Neurodiversiteit is alomtegenwoordig. Iedereen werkt wel met iemand, kent wel iemand, geeft wel les aan iemand, is iemand… die neurodivergent is. Of het nu over autisme, ADHD, dyslexie, dyspraxie of Tourette’s gaat, hoe gaan we hier als (ortho)pedagoog, hr-medewerker, naaste, of zelfs als neurodivergente persoon zelf het beste mee om? Dit boek biedt bouwstenen aan voor een aanpak gebaseerd op begrip. Het doet zowel de ‘neuro’ als de ‘diversiteit’ in neurodiversiteit recht aan, niet alleen door autisme maar ook Tourette’s te nemen als toetssteen van een andere manier van (onszelf) zien.
Jo Bervoets is filosoof en postdoctoraal medewerker aan de Universiteit Antwerpen. Hij doceert onder andere een inleidend vak in de filosofie voor niet-filosofen. Hij doet er ook onderzoek op het snijvlak van wetenschapsfilosofie en ethiek, specifiek rond thema’s van neurodiversiteit.
"Autisten zijn mensen die de ervaring hebben om herhaaldelijk aangesproken te worden op atypisch gedrag dat samenhangt met een gemiddeld hogere en inflexibele precisie." (Jo Bervoets, Autisme en neurodiversiteit)
Autisme en neurodiversiteit is een boek dat de definitie van en de kijk op autisme en neurodiversiteit fundamenteel verandert. Een boek dat voor mij tot dé basiswerken behoort van iedereen die zich wil informeren over deze onderwerpen.
"Autisme en Neurodiversiteit, een andere manier van zien" is geschreven door Jo Bervoets. Jo is assistent professor filosofie, doctoraatsonderzoeker, heeft een verleden als ingenieur en hij heeft autisme.
Dé grote verdienste van Jo's boek is dat hij erin slaagt om een nieuwe definitie te geven van autisme en neurodiversiteit die de begrippen "#stoornis" en "#spectrum" overbodig maken. Hij maakt in één beweging komaf met het idee dat het iets is waarvan mensen "genezen" moeten worden.
"Je ziet dat deze definitie onafhankelijk is van de psychiatrische diagnose. Dat is belangrijk om mijn doel (...) waar te maken: dat van preventie. De definitie staat principieel toe dat je autistisch bent zonder dat je tegelijk disfunctioneel bent. We kunnen die psychiatrische diagnose dan eerder zien als het spijtige - maar vermijdbare - resultaat van de autistische persoon wiens autistische knoop al te strak getrokken wordt."
Om onze weg te vinden in de wereld, heeft ons brein geleerd om patronen te herkennen. Daardoor kunnen we snel hoofdzaken van bijzaken onderscheiden. Simpel voorbeeld: om te weten of een dier een vogel is, moeten we maar een beperkt aantal kenmerken onderscheiden (snavel, vleugels, veren). Of, wanneer we 20 kledingstukken in onze kast hebben, moeten we niet alle stukken eerst met elkaar combineren vooraleer we een outfit kunnen samenstellen waarmee we naar buiten kunnen.
Bij mensen met autisme werkt het brein anders. De voorspellingen (de zeef waardoor prikkels gefilterd worden zo je wil) die hun brein maakt, zijn veel gedetailleerder. Daardoor komt er bij hen veel meer informatie bewust binnen. Om bij de vogel te blijven: de meeste mensen zien iets fladderen en registreren: "vogel". Bij een autistisch iemand registreert het brein al snel de kleur van de veren, de vliegbeweging, de grootte, de lichaamsbouw, en nog veel meer andere informatie.
Die mate van detail geldt niet alleen voor wat mensen met autisme zien. Voor velen geldt dat ook voor wat ze horen, voelen, proeven of ruiken. Niet omdat hun zintuigen zo uitzonderlijk zijn, wél omdat hun brein met véél meer van de prikkels die die zintuigen opvangen aan de slag gaat. Prikkels die door het brein van niet-autistische mensen al afgevoerd zijn naar de afdeling "ruis/onbelangrijk" nog voor ze er zich van bewust zijn.
