In 'Echo's van het goede nieuws' werpt Cambridge-hoogleraar Geurt Henk van Kooten nieuw licht op de Evangeliën door ze te plaatsen in hun oorspronkelijke, historische context. Dat geeft een andere kijk op de zaak. Zo laat Van Kooten op overtuigende wijze zien hoe Jezus religie en politiek van elkaar scheidde en een innerlijke zoektocht naar waarheid opende. Op basis van gedegen bronnenonderzoek stelt Van Kooten het Evangelie van Johannes zelfs voor als het oudste – een uitdagende visie op vertrouwde opvattingen. Dit boek nodigt uit om de blijvende kracht van de evangelische boodschap in onze tijd te herontdekken.
Gelezen naar aanleiding van aflevering 280 van De Ongelooflijke Podcast.
Niet dat ik ook maar enigszins op de hoogte ben van de status quaestionis in het historisch onderzoek naar de evangeliën en -isten, maar uit o.a. de boeken van Karen Armstrong begreep ik altijd vaagweg dat: 1) Marcus het oudste evangelie was (geschreven tijdens de Joodse Opstand van 66-70); 2) Matteüs en Lucas een grof decennium later zijn geschreven (ca. 80) en zich baseerden op Marcus én een tweede, verloren gegaan document genaamd 'Bron Q' (waarbij Q staat voor 'Quelle', het Duitse woord voor 'bron', en dus heet het document eigenlijk 'Bron Bron'); 3) het Evangelie van Johannes aanzienlijk later is geschreven (ca. 100) en gezien wordt als het minst historisch.
En bovendien dat dit min of meer de consensus is die al jarenlang vaststaat en niet controversieel is.
Ik vond het dan ook superinteressant dat tijdens de aflevering van De Ongelooflijke de theoloog Geurt Henk van Kooten, die als Lady Margaret's Professor of Divinity aan de Universiteit van Cambridge bepaald niet de minste in zijn vakgebied is, dat dit helemaal fout is. Volgens hem is Johannes is niet het jongste evangelie, maar juist het oudste (geschreven ca. 65). En Lucas is niet gelijktijdig geschreven met Matteüs, maar juist veel later - ergens tussen 93 en 130. Verder stelt hij dat Bron Q helemaal niet bestaan heeft, of eigenlijk dat Matteüs zélf bron Q is (een soort Qanon avant la lettre dus), aangezien hij het evangelie van Marcus niet aanvult met citaten uit Bron Q, maar uit zijn eigen geheugen (of aantekeningen). En Lucas, gezien het feit dat hij niet tegelijktijdig maar zoveel later schreef dan Matteüs, gebruikte Matteüs gewoon als bron. En verder stelt hij dat de goddelijke natuur van Jezus geen latere uitvinding van de kerkvaders (en Johannes?) is, maar al meteen in Marcus wordt aangenomen en gepresenteerd.
Dat zo'n gezaghebbend iemand als Van Kooten zo'n minderheidspositie inneemt op zoveel punten, vond ik vrij spectaculair, en dus wilde ik dit boek lezen. In het boek presenteert en beargumenteert hij bovenstaande (en nog een paar andere) stellingen, en hij maakt het - voor mij, een leek, althans - vrij overtuigend dat het inderdaad kan kloppen wat hij allemaal zegt. In elk geval dat Lucas een stuk later is geschreven dan altijd gedacht, lijkt me gezien de argumenten en bewijzen die Van Kooten presenteert (hij draagt o.a. goede argumenten aan voor de stelling dat Lucas gebruik heeft gemaakt van Flavius Josephus' Joodse oudheden, dat is gepubliceerd in het jaar 93) zeer waarschijnlijk. Wat magerder is zijn bewijs voor de stelling dat Johannes in 65 is geschreven. Zijn voornaamste argument is dat er in één zinnetje in Johannes in de tegenwoordige tijd wordt verwezen naar een gebouw dat is verwoest is tijdens de Joodse Opstand van 66-7o.
