme lesbische meiden, en dan nog een paar vergeestelijkte jongens die waarschijnlijk wiskunde studeren” (p. 139).
Aan zulke, wat mij betreft komische, waarnemingen en typeringen verbindt de auteur soms conclusies die eveneens op de lachspieren werken. “We naderen het einde der tijden,” merkt hij op naar aanleiding van zijn bevinding dat de mensen op Koninginnedag geen oranje meer dragen (p. 292), en over een Kerstfeest waarbij gigantische hoeveelheden alcohol zijn geconsumeerd en er, desondanks, na afloop kinderen met de auto naar huis werden gebracht lezen we: “In de mensen een welbehagen” (p. 221). Van Voskuils gevoel voor humor getuigt ook de volgende passage, die betrekking heeft op de homoseksuele buurmannen Evert en Paul (in “De buurman” opgevoerd onder de namen Petrus en Peer). Paul bewoonde voorheen een zolderkamer elders in Amsterdam. “Eerst wilde hij Evert daar niet ontvangen, omdat hij de kamer te armoedig vond, maar Evert wilde hem zien en vond hem heel gezellig. ‘Alles wat Paul bewoont, wordt gezellig,’ zei hij. Ik neem dat aan, al lijkt het in tegenspraak met diens uitgesproken voorkeur voor TL-buizen” (p. 202). Het plezier dat ik aan het lezen van “Bevrijding” ontleen is trouwens mede terug te voeren op de wel heel royale mogelijkheden die de bezorgers bieden, in de vorm van een groot aantal voetnoten met vindplaatsen, om de dagboeknotities af te zetten tegen de overeenkomstige, fictieve dan wel gefictionaliseerde, fragmenten in onder meer “De buurman” en de reisverslagen in “Gaandeweg”. Eveneens interessant is Voskuils beschrijving van alle gedoe dat de heruitgave van “Bij nader inzien” met zich brengt, zijn debuutroman.
Behelst het bovenstaande in de eerste plaats een bloemlezing van uitdrukkingen en zinsneden die illustreren wat me nou zo aanspreekt in Voskuils dagboeken, bij meer inhoudelijke zaken dient toch ook serieus te worden stilgestaan. Is het, in vergelijking met de vijf eerder verschenen delen, alleen maar meer van hetzelfde wat de auteur in zijn schriften heeft vastgelegd, of hebben zich na 1980 belangwekkende of opvallende ontwikkelingen voorgedaan in het leven van (het echtpaar) Voskuil? Is er sprake van veranderingen, ten goede dan wel ten kwade, in zijn gecompliceerde omgang met andere mensen in het algemeen en met echtgenote Lousje in het bijzonder? Zijn ze misschien afgenomen, zijn angsten, zijn gevoelens van onveiligheid, het wantrouwen, de spanningen, de slapeloosheid en de hoofdpijn waarmee hij zo vaak te kampen heeft? Heeft hij nog veel contact met zijn ‘vrienden’, is hij nog een trouwe bezoeker van de in een verpleeghuis verblijvende Meertens? Gaan ze nog regelmatig langs, in Den Haag, bij zijn dementerende schoonmoeder? Trekt hij er nog veel op uit om, al dan niet in gezelschap van Lousje, te wandelen of te fietsen? Maken ze nog altijd sportieve vakantiereizen? Drinken ze nog zo veel? En hoe zit het intussen eigenlijk met de dagelijkse ellende van alle gedoe en verplichtingen op het Bureau?
