Urgent en Peter Kanne schetst een confronterend beeld van de Nederlandse weerbaarheid en zet je aan het denken. Hoe kunnen we ons leven gezonder, democratischer, duurzamer en meer solidair maken?
Peter Kanne schetst een verontrustend beeld van de Nederlander als genotzuchtige individualist. In vergelijking met inwoners van andere landen trekt de Nederlander zich nog meer terug in zijn eigen kleine, genoegzame wereldje. Gewend – of verwend – als we zijn aan onze luxe en individuele vrijheden, verliezen we de blik op het de gemeenschap. Maar, zo waarschuwt Kanne, de wal dreigt het schip te keren. Als we niet bereid zijn uit onze comfortabele cocons te stappen, komen niet alleen onze welvaart en onze mentale en fysieke gezondheid, maar ook onze democratie in gevaar.
Aan de hand van objectieve cijfers, wetenschappelijk onderzoek en opinieonderzoek duidt Kanne de ontwikkelingen op het gebied van economie, communicatie, gezondheid, duurzaamheid en democratie. Het vaste het systeem – de markt, big tech, een weifelende overheid – houdt consumentisme en genotzucht in stand. Maar het individu – de consument, de burger – laat het zich ook makkelijk aanleunen.
In dit boek opent Peter Kanne ons de ogen voor deze patstelling en richt hij de blik op de toekomst. Hoe is dit patroon te doorbreken, hoe kan de Nederlander zijn weerbaarheid terugvinden? En wat zou de rol van de overheid, het bedrijfsleven en de (intellectuele) elite moeten zijn?
Peter Kanne werkte de afgelopen 25 jaar als onderzoeksadviseur, eerst bij TNS NIPO en I&O Research en nu als senior adviseur bij het gerenommeerde bureau IPSOS I&O. Hij houdt zich bezig met politiek, draagvlak, beleid en duurzaamheid en adviseert belangenorganisaties, politieke partijen en overheden. Hij treedt geregeld op als opinieonderzoeker in de media. Kanne publiceert over politieke en maatschappelijke onderwerpen in de Volkskrant, Trouw, StukRoodVlees, S&D en andere dag- en vakbladen. In 2011 verscheen zijn boek Gedoogdemocratie. Heeft stemmen eigenlijk wel zin?
Moralisme doet soms een beetje pijn, zeker als je het er eigenlijk wel een beetje mee eens bent. Ik voelde mij af en toe wat geïrriteerd maar dat is waarschijnlijk omdat ik mij aangevallen voel. Beroep op beter burgerschap, heard!
Vol geschreven, allerlei cijfers en gegevens die een overtuigend verhaal vormen. Maar ik heb niet het idee dat ik iets nieuws gelezen heb ten opzichte van wat ik steeds in de krant lees. Belangrijker: de diepere oorzaken van de 'ik-verslaving' worden niet blootgelegd, waardoor de oplossing ook een set handelingsdirectieven is die wel bekend is en daarmee voorspelbaar.
Hoewel hij geen onwaarheden vertelt, blijft het morele pleidooi van Kanne mijns inziens steken in een brij van feiten. Hij probeert conceptueel aan te haken bij de modeterm 'weerbaarheid'. Vind ik matig geslaagd. Het mag allemaal een spade dieper. Een serieuze reflectie op religieuze ontwikkelingen (secularisatie als aanjager van individualisering) ontbreekt bijvoorbeeld.
We need to get our heads out of our asses, helder! Waarom? Daar gaat het grootste deel van het boek over. Hoe? Eigenlijk op best wel haalbare manieren. Wat altijd lastig is met zo'n boek met veel statistieken is dat het over gemiddelden gaat en dat je direct heel veel voorbeelden in je hoofd krijgt die absoluut niet gemiddeld zijn, logisch. Het punt is dat het gemiddelde van veel genoemde zaken te hoog ligt en dat het allemaal beter/minder kan. Van bijvoorbeeld grote vervuilers/rijke mensen weten we allemaal dat zij hun leven zouden moeten verbeteren en het is makkelijk wijzen naar hullie. Daarmee wordt jouw leven niet beter en de samenleving ook niet. In dit boek wijst Kanne op een veel breder beeld van duurzaamheid en weerbaarheid waar ook de mensen die geen cent te makken hebben en niet-werkenden aan mee kunnen doen. Het gaat om verbinding maken met je directe omgeving, zorgen voor een zo gezond mogelijk lijf, wèl je kop boven het maaiveld uitsteken als je merkt dat iets niet klopt. Het meeste wat ik las was niet heel verrassend, maar het liet me wel op een andere manier kijken en het activeert op een manier die niet radicaal hoeft te zijn.
