Americana is het magnum opus van Joost Zwagerman, voor zover het om zijn non-fictie gaat. In het boek worden alle stukken verzameld die Joost in de loop der jaren heeft geschreven over de Amerikaanse cultuur: film, popmuziek, fotografie, literatuur, architectuur etc. Daarmee is Americana niet alleen een totaaloverzicht van het schrijverschap van Zwagerman, een soort autobiografie in essayvorm, maar ook van de Amerikaanse samenleving in de afgelopen decennia.
Joost Zwagerman debuteerde in 1986 met de roman De houdgreep, die door Carel Peeters in Vrij Nederland werd bestempeld als 'het meestbelovende debuut sinds jaren'. Zijn doorbraak naar een breed publiek kwam met de roman Gimmick! (1989), die in 1996 voor het theater bewerkt werd door Theatergroep De Kwekerij. Het boek geeft een beeld van de trendy uitgaanscultuur en kunstenaarswereld van Amsterdam, waar hij in die tijd veel in verkeerde. In 1991 verscheen Vals licht, dat werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en in 1993 werd verfilmd door Theo van Gogh. Ook De buitenvrouw (1994), over een liefde in multiculturele tijden, bereikte de longlist van de AKO Prijs. Nadien volgden de romans Chaos en rumoer en Zes sterren. Zwagermans werk verscheen in vertaling in twaalf landen, waaronder Duitsland, Frankrijk, Japan en Hongarije. In 2000 werd de Duitse vertaling van De buitenvrouw (Die Nebenfrau) genomineerd voor de Nordrhein-Westfalen Literaturpreis. Ook ontving Zwagerman voor Die Nebenfrau de Literaire Prijs van de stad München. Zwagerman behoort inmiddels, samen met auteurs als Connie Palmen en Arnon Grunberg, tot de meest gelezen Nederlandse schrijvers van zijn generatie. Dat bleek eens te meer toen hij in het najaar van 2003 veertig jaar werd: zijn uitgeverij De Arbeiderspers maakte bij die gelegenheid bekend dat van zijn boeken in totaal meer dan 1.100.000 exemplaren waren verkocht, exclusief vertalingen. Behalve romans publiceerde Zwagerman ook gedichten en essays en was hij actief als columnist.
Zwagerman leed aan depressies. Op 8 september 2015 maakte zijn uitgeverij, De Arbeiderspers, bekend dat Zwagerman op 51-jarige leeftijd in zijn woonplaats Haarlem een eind aan zijn leven had gemaakt.
Net als in Verzamelde gedichten, waarvoor Ellen Deckwitz het prachtige voorwoord schreef, wordt in de inleiding van deze bundel verwezen naar het soortelijk gewicht der dingen. Hier voelde ik me persoonlijker aangesproken. Peter Buwalda, collega-fan van Zwagerman, vertelt daar het volgende: "De gedachte is dat een selectie een nieuw publiek zal bereiken - u dus. Lezers met paparmpjes, zullen we maar zeggen. Wanneer dat lukt, is het niet vergeefs, en misschien zelfs vergeeflijk." De verzameling essays vormt immers slechts een selectie van wat de in 2015 overleden auteur bijeen schreef over de Amerikaanse literatuur, beeldende kunst, fotografie, film, popmuziek, ... en is dus een light-versie van de eerste uitgave, die uit meerdere delen bestaat. Toch is deze editie geen evidentie om lang te lezen in liggende toestand. Net omwille van dat soortelijk gewicht. Maar dit geheel terzijde.
Joost Zwagerman laat de lezer zalig verdwalen in het universum dat hem zo nauw aan het hart lag en doet dat op een onnavolgbare manier. Het eerste deel van deze bundel ("Vergrootglazen") las ik een jaar geleden op reis, het tweede deel (Verrekijkers) nagenoeg exact een jaar later, opnieuw ergens ten lande tijdens de zomervakantie. Deze essays lezen vergt immers de volledige aandacht van de lezer: je leest deze niet zomaar tussen de soep en de patatten. Je moet er tijd en je geest voor vrij maken, je moet in de sfeer geraken en er liefst zo lang mogelijk in vertoeven.
