In 2019 las ik mijn eerste boek van de geniale galbak Bernhard, "Houthakken", Ik was flabbergasted. Vroeg in 2020 las ik daarom nog vijf andere Bernhardjes direct na elkaar. Daarna nam ik even Bernhard- pauze. Onlangs las ik echter met veel plezier "De onderspitdelver", en meteen daarna dus "Wandeling", een door Ria van Hengel mooi vertaalde novelle (85 bladzijden), smaakvol uitgegeven door Uitgeverij Vleugels. Mijn achtste Thomas Bernhard - boek dus in iets meer dan een jaar. En het is vast niet mijn laatste.
In "Wandeling" vertelt ene Oehler aan zijn tegenwoordige wandelpartner, de naamloze ik- figuur van dit boek, hoe zijn vroegere wandelpartner Karrer uiteindelijk in krankzinnigheid is vervallen. Karrers ontzetting over de zelfmoord van de geniale - en dus door de maatschappij verfoeide, en tegen die verfoeiing weerloze- Hollensteiner speelde daarin een rol, maar ook sowieso Karrers steeds maar accumulerende wanhopige razernij over de totale lachwekkende voosheid en ultieme futiliteit van mens en wereld. De overgave aan die razernij en wanhoop, tot over de randen van de waanzin aan toe, lijkt mij echter deels ook een bewuste keuze. Dat tenminste maak ik op uit de volgende woorden van Karrer, in de weergave van Oehler, zoals beluisterd door de ik- figuur: "Ik doe mijn ogen dicht en leg mijn handen plat op de deken en neem de hele voorbije dag met grote intensiteit door, aldus Karrer. Met een intensiteit die steeds groter wordt, die je steeds groter moet maken, aldus Karrer. Je moet de intensiteit steeds groter maken, het kan zijn dat die oefening op een gegeven moment de grens naar krankzinnigheid overschrijdt, maar daar kan ik geen rekening mee houden, aldus Karrer. De tijd waarin ik ergens rekening mee hield is voorbij, ik houd nergens meer rekening mee, aldus Karrer. De toestand van volkomen onverschilligheid waarin ik me dan bevind, aldus Karrer, is een door en door filosofische toestand".
In zijn razernij en wanhopige walging kiest Karrer dus, volgens mij, er bewust voor om de intensiteit van die razernij tot in het ondraaglijke op te voeren, met totale onverschilligheid als beoogde filosofische toestand. Een toestand die, volgens mij, niet neerkomt op totale gevoelloosheid, maar op een intensiteit die "nergens meer rekening mee houdt", dus ook niet met overwegingen van het type "dit is niet gezond en ook niet verstandig". En die "filosofische toestand" die Karrer benoemt lijkt mij daarom een toestand voorbij het redelijk verstand en het gezonde zelfbehoud. Vandaar mogelijk Karrers krankzinnigheid, vandaar vermoedelijk de zelfmoord van zijn geliefde vriend Hollensteiner. Als lezer krijgen we weliswaar geen inzicht in die zelfmoord en die krankzinnigheid, maar wel in de intensiteit die tot krankzinnigheid en zelfmoord leidt.
Het steeds maar opvoeren van die intensiteit, en dus van de even razende als wanhopige walging, is bovendien manifest in de stijl van "Wandeling". Want alle zinnen rijgen zich aaneen zonder alinea-indeling en dus zonder de pauzes van een stuk wit, en in die zinnen worden allerlei motieven en formuleringen voortdurend met steeds toenemende en woede herhaald. Elke zin zindert op zichzelf al van intensiteit, maar die intensiteit wordt nog opgevoerd door de zinnen die zonder enige pauze daarna volgen. Wat je als lezer trouwens nog beter opmerkt als je een stukje van dit proza hardop leest. Bovendien, Karres woedende en wanhopige woorden worden ons opgediend in de eveneens woedende parafrase of weergave van Oehler, en die weer door de ik- verteller die we niet leren kennen maar die zo te zien ook zeer van de wereld walgt. Resultaat daarvan is een polyfonie van steeds bozer en wanhopiger klinkende stemmen. Een steeds intensere fuga dus van woede en wanhoop en walging.
Daarnaast zorgt deze meervoudigheid van het vertelperspectief er ook nog eens voor dat alles ons via- via- via wordt verteld: we vernemen immers niks direct en uit de eerste hand. En dat laatste, aldus althans Karrer volgens Oehler in de parafrase van de ik- figuur, is altijd ons treurige en lachwekkende lot: elke kennis is alleen zogenaamde kennis, elke wetenschap is alleen zogenaamde wetenschap, elk begrip is alleen zogenaamd een begrip. Of, in Kallers/Oehlers woorden: "Als we met mensen te maken hebben, hebben we altijd met zogenaamde mensen te maken, net zoals we, als we met feiten te maken hebben, altijd met zogenaamde feiten te maken hebben, zoals de hele materie immers, omdat die uit niets anders komt dan het menselijke hoofd, ook slechts een zogenaamde materie is, omdat alles, zoals we weten, uit het menselijk hoofd komt en uit niets anders, als we HET BEGRIP KENNIS begrijpen en accepteren als een door ons begrepen begrip".
