Moet Dwalen was de eerste roman die ik las van Charlotte Mutsaers. De lovende recensie in De Standaard bracht me daartoe.
“spelend met de conventies van het sprookje, bulkend van de intertekstualiteit, eloquent – zelden zo welsprekend ruzie horen maken – en bij momenten puur taalspel dat bijna op poëzie lijkt.”, dat wilde ik ook wel beleven.
288 pagina’s later bedenk ik vooral hoe goed ik Willem Elsschot en WF Hermans eigenlijk wel vind. Iets met een reden voor elke mus die van het dak valt, schrijven is schrappen en in der beschränkung zeigt sicherdt de Meister.
Het boek bevat zeker heel wat mooie zinnen, dat mag niet onvermeld blijven. Maar als roman of algemene leeservaring?
Misschien hebben Mutsaers-lezers de Van Dale, het Grieks en de klassieke geschiedenis paraat in hun hoofd. Voor mij vergen naiaden, clavo clavorum
spezzatura, demiurgen, gnothi seauton, procrustesbed, kairosmoment, endaxi, urbexer,… en veel andere uitdrukkingen toch enig opzoekwerk. Mogelijks geeft het een aantal ingewijde lezers een goed gevoel over zichzelf. Bij mij ging het vooral ten koste van de vaart in de vertelling, terwijl ik vooral het gevoel kreeg dat de schrijfster (meer nog dan het personage Isi) gewoon aan het etaleren was, vaak zonder meerwaarde voor verhaallijn of personage.
Wat dat laatste betreft: de personages kwamen voor mij nooit van het papier. Had niet de indruk dat ik werd ingeleid in een bizar, maar op zijn minst wel coherent universum. Ik las gewoon mooie zinnen, met heel wat mooie variaties op alles wat met water en vloeien te maken heeft. Omwille daarvan toch nog twee sterren.