In het eerste deel passeren een aantal grote Amerikaanse schrijvers, waarvan ik de naam ken, maar weinig tot niets van gelezen heb, de revue. Akkoord, er zijn uitzonderingen, zoals een aantal romans van Jay McInerney, Bret Easton Ellis, Ernest Hemingway en het volledige werk van Douglas Coupland, nog altijd één van mijn favoriete auteurs van over de Grote Plas. Maar het vreemde en het leuke is dat je helemaal niet alles hoeft gelezen te hebben van de auteurs, regisseurs en andere kunstenaars om te kunnen genieten van de schrijfstijl en vooral de invalshoeken van waaruit Zwagerman de zaken bekijkt. Hij schrijft zo bevlogen, noteert op zijn o zo eigen en meeslepende manier beschouwingen en analyses dat je instant goesting krijgt om van (nagenoeg) elk van de auteurs het werk op te zoeken en aan het lezen te slaan.
Aan het einde van dat eerste deel is er even ruimte voor een essay of twee over "Deep Throat", eentje over de serie "Mad Men" en last but not least een essay over het universum van de Coen Brothers, wiens films, aldus Zwagerman, een genre op zichzelf vormen. In "De gebroeders Coen en de knuckleheads" gaat hij naar de essentie van de personage-keuze van de beide regisseurs, meteen de grootste factor in het grote succes van hun repertoire. Hij omschrijft dat als volgt: "Toon mij uw domheid en ik zal zeggen wie u bent - zou dát misschien de slogan kunnen zijn waarmee je de meeste Coenfilms onder één noemer kunt brengen? Om het een tikje gezwollen te zeggen: la condition humaine laat zich in beeld brengen door in te zoomen op de butsen in de ziel van de middelmatige ploeteraar."
Eveneens vermeldenswaardig in dit eerste deel is "Het korte verhaal in Amerika. 'Een essentiële schrijfvorm'", waarin hij het korte verhaal tegenover de roman plaatst en zonder zich echt uit te spreken wel degelijk positie inneemt met de woorden van degenen die hij citeert. Een sterk opgebouwd essay, met o.a. een korte geschiedenis van het korte verhaal en een indeling van verhaalsoorten, zijnde de tegenstelling tussen de borgesiaanse en de tsjechoviaanse-hemingwayeske verhalen. En over hoe korte verhalen tot dat domein van de literatuur behoren waar de poëzie eindigt en de werkelijkheid begint.
In deel twee meer analyses en bespiegelingen, deze keer hoofdzakelijk over beeldend kunstenaars, ook hier gezien door de Joost Zwagerman-bril. Zijn taalgebruik is haast even beeldend als de werken die hij bespreekt. De bevlogenheid en passie die hij voelt voor zijn onderwerpen spatten van de pagina's. Er zit m.i. een beetje (te)veel Warhol in en hij besteedt nogal wat aandacht aan het hele Warholiaanse universum, maar even goed heeft hij het over een interview met Lou Reed en bespiegelingen over Man Ray, Diane Arbus en Gregory Crewdson.
Het was heerlijk toeven in de schrijfsels van Joost Zwagerman, en het smaakt naar meer.