Kennis en zelfkennis zijn dus feitelijk onmogelijk, aldus Oehler, deels via Karrer. En dat wordt later nog explicieter gezegd: "Als we naar onszelf kijken, kijken we immers nooit naar onszelf, maar altijd naar iemand anders. We kunnen dus nooit van kijken naar onszelf spreken zonder erover te spreken dat we naar onszelf kijken, die we echter nooit zijn als we niet naar onszelf kijken, en dus kijken we, als we naar onszelf kijken, nooit naar degene naar wie we bedoelden te kijken, maar altijd naar iemand anders. Het begrip kijken naar jezelf, dus ook beschrijven van jezelf, is dus verkeerd. Zo beschouwd zijn alle begrippen (beelden), zegt Oehler, zoals kijken naar jezelf, zelfmedelijden, zelfbeschuldiging enzovoort, verkeerd. Wijzelf zien onszelf niet, we hebben nooit de mogelijkheid onszelf te zien. Maar we kunnen ook een ander niet uitleggen hoe hij is, omdat we hem alleen maar kunnen uitleggen HOE WIJ HEM ZIEN, wat waarschijnlijk overeenkomt met wat hij is, maar dat we niet ZO kunnen uitleggen dat we kunnen uitleggen ZO IS HIJ. Zo is alles altijd iets anders dan het voor ons is, zegt Oehler. En altijd iets heel anders dan het voor al het andere is. Nog helemaal afgezien van het feit dat zelfs de namen die we geven heel anders zijn dan de werkelijke namen. In die zin kloppen alle namen helemaal niet zegt Oehler. Maar als we zulke gedachten hebben, zegt hij, zien we al snel dat we in die gedachten verloren zijn."
Sommige taalfilosofen zeggen iets vergelijkbaars als Oehler: elke kennis en waarneming is subjectief en begrensd, elk begrip van onszelf en de wereld geeft maar heel beperkt greep op onszelf en die wereld. Maar die taalfilosofie is behoorlijk wat droger en minder intens dan bovenstaande manische monoloog. Immers, wat bij de taalfilosofen een wijsgerige positie is die via redeneringen wordt bereikt, dat is in "Wandeling" een diep doorvoeld en wanhopig makend besef. Ook Wittgenstein of Nietzsche kenden vermoedelijk wel momenten van dit soort wanhoop, maar in "Wandeling" is die wanhoop er continu en op de voorgrond. Vandaar de steeds toenemende intensiteit van de stijl. Vandaar ook de steeds herhaalde meervoudigheid van het vertelperspectief, die de zogenaamdheid en indirectheid en onvolkomenheid van alle kennis er nog eens goed inramt bij de lezer. "Maar als we zulke gedachten hebben, zegt hij, zien we al snel dat we in die gedachten verloren zijn", zegt Oehler: door de intense stijl en het meervoudige perspectief is dat gevoel echter al voelbaar gemaakt nog voordat Oehler dit zegt. En die verlorenheid die Oehler benoemt, is wellicht te vergelijken met de onverschilligheid en krankzinnigheid waar Karrer, aldus Oehler, over sprak: een toestand van nergens meer rekening mee houden, die wordt bereikt door de intensiteit stelselmatig te vergroten, en daarmee ook het in het normale leven geloochende besef van totaal niet- weten en van volstrekte ontoereikendheid.
Voor mij is dit boekje dus één langgerekte oefening in intens ervaren en beseffen van niet- weten en ontoereikendheid. Een light- versie uiteraard van wat Karrer doet, want we hebben geen zin om gek te worden, maar niettemin. De taalfilosofische elementen van deze oefening vind ik behoorlijk virtuoos, en die had ik in andere Bernhard- boeken nog niet zo gezien. De oefening is ook rijk aan slapstick: Karrer loopt bladzijden lang even manisch als dolkomisch leeg over de volgens hem matige kwaliteit van bepaalde door een kleerhandel gebruikte stoffen, over iets totaal futiels dus dat door hem tot gigantische proporties wordt opgeblazen, en vrij vroeg in het boek hebben de ik- figuur en Oehler een bijna Beckettiaans idiote onenigheid over wat voor hoeden een mens moet dragen en wat voor schoenen. Die slapstick heb ik in mijn citaten niet laten zien, maar hij is wel wezenlijk: al het wanhopig makende in Bernhards universum is namelijk ook lachwekkend, en dat lachwekkende verdiept misschien nog wel de wanhoop. Of in elk geval het besef van ontoereikendheid. En ik vind het nog steeds heel gezond om dat besef af en toe te oefenen, of op zijn minst actief toe te laten. Zeker als ik dat kan doen met hulp van Bernhards vrituoos geschreven boeken.