Blog n.a.v. ‘Lang zal ik lekker leven’ van Peter Kanne
Een seculiere preek – zo zou je dit boek kunnen noemen. Want de lezer krijgt een gedreven boodschap mee. Ons individualisme is doorgeschoten. En we mogen ons wel iets, of veel, meer inzetten voor het algemeen belang, voor het collectief. Het is wel een goede seculiere preek – want Kanne onderbouwt zijn boodschap goed. Als opinieonderzoeker haalt hij veel onderzoeken aan, en op basis van die kennis en wetenschap, komt hij tot aanmoedigingen voor een beter leven, met als doel: een betere samenleving. Kanne legt zijn kaarten op tafel – hij is helder en duidelijk over waar hij zich zorgen over maakt, en hij pelt veel thema’s af, om de lezers in beweging te krijgen. Een aanrader! Wat mij opviel tijdens het lezen:
“Nederlanders zijn, zo zou je kunnen zeggen, welvaartshypochonders. (…) De alledaagse ergernissen zitten ons zo in de weg dat we de grote, wezenlijke kansen en bedreigingen niet zien.” “Waarom is het morele appel aan onszelf, elkaar, onze politieke leiders en de bedrijven waar we onze spullen kopen of waardoor we ons in de luren laten leggen, is nodig.” “Niet iedereen kan een held zijn, maar een tikje minder zelfzuchtig en iets heldhaftiger mag het wel. Met de grote onweerswolken die op ons afkomen, wordt enige moed van ons allen gevraagd.” “Het systeem – de markt, big tech, een weifelende overheid, onze niet-aflatende behoefte aan prikkels – houdt ons in een houdgreep en houdt daarmee consumentisme en genotzucht in stand. Maar wij consumenten, burgers, kiezers laten het ons erg makkelijk aanleunen. (…) En met ons doorgeschoten individualisme en het lekkere leven waar we ons in onderdompelen, zorgen we er onvoldoende voor dat we weerbaar zijn als die uitdagingen zich aandienen.” “Om die weerbaarheid te vergroten is het nodig dat mensen zich verbonden voelen met de gemeenschap waarin ze leven, hun wijk, familie, vrienden en kennissengroep.” “Als de samenleving sterker individualiseert (…) stellen ook burgers zich meer op als ego’s en minder als lis van een groep. Ze maken keuzes die vooral voor henzelf goed zijn en houden minder rekening met de rest, de gemeenschap, de buurt, het land; de groep als geheel zal uiteindelijk zwakker worden.” “Degenen die nu beslissen geen kinderen te willen krijgen, hebben straks geen eigen nageslacht dat voor ze kan zorgen en zullen dus een beroep moeten doen op de overheid of op kinderen van leeftijdgenoten.” “Beter zou het zijn met elkaar te streven naar een mentaliteitsverandering, waarin ons gedrag een tandje minder assertief en twee tandjes geduldiger wordt. Daar hoort ook het besef bij dat we niet overal en stante pede recht op hebben.” “We gaan minder werken omdat we het willen en omdat het kan. (…) In vergelijking met de rest van de wereld is de Nederlander het minst ambitieus als het gaat om carrière maken. (…) Het is goed ons te realiseren dat we niet alleen voor onszelf aan het werk zijn, maar ook voor degenen die daartoe niet in staat zijn: ouderen, gehandicapten, arbeidsongeschikten. (…) Om de huidige welvaart en het noodzakelijke voorzieningenniveau te kunnen handhaven is meer inzet van iedereen nodig. (…) Zeg ik: ‘doe maar waar je gelukkig van wordt’ of voeg ik daaraan toe: ‘Kijk ook eens waar je nodig bent’? “Praat met elkaar over je gedrag! Zonder elkaar te veroordelen. Stel elkaar de vraag: kunnen we het ook anders doen?” “Individualisme schiet meer en meer door naar genotzucht, egoïsme en hufterig gedrag. Hedonisme dat bij elke volgende generatie weer een beetje in kracht toeneemt, verantwoordelijkheidsgevoel en compassie die navenant afnemen. Werknemers die vooral belang hechten aan een fijne werk-privébalansen vrije