Een meer dan vuistdik boek (1200 bladzijden), dan bewijst de e-reader zijn nut. Ik had al 2 gebundelde essay-boeken van Zwagerman gelezen, dus ik vreesde voor veel overlappingen, maar dat viel best mee. En nog een meevaller: bijna driekwart van de essays gaan over (Amerikaanse) literatuur. Zwagerman's essays vormen samen een geweldige introductie tot de Amerikaanse na-oorlogse literaire productie, met Salinger, Updike en Roth als toptrio, maar ook veel aandacht voor de cult-auteurs Kerouac, Burroughs, en Bukowski; ook recentere schrijvers (Easton Ellis, De Lillo, Wolfe) komen aan bod. Opvallende afwezigen: John Irving en Thomas Pynchon, en bijna geen vrouwen! Zwagerman's belezenheid was fenomenaal: hij duikt niet alleen diep in het oeuvre van de schrijvers, hij legt ook voortdurend dwarsverbanden (ook met andere kunsten). En dat allemaal in een heel vlotte, trefzekere stijl. Ik heb alleen een probleem met zijn introductie-essay, waarin hij probeert een gemeenschappelijke noemer te vinden voor wat er nu echt Amerikaans is aan die literatuur. Zoals je kan vermoeden komt Zwagerman niet verder dat wat amechtige algemeenheden ("Het lijkt me, met de obsessie voor het grote en grootse, het sublieme en ‘oneindige’, de twééde obsessie die spreekt uit veel kunst en literatuur uit Amerika: het onmogelijke streven een staat van opperste puurheid te behouden, als een Peter Pan van de geest."). Het is een verdienstelijke poging, maar het lijkt me beter om de oneindige diversiteit van de Amerikaanse literatuur gewoon tot zijn recht te laten komen; en dat doet Zwagerman zeker in de afzonderlijke essays!
Wat een geweldige essayist is Zwagerman. Zijn manier van kijken naar kunst en literatuur is een verademing. Veel bijgeleerd: van schrijvers waarvan ik dringend iets moet lezen over nieuwe woorden tot kunstenaars die ik dringend moet ontdekken.
Zo. Ik ben op de helft. Althans, deel I heb ik uit. Het gedeelte dat gaat over de geschreven kunst. 673 pagina's lang, gevuld met essays over Amerikaanse literatuur. Ik was benieuwd of ik het vol zou houden, of Zwagerman me voldoende kon blijven boeien. En, op een paar gedeeltes na, kan ik volmondig zeggen dat ik dit eerste gedeelte met veel plezier heb gelezen. Dit heeft te maken met de Americana die me altijd al heeft weten te boeien, maar dit heeft ook zeker te maken met de manier waarop Zwagerman het heeft opgeschreven.
De inleiding was al veelbelovend. Het Amerika waar Zwagerman in Alkmaar van droomde, naar droomde ik iets noordoostelijker ook van. Als Zwagerman over de Amerikaanse literatuur spreekt en het belang van 'de overmijdelijke verpulvering van' de Great Expectations, de nachtmerrie achter de Amerikaanse droom, dan weet je dat je als lezer met de schrijver mee wil zoeken naar de belangrijkste auteurs die dit menselijke leed zichtbaar hebben gemaakt. Als Zwagerman zich afvraagt waar je als dromer in de Verenigde Staten naar toe moet en zich afvraagt of er dan een ander land of een andere tijd is die een mogelijke uitweg kunnen bieden, dan weet je dat er voldoende raakvlak is om samen op reis te gaan door het weidse Amerikaanse schrijverslandschap.
De reis start in Suburbia, de dodelijk beklemmende Amerikaanse voorsteden om daarna aan te belanden bij de Beatniks: Ginsberg, Kerouac en Burroughs. Ik ben geen fan van het werk van Kerouac, de enige van deze schrijvers die ik tot nu toe las. Het is verhelderend om te lezen waarom ze zo belangrijk waren in die tijd: ze waren een 'inspirerend alternatief voor het ingedutte academisme in de Amerikaanse poëzie'. Een andere wind, een broodnodige verandering die van grote invloed is geweest op daaropvolgende schrijvers. De meta-positie van waaruit Zwagerman kan kijken was hier verruimend voor mij als amateurlezer.
Dit laatste is wat Zwagerman me op veel meer plaatsen in het boek kon brengen. In mijn voorlopige omzwervingen in het literatuurlandschap moest ik het voornamelijk van de recensies op BoekMeter en GoodReads en mijn eigen bescheiden gedachtekronkels hebben. Een meer dan geoefend lezer als Zwagerman weet steeds helder en duidelijk uit te leggen wat een boek of een schrijver zo goed of belangrijk maakt. Vaak zonder dat hij zelf hierin voorkeuren uitspreekt.
