Een geestige en persoonlijke memoir over de relatie tussen vaders en dochters, schrijvers en lezers, en de verhalen die we van ons leven maken.
Pas wanneer iemand er niet meer is, begint het verhaal. Dat ondervindt Pauline Slot wanneer haar vader gestorven is. De laatste woorden zijn gesproken, maar wat heeft het allemaal betekend? Ze zoekt houvast bij een oude leesliefde: Simon Vestdijk, ooit een gevierd schrijver, nu grotendeels vergeten. In één jaar zal ze zijn 52 romans gaan lezen.
Haar gearrangeerde leeshuwelijk met Vestdijk blijkt turbulenter dan voorzien en leidt soms tot flinke onenigheid. Intussen valt haar leven ook niet in een plot te vangen. Wat wel kan: eigen woorden vinden, en een eigen stem.
Ik had er zin in en met de nodig verwachtingen begon ik aan dit boek over de romans van S. Vestdijk. Ik had me erop verheugd. Maar wat is dit een draak. Er gaat wel heel veel mis. Zeker, de ene roman van Vestdijk is overtuigender dan de andere, al is dat natuurlijk vooral een kwestie van (subjectieve) smaak. En het idee om een boek te schrijven waarin je de rouw om je overleden vader vermengt met het lezen van alle 52 romans van Vestdijk heeft iets heel moois. Wat er mis gaat formuleert Slot in het hoofdstuk dat gaat over Een Alpenroman: “Ik ben een literair opportunist: als het verhaal doet wat ik wil, mag Vestdijk best ongeloofwaardig zijn […].” Dat zg. ‘opportunistische lezen’ is wel een heel primitieve houding om litteratuur te lezen. Dat lezen als opportuniste wordt, denk ik, veroorzaakt door een aantal basale fouten.
1. Van het vruchtbare adagium van Roland Barthes, “L'écrivain est mort.” heeft Pauline Slot nog nooit gehoord. Zij verwijt Vestdijk in haar boek keer op keer van alles wat zijn verteller (die ze regelmatig abusievelijk gelijkstelt aan de schrijver) en personages doen en denken. Het is maar goed dat ze geen boek schreef over het œvre van een thriller-, misdaad-, of maffia-auteur. 2. Haar moralistisch lezen is nogal deficiënt en veroorzaakt onder andere dat ze alleen van de Vestdijkboeken kan genieten waarin auteur, verteller en personages de moreel juiste dingen doen. Maarten ‘t Hart zag dat wat duidelijker. Hij schrijft naar aanleiding van Vijf Vadem Diep: “Dat de roman bij verschijning niet naar waarde geschat werd, wijt ik vooral aan de stoet van onaangename figuren die deze bladzijden bevolken. […] Maar waarom zou een schrijver niet een meesterwerk mogen concipiëren over uitsluitend rotzakken?” Een vraag waarvan Pauline Slot hopeloos in de war zou raken. 3. De moraal die Slot als een klamme, duffe deken over de boeken van Vestdijk legt is nogal bekrompen en modieus. 4. Daarmee hangt samen dat vrijwel al haar moralistische bezwaren tegen verhalen, woorden en handelingen een anachronistisch karakter dragen. 5. Ze lijkt sommige boeken slecht of helemaal niet gelezen te hebben of ze vat slecht samen. Als voorbeeld mogen dienen de vele fouten in haar weergave van Else Böhler, Duitsch dienstmeisje. Zelfs met de naam van het hoofdpersonage zit ze mis én met de naam van degene die de protagonist vermoordt. 6. Ronduit infantiel zijn de kreten die Slot regelmatig neerpent op plaatsen dat ze het met de verhaallijn, een woord of wat dan ook niet eens is: ‘argh’, ‘bah’, etc.
Het is niet best. Door de drakerigheid van de manier waarop Slot Vestdijk leest, misverstaat, duidt en waardeert kan deze lezer zich niet interesseren voor de wederwaardigheden die de vertelster Slot meemaakt. Zoals zij soms de lectuur van Vestdijks romans afraffelt, zo bladerde ik steeds sneller langs de persoonlijke belevenissen van de schrijfster. En dat vind ik wel jammer, want het verwerken van het overlijden van haar vader, de ziekte en het overlijden van haar vader, zijn aangrijpend. De lezer die ik ben, kan deze zaken echter niet savoureren door de problematische behandeling van Vestdijk. Slot miskent Vestdijk de individualist en ook - in de woorden van Rob van Essen - dat Vestdijk “buiten zijn tijd stond”. Je zou kunnen zeggen dat Vestdijk buiten iedere tijd staat. Als je daar geen gevoel voor hebt, kun je een schrijver als Vestdijk beter niet lezen. De litteraire opvattingen van Slot vormen bovendien een contrast met het idee dat de litteratuur, zoals alle kunst, een vrijplaats is. Een reservaat waar alles kan en mag, zelfs wat verboden zou moeten worden. In de wereld van Slot is de wereld geplaveid met roze, rubberen tegels. Misschien moet Slot zich een volgende keer eens buigen over boeken die voorgelezen worden in de podcast ‘Boring books for bedtime.’
Aanvulling (21 januari): Tijdens een vraaggesprek in Nooit Meer Slapen wordt duidelijk hoe het hier zo mis kon gaan. Slot zegt (als ze na ‘Kind tussen vier vrouwen’ ‘Meneer Visser’s hellevaart’ gaat lezen): “Ik kon er ook heel veel in herkennen [in Anton Wachter, ab] […]. Toen ging ik naar de tweede roman, ‘Meneer Visser’s hellevaart’ en meneer Visser is gewoon een ontzettende etter van een vent, echt verschrikkelijk gewoon. En ik schrok gewoon heel erg en dacht ‘mijn God, wat is dit en dit is zo anders […]. Ik was een beetje geschokt eigenlijk van ‘dus dit zit ook in jou’ [….]” Ik vind het zeer wonderlijk dat een gepromoveerde neerlandica zo gevangen zit in een kennelijk louter op identificatie gerichte lectuur. Alles wat anders is, alles wat afwijkt van haar normen of de toevallige normen van vandaag ervaart ze als onaanvaardbaar. Ze lijkt op een kloosterling die na het lezen van heiligenlevens begonnen is aan het werk van D.A.F. de Sade.
Het enige voordeel is dat ik na het lezen van dit gekke boek het heerlijke idee heb met Vestdijk een bij uitstek subversieve schrijver te kunnen lezen.