Wie zich ergert aan de zouteloze sprookjes en verhaaltjes die ouders, kleuterjuffen en andere opvoeders over onze kinderen uitstrooien - om van de afgelikte Disneyversies nog te zwijgen - zal zich verkneukelen in deze verzameling van Vlaamse volkssprookjes die Marita de Sterck ons in dit boek voorschotelt. Ze is daarbij niet aan haar proefstuk toe, maar ging al vaker op zoek naar oerversies van het vertelmateriaal dat wereldwijd bloeide in pre-televisietijden. En dan blijkt meteen dat vele van die zoetsappige vertelseltjes van vandaag teruggaan op een drollige, scabreuze, erotische of griezelige oerversies; stuk voor stuk ruwe diamanten die de huidige kapotgeslepen versie grotelijks overtreffen. Het is een genot deze versies opnieuw te kunnen lezen en - waarom niet - te vertellen aan onze kinderen, die heus niet zo'n tere zieltjes (horen te) hebben.
In veel van die vertelsels herken je meteen de thematiek van Assepoester, Sneeuwwitje, de Kikkerkoning, Doornroosje, Klein Duimpje en al die andere sprookjes die we gewoon zijn als 'kinderliteratuur' te klasseren. Je stelt je moeiteloos voor hoe die destijds rond het haardvuur op lange winteravonden zonder enig ander vertier werden verteld voor een gemengd publiek van overgrootouders tot achterkleinkinderen. Dat ze meer dan eens gruwelijk waren, obsceen of scatologisch hoorde er gewoon bij. De erbijbehorende wensdromen hebben bijna altijd te maken met koningsdochters als bruid van vaak dwazen, mismaakten of door de maatschappij uitgestotenen. Je ziet ze kwijlend luisteren.
Een van de kostelijkste verhalen vond ik 'Van de koningsdochter die alleen maar wou trouwen met een man die haar kon vastpraten'. Niet één man kon op tegen deze vuilgebekte flapuit, tot een halvegare het probeert in deze eufemistische erotische dialoog:
Hij: 'Oef, dat is hier warm!'
Zij: 'In mijn oven is het nog veel warmer.'
Hij: 'Ja, zou ik daar dan mijn mus in kunnen braden?'
Zij: 'Ja, maar het vet zou eruit lopen.'
En zo gaat het dan nog even door. Interessant is dat zelfs van zo'n verhaal een geromantiseerde en gekuiste schooluitgave bestond, waarin 'mijn oven' dan braafjes door 'mijn hart' was vervangen.
Ten slotte viel mij op dat kussen zelden aan de orde was in de oerversies, terwijl die in de gekuiste versies juist opvallend aanwezig is. De doornroosjelookalike wordt hier gewekt door een prins die een ring van haar vinger haalt (en ze trouwt bovendien niet met hem, maar met een minder saaie roverhoofdman); de dubbelganger van de kikkerkoning krijgt ook al geen kus, maar zijn geliefde moet zijn buik opensnijden, waaruit de stralende prins tevoorschijn stapt.
'Vuil vel' houdt ons een spiegel voor waarin we niet altijd de mooiste kantjes van onszelf te zien krijgen, maar ons wel wapenen tegen deze duisternissen door ons een 'Dik vel' te bezorgen.
En dan nog dit: 'Vuil vel' is alleen al het kijken/lezen/hebben waard omwille van de prachtige zwartwitprenten (linosneden) van Jonas Thys.