En zo kwam ik nog al eens wat te weten over schrijvers die ik niet kende. Zo blijkt niet Capote, maar Mailer dé non-fictieroman te hebben geschreven met zijn The Executioner's Song. En zo leer ik dat John Updike misschien wel een van de beste auteurs is die Amerika heeft voortgebracht. Van hem las ik nog nooit iets, maar ik heb meteen de Rabbit-reeks op mijn leeslijst gezet. Ik leerde dat Bukowski geïnspireerd is door de boeken van Carson McCullers en John Fante, schrijvers die in het boek amper worden genoemd, maar die ik erg goed vind. Ik las over de klassieker van Herzog van Saul Bellow. Zwagerman legde de bedoelingen van Brett Easton Ellis in American Psyhco uit, een boek dat ik maar met moeite heb kunnen uitlezen. Ik was onder de indruk van de manier waarop Zwagerman diepgaande verbanden legde tussen boeken en schrijvers. En ondertussen werd ik om de oren geslagen met ideeën en meningen over het schrijven zelf. Zo schrijft Zwagerman ergens dat 'we niet meer in de eeuwigheid geloven' en dat we daardoor 'kunst en architectuur (maken) die veel minder dan voorheen de tand des tijds kunnen doorstaan'. En ergens anders gaat het over het taboe op zelfmoord, opgelegd door Augustinus en dat 'het meest perverse gevolg van deze cultuuromslag was dat iemand wiens zelfmoord mislukt, bij wet ter dood kon worden veroordeeld'. Uiteenlopende onderwerpen die allemaal prachtig zijn uitgewerkt in de essays.
En de verveling? En het moment dat het doorlezen even iets meer gestaag ging? Dat kwam op momenten dat er over het gekissebis tussen schrijvers werd geschreven. Of over zinloze literaire discussies waar een gewone lezer, een leek (zoals ikzelf), totaal geen betekenis meer in ziet. En soms ging het over een schrijver waarvan ik meteen wist dat ik er niets van zou lezen. Maar, zoals gezegd, waren dit maar een paar gedeeltes van het lijvige geheel.
Op een gegeven moment wordt de leeservaring heftig. In het gedeelte getiteld: 'Het Zwarte Vaandel op Mijn Schedel', gaat het over zelfmoord. De studie die Zwagerman hier op heeft losgelaten geeft bijna een obsessie weer, zeker als je weet dat Zwagerman later zelf zelfmoord zou plegen. Hij schrijft in deze essays onder anderen de zelfmoorden van Kurt Cobain, David Foster Wallace en Sylvia Plath. In het stuk over Wallace noemt Zwagerman de titel van diens 'virtuoos-vrolijke verhaal'. De titel is Death Is Not the End. Zwagerman besluit dit stuk met vier woorden die als een mokerslag aankomen gezien zijn eigen einde. Na de titel te hebben genoemd noteert hij: 'en zo is het'. Bam!
Het een na laatste hoofdstuk gaat over het korte verhaal. Die stroming verdient een Nederland een opwaardering, maar is in Amerika een nationale kunstvorm. Dankzij Zwagerman ben ik er zeker van dat ik al een aantal grote auteurs in deze stroming heb gelezen. En na het lezen van dit gedeelte heb ik er nog een flink aantal op de leeslijst bijgezet. Ik ben een groot liefhebber van het korte verhaal en het was daarom een zeer prettig gedeelte om over te lezen.
Deel I eindigt met schrijvers die vanuit het buitenland Amerika zijn binnengekomen. Van deze schrijvers is wellicht Nabokov het bekendste. Ik heb twee boeken van deze geweldenaar gelezen en, ook omdat Nabokov veel vaker in het boek als inspiratiebron voor Amerikaanse schrijvers naar voren kwam, ik heb meteen meerdere boeken van hem op mijn leeslijst gezet.