Leven met zo'n precies brein vereist ook andere manier van leven, want zo'n brein brengt specifieke uitdagingen met zich mee. Anders gezegd, mensen wiens brein een hogere mate van precisie heeft, hebben andere dingen nodig dan mensen die niet zo'n brein hebben (de meeste mensen dus). Meer behoefte aan rust, de behoefte om te stimmen (repetitieve bewegingen of geluiden maken om je zenuwstelsel tot rust te brengen), oogcontact vermijden om niet overweldigd te raken, een zekere mate van (eigen) routines om net op andere dingen te kunnen focussen, zich regelmatig doorgedreven verdiepen in een onderwerp / ervaring (monotropisme), de behoefte aan zachte kledij (om niet gek te worden van het gekriebel van bvb wol), zacht geel licht (afkeer van fel wit tl-licht). Of wat gedacht van de grote groep autistische mensen die niet kunnen spreken om kenbaar te maken wat ze gewaar worden en wat ze nodig hebben (maar die wel intense en rijke ervaringen hebben)?
Omdat dat verschil in breinen letterlijk onzichtbaar is, én omdat mensen met autisme eruit zien zoals mensen zonder autisme, wordt alles wat met die specifieke manier van leven te maken heeft al snel als "raar", "vreemd", "lastig", of erger nog "gestoord" of "ziek" bestempeld. En omdat voor mensen de veiligheid van de kudde belangrijk is (evolutionair gezien), proberen mensen zichzelf en elkaar te laten aanpassen aan de norm. Anders gezegd: veel van wat autistische mensen van nature willen doen om zich goed te voelen, mogen ze niet doen (of kunnen ze niet doen), omdat het volgens mensen wiens brein anders werkt nu eenmaal niet hoort.
En dat is de autistische knoop waar Jo het in het citaat daarnet over had: die verstrengeling tussen de ervaringen eigen aan dat precieze (zorgvuldige) brein en een omgeving van mensen die jouw natuurlijke gedrag als ongewenst en ongepast bestempelen. Niet omdat het onnatuurlijk zou zijn, want mensen met meer dan gemiddeld precieze breinen maken al veel langer deel uit van de mensheid (net zoals mensen met andere neurovariaties zoals Tourette of adhd). Wél omdat hun manier van leven en hun manier van zijn door de meerderheid van mensen niet meer (h)erkend worden als deel van de natuurlijke menselijke variatie. En net díe onnatuurlijke situatie (en het stigma dat ermee gepaard gaat), maakt mensen pas echt ziek.
Niet dat precieze brein, niet louter de omgeving, wél het gebrek aan ruimte, begrip en menselijkheid om een leven te kunnen leiden dat beter past bij de uitdagingen, beperkingen én mogelijkheden die de zorgvuldigheid van het autistische brein met zich meebrengt.
En dat zeggen, dat vaststellen en mensen daarop wijzen, is essentieel, ook al ligt dat gevoelig.
"Je kunt neurodiversiteit dan ook zien als het opkomen voor het minderheidsstandpunt, zodat zowel de maatschappij als de wetenschap minder partijdig worden. Het is ook daarom, denk ik, dat diversiteit en inclusie politiek zo gevoelig liggen. Ze relativeren namelijk wat de huidige machthebbers vanzelfsprekend willen houden: dat hun macht natuurlijk is, en dat alles wat er van afwijkt dus onnatuurlijk is."
"Autisme en neurodiversiteit" is, en ik zeg het zonder enige zweem van overdrijving, een levensbelangrijk boek. Want wie oprecht begaan is met het welbevinden van mensen met autisme kàn niet om deze nieuwe, menselijke en wetenschappelijk onderbouwde manier van kijken heen.
