Integer en intiem essay over de op een na beroemdste dagboekenschrijfster van de Tweede Wereldoorlog. ‘Het zijn bange tijden, mijn God,’ schrijft Etty Hillesum in haar beroemde oorlogsdagboek, medio juli 1942. Aan het einde van die maand zal ze vrijwillig naar Kamp Westerbork vertrekken, als hulpverlener namens de Joodse Raad. Onderduiken wil ze pertinent niet, hoe vrienden ook aandringen. Jan Oegema schetst haar als een moderne Antigone, een vrouw overtuigd van een eigen missie en lotsbestemming. Ambitieus, strijdbaar, vrijgevochten, gelovig en zich met al haar zelfkennis groeiend bewust van de raadselachtigheid van haar drijfveren. Moed wordt al snel een thema in de dagboeken. Hillesum neemt zich voor moedig te worden, ‘de moed te hebben tot zichzelf’. Ze formuleert concrete stappen die nodig zijn om haar doel te bereiken. Voor wie haar daarin nauwlettend volgt, ontvouwt zich een ware pedagogiek van de moed. Dat maakt haar in een tijd van duister wereldnieuws opnieuw relevant.