Gisteravond ben ik voorzichtig begonnen met Deel II van deze fantastische verzameling essays en verhalen. Muziek, film en beeldende kunst is nu aan de beurt. Ik ben benieuwd of ik even enthousiast kan zijn over het tweede gedeelte.
...
Na deel I te hebben uitgelezen twijfelde ik of ik meteen aan deel II wilde beginnen. Maar ach, ik was toch toevallig in de bibliotheek en toevallig liep ik naar boven om te kijken of deel II er toevallig gewoon lag. En toen ik deel II eenmaal thuis in de boekenkast had staan, kon het vast geen kwaad om alvast met de introductie van het eerste gedeelte, over muziek, te beginnen. Voordat ik het wist was ik tientallen pagina’s verder. Nee, ook dit gedeelte zou ik niet gemakkelijk wegleggen.
Over smaak valt niet te twisten, maar Zwagerman weet op een overtuigende manier ook zijn voorkeuren in de muziek bijna objectief naar voren te brengen. Daarin sijpelt zo af en toe een prachtige irritatie door, zoals wanneer hij het heeft over de ‘alomtegenwoordigheid’ van Bono bij goede doelen. Zwagerman vraagt zich of ‘de man (niet) uit gewoonte opdraaft, zoals bij parochianen de hand louter reflexmatig naar de beurs gaat als het kerkenzakje passeert. Muziek van Pink Floyd en Genesis wordt ergens gebombardeerd tot ‘bombastische burgermanspsychedelica van pretentieuze jongensverenigingen’. Punk biedt troost, maar zijn liefde voor Prince is aanstekelijk. Hij is, gelukkig, zowel lyrisch als meedogenloos kritisch.
Ergens raakt hij een pijnlijk punt bij mij als lezer als hij, onder andere, Springsteen een ‘risicovrije muziekfrabiek’ noemt - ‘gerespecteerde concerns die formeel voldoen aan de strengste kwaliteitseisen maar die sinds jaren producten afleveren waar kraak noch smaak aan zit. Laat mij hier dan ook mijn idool Zwagermaniaans verdedigen tegen deze kritiek. Springsteen mag dan met zijn laatste twee albums aan deze omschrijving voldoen, maar albums als ‘The Rising’ (2001) en Magic (2007) zijn toch alles behalve smaakloze producten. Deze platen behoren, mijns inziens tot de beste van zijn oeuvre.
Boeiend is de stelling dat artiesten maar tien jaar op de toppen van hun vermogens functioneren. Als voorbeeld worden onder anderen Bowie (jaren ’70) en The Stones (1966 t/m 1972) aangehaald. En inderdaad, als je de lijn doortrekt, zou je hetzelfde van artiesten als Neil Young, R.E.M., U2, Elvis Costello en Bob Dylan zeggen. Ook mijn persoonlijke favorieten, Wilco en Ryan Adams (en misschien dan toch Springsteen?), hebben hun beste platen te hebben gemaakt tussen midden en eind jaren negentig en 2007. Natuurlijk, het lukt artiesten wel eens om tot een incidenteel goede plaat te komen, maar het zal altijd worden vergeleken met eerder, en vaak (net iets) beter, werk. Hoe verklaren we dit? Zit er een tijdslimiet aan de creativiteit van artiesten? Is er een bepaalde leeftijdsfase waarin artiesten niet meer interessant kúnnen zijn voor luisterend publiek? Zijn wij als luisteraars op een gegeven moment verzadigd en luisteren we altijd met het verleden van de artiest in ons geheugen?
De bewondering voor Madonna vond ik verrassend. Al blijkt Zwagerman vooral vol lof te zijn over de manier waarop Madonna haar imago keer op keer weet te gebruiken tot communicatiemiddel, om taboes te doorbreken, om haar verhaal te vertellen, om haar seksualiteit te uiten. Naar haar muziek zal ik niet snel gaan luisteren, ook niet na wat Zwagerman schreef, maar hij heeft me anders naar haar laten kijken. Zoals hij me weer even naar Prince liet luisteren en dat is wat Zwagerman steeds doet: hij dringt door tot in de nerven van de artiest en weet mij als lezer continu in beweging te krijgen.