Afbeelding: cover van het boek met daarop het bovenaanzicht van mensen hersenen. De linkerhelft is een getekende versie van een echte hersenhelft, de rechterhelft is opgevuld met een patroon van silhouetjes van mannetjes in een slinger met regenboogkleuren.
Autisme en neurodiversiteit – een andere manier van zien van Jo Bervoets is zo’n boek dat zich slecht laat samenvatten, maar zich des te dringender laat lezen. In een tijd waarin neurodiversiteit al te vaak wordt herleid tot een modieus label of een identitaire slogan, biedt dit werk een noodzakelijk tegengewicht. Niet door de wetenschap af te wijzen, maar door haar vriendelijk doch onverbiddelijk voor de spiegel te zetten.
Bervoets — filosoof, ingenieur én autistisch denker — vertrekt vanuit zijn eigen ervaring, maar blijft daar niet hangen. Hij bouwt een ambitieus denkkader uit waarin hersenwetenschap, filosofie, participatief onderzoek en maatschappijkritiek elkaar versterken. Zijn centrale idee is helder en scherp: autisme is geen defect of stoornis, maar een andere precisie van waarnemen, voelen en reageren. Dat die precisie problematisch wordt, zegt volgens Bervoets vooral iets over een wereld die normaliteit heeft versmald tot sociale flexibiliteit en functionele vaagheid.
Het boek is nadrukkelijk geen egodocument. In het eerste deel worden predictieve breinmodellen uitgelegd met speelse maar trefzekere metaforen — katten, kikkers, treinen — die meer doen dan verlichten: ze slaan een brug tussen abstracte theorie en geleefde ervaring. De HIPPEA-hypothese (hoge, inflexibele precisie in het verwerken van voorspellingsfouten) wordt gepresenteerd als een verklaringsmodel dat neurologie en context samen denkt, zonder te vervallen in reductionisme.
Het tweede deel bevat een filosofisch pleidooi voor trots, maar zonder romantisering. De “autistische knoop” — Bervoets’ metafoor voor de verstrengeling van verhoogde precisie en voortdurende sociale correctie — is bijzonder sterk. Ze biedt een alternatief voor het klassieke spectrumdenken dat mensen indeelt in vage functioneringsgraden. Opvallend: Bervoets pleit niet voor het afschaffen van diagnoses, maar voor het herdenken van hun rol — van sluitend oordeel naar richtinggevend begrip. Dat is genuanceerder (en volwassener) dan veel slogans in het debat.
Het derde deel, over Tourette, verruimt het perspectief. Waar neurodiversiteitsliteratuur vaak bij autisme stopt, toont Bervoets hoe ook bij Tourette spanningen tussen spontaniteit, drang en correctie centraal staan. Door zijn knoophypothese hier opnieuw toe te passen, bewijst hij dat het geen eenmalige vondst is, maar een vruchtbaar denkkader.
Is het boek perfect? Nee. De stijl is soms zwaar associatief en filosofisch gelaagd, wat de toegankelijkheid voor een breder publiek niet altijd helpt. En het epigenetische alternatief dat wordt aangereikt, had meer uitwerking verdiend. Sommige hoofdstukken buigen gevaarlijk ver door onder hun eigen intellectuele gewicht.
Maar die zwaktes zijn onlosmakelijk verbonden met de ambitie van het boek. Dit is geen handleiding en geen feelgood-manifest. Het is een uitnodiging om anders te denken — en vooral: anders te luisteren.
Voor mij, zelf autistisch, is Autisme en neurodiversiteit geen bevestiging van wat ik al dacht, maar een kritische bevraging van hoe ik denk. En dat is misschien wel het grootste compliment dat je een boek kunt geven.
Een uitdagend, genuanceerd en noodzakelijk boek voor wie verschil niet wil vastzetten, maar wil verstaan.