Om met die laatste vraag te beginnen: het einde komt in zicht, Voskuil gaat in juni 1987 met de vut. “Bevrijding” sluit af met zijn vertrek, op bijna 61-jarige leeftijd, van het Bureau (opmerkelijk is dat het zesde deel van de romancyclus, waarin Voskuils alter ego Maarten Koning voor vervroegd pensioen kiest, een sterk contrasterende titel draagt: “Afgang”). De interactie met zijn medewerkers, ondergeschikten, andere collega’s en volkskundigen pleegt nog altijd uiterst moeizaam te verlopen. “Omgang met mensen, ik zal dat niet meer leren,” noteert de auteur als hij half de vijftig is (p. 44). Na een werkdag voelt hij zich ‘bevuild […], en daarbij zo afgepeigerd, dat ik niet dan met weerzin aan het leven denken kan’ (p. 45). Letterlijk en figuurlijk komt men hem te dichtbij. In de personele bezetting van het Bureau doen zich intussen nogal wat wijzigingen voor (wat op zich dan weer jammer is voor de lezer voor wie de echte namen van al die mensen nou eindelijk eens bijna net zo vertrouwd begonnen te worden als de voor hen in de romancyclus gebezigde pseudoniemen). De antipathie of afkeer die Voskuil jegens sommigen van hen ervaart, steekt hij gewoonlijk niet onder stoelen of banken in zijn dagboeken. Spijtig in dit verband is dat in 1983 eervol ontslag wordt verleend aan zijn naaste medewerker Jaap Baarspul, zodat de lezer daarna de amusante weergave van menige oeverloze en repeterende discussie moet missen. Nieuw op de werkvloer is ene John, vermoedelijk iemand met enige invloed, maar het (tachtig bladzijden tellende!) personenregister schiet wat hem betreft zowaar tekort in die zin dat men na de vermelding ‘John, zie Lisle, John de’ vergeefs verder zoekt. En voetnoten met verwijzingen naar te dier zake relevante passages in “Afgang” willen ook niet echt helpen, als men daarvan niet de eerste maar de tweede uitgave in zijn kast heeft staan.
In het methodische vlak van de door de Bureau-medewerkers verrichte en te verrichten onderzoeksinspanningen scoort Voskuil warempel weer een positief punt bij me. Over een gesprek met zijn ondergeschikte Ton, over wie we in “Bevrijding” verder eigenlijk geen onvertogen woord tegenkomen, noteert hij: “Vanmiddag bij de voortgangsrapportage val ik een stuk van hem hard aan. Voor het eerst, zolang ik hem ken, wordt hij kwaad. ‘Dat gelul over probleemstellingen, dat word ik nou spuugzat, zegt hij driftig.’ En daarna blijft hij tot we naar huis gaan duidelijk uit zijn humeur” (p. 37). Een en ander volstaat overigens geenszins om mijn vertrouwen in het wetenschappelijke karakter van al dat onderzoek op het Bureau wat op te krikken.
Ook uit de privé kring vallen in de jaren tachtig enkele mensen weg. De omgang met familieleden, vrienden en kennissen in deze periode is, men verwacht niet anders als lezer, evenmin om over naar huis te schrijven. Frida Vogels is in dit opzicht, als altijd, het grootste probleemgeval, maar een passage over een bezoek van haar broer en diens echtgenote is illustratief in veel bredere context: “Kees vertelt over zijn kansen op ontslag, Mieke over de hare. Het onderwerp van deze tijd. Ik luister nauwelijks. Het interesseert me geen bal. Ik denk alweer aan wat ik hierna kan vragen. De avond verloopt moeizaam” (p. 183).
Zoals in de werkomgeving ineens bovengenoemde John de Lisle opduikt, is in privé setting plotseling sprake van een, ook nog eens intieme, vriendin X – een ware dea ex machina. Het heeft er alle schijn van dat deze in het leven van Voskuil een veel belangrijker rol speelt –en zal blijven spelen– dan de lezers van de dagboeken 1981-1987 in concreto vernemen; ze komt hierin niet of nauwelijks voor. Hoe dan ook wordt ze op die paar pagina’s waar dat wel het geval is geanonimiseerd, en het is de vraag door wie en waarom, op wiens of wier initiatief en in wiens of wier belang. Van de zes-en-een-half jaar waarover “Bevrijding” zich uitstrekt zijn blijkens het ‘Woord achteraf’ (p. 717) maar liefst veertien dagboekschriften vernietigd, wellicht een selectie in die zin dat X daarin min of meer prominent voorkomt. Al met al blijft vooralsnog onduidelijk wie er de hand in heeft gehad dat zij in de wel gepubliceerde dagboekteksten slechts een minieme rol speelt, en dan ook nog eens in volstrekte anonimiteit – de schrijver zelf, zijn weduwe, de bezorgers? Zou ik een quizvraag over haar identiteit moeten beantwoorden en een zogeheten hulplijn mogen inschakelen, dan zou ik Mirjam Lucassen bellen – niet alleen in haar hoedanigheid van bezorgster, maar ook omdat zij degene is geweest die zich, in de tweede helft van de jaren zeventig enige tijd onder Voskuil als documentaliste werkzaam op het Bureau, mocht verheugen in sterke amoureuze gevoelens van diens kant (zie: “De bodem van het bestaan”). Of zou ik die naam meteen zelfs als antwoord durven geven?