Na de muziek is de film aan de beurt. Woody Allen komt langs, ook Blue Velvet, The Great Gatsby en de Coen Brother komen langs. Zwagerman schuwt ook de porno niet. Het essay over misschien wel de beste televisieserie ooit, Mad Men, is prachtig en vol lof geschreven.
Na de film volgt het grote gedeelte over schilderkunst. In de introductie stelt de schrijver zich min of meer een doel als hij schrijft dat ‘in het gelukkigste geval (..) het schrijven én lezen van non-fictie over kunst evenzeer een ervaring’ is. En ‘dat die ervaring ván de tekst over kunst (..) van groter gewicht (is) dan het oordeel over die kunst ín de tekst’. Ik ben geen ervaring kunstwatcher en moet het daarom doen met de tekst over de kunst. Omdat het Zwagerman blijft lukken om mij, ook tijdens dit laatste grote deel van het boek, te boeien, mag je zeggen dat hij in zijn opzet geslaagd is. Wat me in dit gedeelte weer opviel was het gemak waarop de schrijver verbindingen legt en een enorme massa kennis bezit. Zo is het opeens volstrekt logisch dat de regisseur van Mad Men heel goed naar de schilderijen van Edward Hopper heeft gekeken. Ineens wil ik zelf ook werk van Hopper zien. Zoals ik ook werk van Rothko wil zien, omdat Zwagerman me ervan heeft overtuigd dat er wel degelijk meer te zien is in het abstract expressionisme dan je op het eerste gezicht kunt zien (hoe kan het ook anders?).
Er volgt een groot gedeelte over Andy Warhol, een van de andere kunstenaars waar Zwagerman liefhebber van is. Americana sluit af met een aantal essays over fotografie. Opnieuw worden er voor mij nieuwe interessante artiesten geïntroduceerd: Diane Arbus, Gregory Crewdson, Walker Evans en Robert Frank.
Mijn wandelingen in Zwagerman’s omzwervingen in de Amerikaanse cultuur was er een met bijna alleen maar hoogtepunten: een boeiende tocht die van mij nog best wat langer had mogen duren.
Maar ook omdat je er geen zes kan geven. Want wat een erudiete bundel! De dikste kloefer die ik dit jaar al op mijn dunne nachtkastje mocht ontvangen. Maar met een lijvigheid die nooit verveelt. Ook al heb ik niet alle essays kunnen uitlezen (je kan bij de bib maar één keer met drie weken verlengen), 'Americana' heeft mijn beschamend bescheiden kennis over de Amerikaanse na-oorlogse literatuur heel wat opgekrikt.
Zowat alle grote mannen - weinig vrouwen, tenzij ze een zware depressie hebben (hallo, Sylvia Plath) - van de Amerikaanse literatuur passeren de revue. Van de Beat Poets tot de Bukowski's, heel wat stukken over Salinger, Roth en Updike. En ook recenter zoals Wolfe, De Lillo en Easton: één voor één worden hun werk en levens geduldig boeiend uit de doeken en boeken gedaan. Waarbij Zwagerman regelmatig ook even hun Nederlandse tegenhangers naar voren schuift, vaak met de suggestie dat zij hun Amerikaanse evenknie toch niet zomaar kunnen evenaren.
Verrassend wat de essayist allemaal weet te schrijven over de cult- en ook saaiere figuren. Maar minstens even boeiend is wat hij vertelt tussen de regels en literaire vlegels door. Ik las een prachtige ode aan de New York review, maar ook verhelderende inzichten over de kunst van het herlezen, over de herwaardering van het kortverhaal en de kracht van bloemlezingen.