tijd, en niet van plan zijn meer te gaan werken. Burgers die het nieuws meer en meer uit de weg gaan en die zonder een beeldscherm nauwelijks nog in staat zijn normaal te communiceren. Consumenten die zich onbeperkt overgeven aan vet, zout of zoet voedsel. Het overdadige zoet geeft ons shotjes dopamine, zoals ook sociale media dat doen. Nederlanders die weliswaar snappen dat de wereld zwaar lijdt onder klimaatverandering, maar toch niet in staat of bereid zijn hun gedrag hiervoor aan te passen. Burgers die denken dat democratie een keuzepakket uit het assortiment van Thuisbezorgd is, kiezers die verworden zijn tot staatsklanten.” “Onder deze neigingen ligt een ongebreideld, verkeerd begrepen en door marktpartijen misbruikt ‘geloof in de ‘vrijheid van het individu’. Een doorgeschoten individualisme waar het collectief zwakker van wordt. Grote delen van de samenleving kennen God noch gebod, alleen de eigen behoeftebevrediging geldt. (…) Vrijheid is niet je van niets en niemand iets aantrekken, maar het besef dat we vrije, autonome wezens zijn die deze vrijheid kunne inzetten om onszelf, de ander en onze omgeving te ontwikkelen en verder te helpen. Vrijheid is bovendien iets wat steeds weer bevochten moet worden.” “We verweken, raken steeds afhankelijker en zijn minder weerbaar.” “Ergens moet een begin zijn. Iemand moet als eerste z’n vinger opsteken als iets in een organisatie niet deugt, wijzen op een misstand, een beweging ergens voor of tegen starten, het initiatief nemen voor een demonstratie. (…) En misschien moet jij dat zijn.” “We moeten opstaan en leiderschap tonen of we staan op als iemand leiderschap toont. En als we zijn opgestaan zouden we anderen kunnen uitnodigen mee te doen of als iemand is opgestaan voor iets waar we het mee eens zijn, steunen we hem of haar.” “Ouders dienen het kind orde, structuur en regels te bieden waarin ze hun macht als ouders laten gelden.” “Ergens moet het handelen beginnen! Lager kunnen we de lat helaas niet leggen.”
Het vingertje in dit boek wordt hoog geheven. Dat is geen toeval: de strekking van het boek is Kanne’s ‘De ideale staat’ door een anachronistische moraal te herintroduceren. Ik zie Kanne dan ook als prediker op het marktplein, verwaaid en verregend, schreeuwend naar de genotzuchtige, corpulente en amoralistische consumenten die voorbijstruinen. Al prekend beschrijft en diagnosticeert hij de ziekte van onze decadente samenleving, gelardeerd met zelf opgestelde onderzoeksrapporten. Het geluk wil dat hij het panacee in handen heeft: “Heb uw naasten lief”, “Kijk naar elkander om” en “Schikt u naar de deugd”.
De prediker vangt een glimp op van een opgeworpen blik van een doorweekte voorbijganger. Met een stramme hand houdt hij zijn kartonnen Primark-tasje vast en kijkt met glazige ogen de prediker vragend aan. De voorbijganger laat de woorden tot zich doordringen en knikt instemmend mee. Abrupt loopt hij verder en denkt bij zichzelf: “Snel naar huis, mijn vlucht naar Zanzibar vertrekt immers vroeg morgenochtend.”
Ik ben het grotendeels eens met de analyse, er is een sterker collectief nodig en Nederlanders zijn verwende nesten. Maar de oplossingen vind ik te kort door de bocht en te oppervlakkig. Werk moet aantrekkelijker worden zodat vrouwen meer uren willen werken bijvoorbeeld, want dat zouden ze nu gewoon niet willen. Daar is echt meer voor nodig. Wel een boek dat aanzet tot nadenken en wat interessante feiten.
Vlot geschreven, met veel feiten, veel weet je misschien al, maar toch lukt het de schrijver me mee te nemen en een verassende spiegel van Nederland voor te houden, waarbij er niet enkel ruimte is voor beklag maar ook voor oplossingen en voorbeelden hoe het wel kan.