Dit boek bevat een bloemlezing, samengesteld door Pierre H. Dubois, van zeventien verhalen van Ferdinand Bordewijk. Men vindt er diverse kenmerken in terug van ander werk, zoals aandacht voor architectuur. Een paar fraaie voorbeelden hiervan staan in de verhalen ‘IJzeren agaven’, ‘Keizerrijk’ en het ontroerende ‘Ziel en correspondent’. Ook het mystieke en duistere kan men er aantreffen, naast veel meer humor dan in zijn romans: vaak bittere, dan weer zeer subtiele humor, soms zelfs een fijne ironie. De verhalen zijn chronologisch gerangschikt, van 1935 tot 1964.
Ferdinand Bordewijk was born in Amsterdam and studied law in Leiden. After graduation he worked at a Rotterdam law firm.
His first published work was a volume of poetry titled Paddestoelen ("Mushrooms") under the pen-name Ton Ven. It was not particularly well received.
His breakthrough came with the short novels Blokken ("Blocks", 1931), Knorrende Beesten ("Growling Animals", 1933) and Bint (1934), and two longer works Rood paleis ("Red Palace", 1936) and Karakter ("Character", 1938).
His style, which is terse and symbolic, is considered magic realism. He was awarded the P.C. Hooftprijs in 1953 and the Constantijn Huygens award in 1957.
Dat Bordewijk een Nederlandse vertegenwoordiger is van de stroming ‘nieuwe zakelijkheid’ is ook in deze uitgebreide bloemlezing van zijn verhalen, verschenen tussen 1935 en 1964, goed te merken. Daarbij hanteert hij een woordenschat die opmerkelijk rijk en gevarieerd is. De bondigheid zorgt bij mij echter voor het moeilijk kunnen ontkomen aan een gevoel van saaiheid. Dat vind ik te meer jammer, naarmate Bordewijk langer nodig heeft om aan een aldoor uitgesteld slotakkoord toe te komen. Hij legt veel aandacht aan de dag voor de architectuur en de stedebouwkundige aspecten van het door hem uitvoerig beschreven Den Haag. Verder zie ik in de inhoud van zijn verhalen wat gelatenheid en fatalisme opduiken, beter: opdoemen. Al met al brengt mij dat tot drie sterretjes. JM