Je moet er wel de tijd voor nemen, omdat er minstens evenveel namen in zitten als in een gemiddelde Dostojewski. Maar daarmee is het ook een topper. Die meteen ook heel wat andere toppers heeft doen toevoegen aan mijn Goodreads to read-lijstje. Het mag wat mij betreft een lange herfst en donkere winter worden. Mijn zeteltje staat klaar.
Een heel uitgebreide verzameling essays over Amerikaanse kunst, heel persoonlijke interpretaties toch van Joost Zwagerman en dit vooral over literatuur, schilderkunst en fotografie. Mijn tbr-lijst is er alvast door uitgebreid, misschien moet ik gewoon eens een Amerikaans themajaar inlassen om alles gelezen te krijgen :-)
Een klepper waar ik af en toe enkele essays in las, onder het motto trop is teveel maar ook ideale korte avondlectuur als je te vermoeid bent voor iets anders, het duurde dan ook bijna 2 jaar voor het uit was.
Zal vermoedelijk hier en daar nog eentje herlezen, oa die over Mark Rothko, want nu wil ik die schilderijen toch ook eens in het echt zien hoor.
"Americana" is een tweedelige pil van in totaal bijna 1200 bladzijden, met een verzameling beschouwingen en essays waarvan er vele in eerdere bundels van Zwagerman of in de krant zijn verschenen. Ze zijn hier wel thematisch gerangschikt: literatuur, muziek, film, beeldende kunst en fotografie. De ondertitel is goed gekozen: het gaat in de eerste plaats om de omzwervingen van Zwagerman. Wat Zwagerman gelezen, gezien of gehoord heeft staat er in en de rest niet: Americana heeft geen encyclopedische ambities. Er is ook geen poging tot een groot synthetisch inzicht in de "Amerikaanse cultuur", neen het is veeleer een lappendeken van stukjes hier en daar, die -doordat het er zo veel zijn- toch wel een goed -maar gedeeltelijk- overzicht geven van wat Amerika zoal aan "kunstige" expressie heeft voortgebracht in de tweede helft van de 20 eeuw vooral.
Zwagerman heeft bij zijn besprekingen en essays veel aandacht voor de persoonlijke, psychologische kant van schrijvers en kunstenaars en hun entourage. Voor de manier waarop zij als publieke figuur functioneren ook. Maar de poetica of kunstvisie komen natuurlijk ook aan bod. Ik vind de link naar de socio-economische en politieke achtergrond daarentegen veel te mager.
Bij het lezen van dit soort boeken hangt natuurlijk veel af van de voorkennis die je hebt. Die delen waar ik niets van kende (fotografie, delen van de schilderkunst) boden mij de ontdekking van mooie dingen en waren interessant als introductie. De Amerikaanse literatuur ken ik wat beter maar het aantal boeken en verhalenbundels dat Zwagerman gelezen heeft is wel erg indrukwekkend. Hier krijg je wel een denk ik vrijwel volledig overzicht van de moderne Amerikaanse literatuur (weliswaar geen theater). Het is fijn wandelen in een landschap dat je kent: het gevoel van orientatie is er al, maar je leert nieuwe verbindingswegen kennen, ziet bekende dingen bij een ander lichtinval en bemerkt dingen die je vorige keer niet had gezien.
Wat een contrast met de muziek: stukken over Madonna, Prince, Michael Jackson en David Byrne met zijn Talking Heads. De omzwervingen van Zwagerman in muziekland zijn dus eerder beperkt, meer daguitstapjes eerder: geen jazz of blues, geen Gerschwin of Bernstein. Hetzelfde geldt voor de film: een uiterst beperkte keuze: Lynch, de Coen broers, Woody Allen en voor de kenners: Deep Throat. Zwagerman is weer op zijn best bij de schilderkunst en andere beeldende kunst. Veel aandacht voor Andy Warhol, voorlopers en epigonen van de pop art. Maar ook Rothko, De Kooning, Pollock en vele anderen. Zwagerman kan over visuele kunst schrijven, dat is niet velen gegeven. Wie al eens de teksten van een tentoonstellingcatalogus heeft proberen lezen, weet wat ik bedoel.