Dit alles doet niet af aan het feit dat de inhoud van “Bevrijding” weer alleszins vertrouwd overkomt. Het alcoholgebruik van de Voskuilen loopt de spuigaten uit, en wanneer er bij de avondmaaltijd eens een keer géén wijn wordt gedronken is dat blijkbaar een notitie waard (pp. 338, 384). Aan ernstige hoofdpijn lijkt de dagboekschrijver nu vrijwel dagelijks te lijden. Ziekte blijft hem evenmin bespaard. Gelukkig is daar nog altijd de volmaakte remedie tegen wat voor ellende dan ook, die van de fysieke inspanning: “Als je iedere dag vijf uur wandelde, zouden er geen problemen zijn” (p. 65). Hieraan wordt zelfs niet afgedaan door het gegeven dat de trein, tram of bus die nodig is om een bepaalde bestemming te bereiken steevast net blijkt te zijn vertrokken als men bij station of halte aankomt.
Weinig verandering valt ook te bespeuren in de huwelijkse relatie, of die moet daarin bestaan dat echtgenote Lousje in de door haar uitgeoefende tirannie meer en meer frustratie en zelfbeklag aan de dag legt. Om wat voor futiliteit dan ook pleegt ze in toorn te ontsteken, om alles kan ze het op een huilen zetten – zij het gemakkelijker om een doodgereden vogeltje dan wanneer haar man er geestelijk of lichamelijk ellendig aan toe blijkt te zijn. Ook dat kan trouwens een aanleiding vormen tot venijn, omdat hij door melding te doen van dergelijk malheur haar ongerust zou (willen) maken. Zo krijgt Voskuil van zijn vrouw tevens het verwijt dat hij door de jaren heen in opeenvolgende vriendschappen een ‘slagorde’ tegenover haar heeft opgesteld (p. 692), en eerder al is hij tot het besef gekomen dat in een wereld met z’n tweeën c.q. in de huwelijkse staat ‘vijandschap [is] ingebouwd, de behoefte de baas te zijn’ (p.439). Typerend voor Lousjes agressieve warhoofdigheid is haar reactie op het verzoek van Han tijdens een fietstocht om nou toch eens in een beter humeur te komen, omdat ze die anders voor hem ook verpest: “’Ik denk niet aan een ander hè,’ zegt ze kwaad. ‘Ik ben egoïstisch! Vrouwen die geen kinderen willen zijn egoïstisch! Die houden alleen van dieren!’” (p. 693). Een dag later noteert Voskuil over een volgende ruzie: “Ze gaat lang door. Ik probeer er niet naar te luisteren en vervloek mezelf dat ik zo stom ben geweest te antwoorden. In alles gelijk geven, zo vriendelijk mogelijk, dat is de enige manier om te overleven” (p. 696). De echtgenoot met fluwelen handschoenen, ten voeten uit.