Daar heb ik - gesteld dat ik een sceptische bui zijn, en gesteld dat ik de heren Dunning en Kruger even tussen haakjes zou zetten - iets op aan te merken. Als ik me namelijk zou willen uitgeven voor een Johannes die ooggetuige was, dan zou ik dat misschien ook wel gedaan hebben. Als ik bijvoorbeeld zou willen doen alsof ik in de jaren 1990 in New York heb rondgelopen, dan zou ik de Twin Towers bijvoorbeeld in mijn verslag vermelden. Wie nu denkt, Jamaar, waarom zou iemand zich willen voordoen als een Johannes die ooggetuige was van Jezus' doen en laten? Die wil ik erop wijzen dat niet minder dan 7 van de 14 'brieven van Paulus' in het Nieuwe Testament (50% dus) ook helemaal niet geschreven zijn door Paulus zelf, maar door 'deutero-Paulus(sen)' die zich voordeden als Paulus. Dit was, zoals ik dat begrijp uit Karen Armstrong, een hele normale praktijk in die tijd, een narratieve conventie die niet eens bedoeld is om te misleiden o.i.d., maar een hele normale manier om voort te borduren op een bestaand verhaal. Dus waarom kan hier geen sprake zijn van een 'deutero-Johannes' die zijn verhaal geloofwaardiger maakt door naar verwoeste gebouwen te verwijzen in de tegenwoordige tijd? Die mogelijkheid adresseert van Kooten überhaupt niet. (Nogmaals, ik weet helemaal niks van dit, dus ongetwijfeld is mijn kritische kanttekening heel debiel en potsierlijk, maar dat is nu eenmaal het kruis dat ík te dragen heb.)
Dit is echter maar een klein puntje, en het blijft dus staan dat Van Kooten de consensus op zo'n spectaculaire manier uitdaagt. Dit kan hij doen door zijn benadering, namelijk door de evangeliën te bekijken in hun Grieks-Romeinse setting. De evangeliën zijn immers geschreven in het Grieks, Jezus zelf sprak vermoedelijk Grieks (naast Aramees), en de gebeurtenissen van de evangeliën speelden zich allemaal af in een Grieks-Romeinse culturele context. Dus je zou denken dat deze teksten ook beschouwd worden door classici en vergeleken worden met andere Griekstalige teksten uit dezelfde culturele context. Maar gek genoeg gebeurt dat amper. Seculiere classici houden zich relatief weinig bezig met de Bijbel, en bijbelwetenschappers beoordelen deze teksten vooral de context van de (Hebreeuwse) Bijbel - alsof het om twee afgescheiden werelden gaat. Van Kooten benadert deze Griekse teksten als (inderdaad) Griekse teksten, oftewel als producten van de Grieks-Romeinse cultuur, en zet ze daarmee in een heel ander licht dan traditioneel door nieuwtestamentici en andere bijbelwetenschappers wordt gedaan. Dan wordt duidelijk dat grote delen van de evangeliën 'dubbel gecodeerd' zijn, bedoeld om zowel een Joods publiek als een Grieks/Romeins publiek aan te spreken, met verwijzingen naar zowel Griekse goden en figuren als naar de Hebreeuwse Bijbel. Op deze manier van lezen geven de evangeliën veel meer van hun geheimen prijs, en zo weet Van Kooten er dus enkele zeer spectaculaire stellingen uit te vissen.
Zeer fijn boek, al met al. (Maar dat was de podcastaflevering ook al.)
De professor Geurt Henk van Kooten - laat zich voor de zekerheid in Engeland, te Cambridge dus, George noemen - plaats hier de geschriften van vooral Markus, en ook Johannes, Lucas en Mattheus met veel literaire, historische, archeologische en overtuigende precisie in de context van de klassieke beschaving, met velerlei slimme verwijzingen naar antieke auteurs en historische annalen, opgesierd met afbeeldingen van opgegraven overblijfselen. Het geheel is een soepel lezende - stokte die soepelheid even in en rond de lange tabellen van wat Mattheus overnam van Marcus ? Kan aan mij gelegen hebben - overtuigende, interessante en intellectueel hygiensiche kijk op de vroege verhalen van het Christendom.