Ter conclusie: fijne speeltuin met tuig van ongelijke kwaliteit.
Laat mij duidelijk zijn, Zwagerman verdient 5 sterren. Maar het stoort mij dat 15 hoofdstukken uit dit werk reeds verschenen in het slechts 3 jaar eerder uitgekomen Alles is gekleurd bij dezelfde uitgeverij De Arbeiderspers. De meeste overige hoofdstukken staan ook in andere uitgaves zoals "Kennis is geluk" en "Pornotheek Arcadia". Ik had die allebei in mijn TBR lijstje samen met "De stilte van het licht" maar zal ze dan maar allemaal schrappen. Maar Zwagerman is fantastisch, zijn kennis van en belezenheid in de kunsten is enorm. Maar bovendien, en dat wordt een beetje onderbelicht gewoonlijk, schrijft hij ook voortreffelijk.
Na 129 pagina’s stopte ik met lezen, en heb het boek gedurende ruim vier jaar niet meer opgepakt. Wel ben ik naar aanleiding van het boek On the road gaan lezen. Eigenlijk ook tijdverspilling.
Ik heb alleen de stukken gelezen die me interessant leken (dat waren ze ook). Ik hou van Joost, maar hagiografieën en bloemlezingen zijn gewoon niet mijn ding.
Twee dingen die ik meeneem uit deze bundel vol knappe essays:
1- Inconsequentie is niet dodelijk. In het eerste essay, rond de film “American Beauty”, schrijft Zwagerman dat het afschilderen van de voorsteden, suburbia, als een hel op aarde wellicht meer de realiteit weerspiegelt van de schrijver, die zich vaak aan een bekrompen milieu heeft ontworsteld, dan die van de bewoners, die blijkens onderzoek meer tevreden zijn over hun woonomgeving dan bewoners van steden of platteland. Dit was voor mij een nieuw idee, dat best eens waar zou kunnen zijn. In het laatste essay van de bundel schrijft Zwagerman met diepe bewondering over het werk van Gregory Crewdson, die prachtige foto’s maakt waarin de voorsteden worden voorgesteld als… een hel op aarde.
2- Belangrijke kunstcritici kunnen soms vreselijk uit hun nek lullen. Arthur Danto is een belangrijk kunstcriticus. Hij werd in 1964 van zijn paard gebliksemd door de Brillo Boxes die Andy Warhol tentoonstelde in the Stable Gallery in New York. Hij heeft daarover het volgende te zeggen: “Het pissoir van Duchamp is toch nog een bewerking. Akkoord, het is een readymade, maar we kunnen als we goed kijken de ingreep ontcijferen, de manipulatie door de kunstenaar. Warhol radicaliseerde de readymade. Want dezelfde boxen die de kunstliefhebbers zagen stonden twee blokken verder in de schappen van de supermarkten.” Dit is kletskoek: de tentoongestelde dozen waren niet van karton, zoals die in de supermarkt, maar bestonden uit gezeefdrukte zijde op triplex. Warhol maakte niet de ultieme readymade, hij speelde met de esthetiek van het banale. Wat Duchamp deed was radicaler dan Warhol en hij deed het vijftig jaar eerder.
last update: Boek 1 uit. Nu lange pauze voor boek twee. Voorlopig erg literair, paar leuke boeken wel gevonden, maar het mag ruimer gaan. Nov 22, 2015 09:47AM
Boek 2 uit. Veel aandacht voor schilderkunst en fotografie. Daarom eens zo jammer dat de afbeeldingen niet in full-color zijn, en dat er ook zo weinig zijn. Naar mijn goesting veel te weinig aandacht voor film.
"Een neerslag van een leven lang lezen en schrijven over Amerikaanse cultuur" en daarom gaat het ook over Mulisch in het eerste de beste essay dat ik eruit pak om te lezen.... FTW?!