Ondanks dit alles is er af en toe wel degelijk sprake van een zekere onderlinge genegenheid en zelfs, op enig moment, van een uitnodiging van de kant van Lousje om nog even bij haar in bed te komen, voordat ze gaan slapen. En dit is niet eens de enige verwijzing naar of aanduiding van zaken die zich onder de gordel (zouden kunnen gaan) afspelen. Zo blijkt vriend Jan over uitzonderlijke talenten in dezen te hebben beschikt en zou de dagboekschrijver zelf, weliswaar in een droom, de neiging hebben gehad een vrouwelijke collega bij haar ‘pruim’ te pakken. Bepaald niet des Voskuils, zoiets, een –door X geïnspireerd? – novum in feite. In positieve zin verrast werd ik voorts door de beschrijving van een bezoek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en de wandeling terug naar metrostation Kralingsezoom, locaties waar ik gedurende tientallen jaren vrijwel dagelijks kwam. En zo komt voor mij persoonlijk, als lezer, postuum ook Lousjes vader even nabij: we blijken niet alleen Rotterdam gemeen te hebben als geboortestad , maar ook het supporterschap van de mooiste voetbalclub aldaar: Sparta.
Anders dan gebruikelijk gaan de Voskuilen in 1987 niet op wandelvakantie in Frankrijk, maar maken ze een fietstocht door Ierland – zoals voor de lezers van het desbetreffende reisverslag te verwachten valt: onder veelal erbarmelijke weersomstandigheden, met veel overlast van autoverkeer en een Lousje die om de haverklap te kennen geeft dat ze verdrietig is en naar huis wil. De bezorgers hebben het verslag in kwestie, bij wijze van uitzondering, integraal in “Bevrijding” opgenomen, omdat er sprake zou zijn van nogal wat discrepanties met de in “Gaandeweg” hierover gepubliceerde tekst. Waar het gaat om een andere vakantie gaan de bezorgers overigens in zoverre de mist in, dat naar de voettocht die het echtpaar Voskuil van 31 augustus tot 17 september 1984 door de Cantal maakte wordt verwezen met onjuiste datering (welke verwijzing echter chronologisch correct wordt geplaatst tussen de dagboeknotities van eind augustus en begin oktober, zie p. 345 en “Gaandeweg”). Een ander punt(je) in hun bezorging nog dat me bevreemdt –en daar laat ik het bij, want hierover wil ik geen misverstand laten bestaan: zwoegend in het vooronder heeft het drietal Van Grafhorst, Van Heest en Lucassen wederom een magistrale klus geklaard!– betreft het volgende. Uit het ‘Woord achteraf’ valt op te maken dat een substantieel aantal dagboekschriften over de periode 1981-1987 door Voskuil zelf is vernietigd. Waar het gaat om conflicten met Lousje zou dat ‘lek’ tot op zekere hoogte zijn gedicht met samenvattingen van notities te dier zake, door de auteur ondergebracht in een aparte lijst ‘Ruzies’. Deze zou bijna dertig jaar bestrijken, ‘met in totaal 151 vastgelegde ruzies, gemiddeld 1 per week’ – welke rekenexercitie mij volstrekt onbegrijpelijk voorkomt.
Om te besluiten dan nog een enkel woord over het (mijn) lezen van Voskuils dagboeken en het voorhanden hebben daarbij van internet. Het schiet niet echt op, als je bijvoorbeeld het verslag van de fietstocht door Ierland leest en telkens weer foto’s googelt van landschappen en plaatsjes waar het echtpaar onderweg doorheen komt en van adressen waar men at of overnachtte. Leuk is het wel. Wat ik evenwel nog veel aardiger vond, was het resultaat van mijn inspanningen om toch eens een preciezer beeld te krijgen van hun thuis, hun appartement aan de Herengracht 60. Op tal van bladzijden in “Bevrijding”, maar net zo goed in voorgaande delen dagboekuitgaven en ook “Het Bureau”, leest men erover. Met enig geluk wist ik een en ander, letterlijk, voor ogen te krijgen: op Funda: https://www.funda.nl/detail/koop/verk.... De onderhavige foto’s en tekeningen zijn afkomstig van de makelaardij die de voormalige huurwoning van de Voskuilen in oktober 2024 op de markt bracht. Leeg, verouderd, verwaarloosd...
Displaying 1 of 1 review

Can't find what you're looking for?

Get help and learn more about the design.