Thomas Bernhard heeft vijf autobiografische jeugdvertellingen geschreven. Twee daarvan zijn vertaald: het woedende, bijna rabiaat boze "De oorzaak" dat ik kort geleden las, en het veel mildere "Een kind". Ik noem het "jeugdvertellingen" omdat ze weliswaar autobiografisch zijn maar tegelijk ook veel verzinsels schijnen te bevatten: ze gaan over van ellende en doodsangst vergeven jeugd van Thomas Bernhard, maar door alle verzinsels en andere romaneske stijlfiguren heeft de ik- figuur in beide boeken soms de trekken van een romanfiguur. Dus kun je ook "Een kind" volgens mij op twee manieren lezen: als een autobiografie of als een zelfstilering met autobiografisch materiaal.
Het is, hoe je ook leest, wel een heel ontroerend boekje. Veel minder doordesemd van woedende tirades dan andere boeken die ik van hem ken, maar net zo wanhopig. Voor mij was dat intrigerend: ik vond het mooi om te merken dat de wanhopige Bernhard naast woede ook nog geheel andere tonen beheerste. Heel fraai zijn bijvoorbeeld de bijna tenenkrommende passages waarin Thomas Berhards moeder haar totale frustratie uitleeft op haar nog piepjonge kind, met de bullenpees en door woedend en schrijnend gescheld: iets waar de oudere Bernhard verrassend genoeg niet met razernij op terugkijkt, maar met mild en verzoenend begrip voor haar wanhopige frustratie. Een prachtige combinatie van genadeloosheid en mededogen, vind ik: genadeloos omdat Bernhard al die frustratie zo ongecensureerd en ongefilterd beschrijft, en toch vol mededogen omdat hij die frustratie niet veroordeelt of met een vlijmende filippica beantwoordt. Ook mooi is hoe Bernhards grootvader gestalte krijgt in "een kind", als aarts- anarchist, als man van de geest die het burgerdom grondig haat, als mislukkend schrijver en filosoof, en als Thomas Bernhards bewonderde geestelijke vader. Dat werpt voor mij een mooi nieuw licht op alle haat van Thomas Bernhard zelf jegens het burgerdom, en op de mislukte kunstenaars en denkers in andere Bernhard- boeken die ik net las: "Vorst" en "De kalkfabriek".
Dat het boekje ontroert heeft uiteraard te maken met de treurnissen die Bernhard ons voorzet: de angsten tijdens oorlogstijd, de vernederingen die hij als onecht kind en als bedplasser thuis onderging en in een nazistisch jeugdkamp voor moeilijk opvoedbare kinderen, de schooltijd waarin hij outcast was omdat zijn begaafdheden totaal niet aansloten bij wat die school van hem vroeg en hij niet de begaafdheden had die van schoolkinderen werden gevraagd, enzovoorts. Maar naar mijn gevoel wordt de ontroering vooral veroorzaakt door de stijl van Bernhard: wat hij beschrijft is schrijnend genoeg, maar nog schrijnender is hoe hij dat doet. Bijvoorbeeld door zijn - vermoedelijk verzonnen- herinnering dat zijn alleenstaande moeder hem, als baby, elke dag onderbrengt in een viskotter die dan moet dienen als een geïmproviseerde kindercrèche. "[D]e vrouw van de visser had pleegkinderen in hangmatten onder het dek, zeven tot acht borelingen hingen aan de houten zoldering van de viskotter en werden telkens op verzoek van de een- of tweemaal per week opdagende moeder van de zoldering neergelaten en getoond. Ik zou telkens erbarmelijk hebben gehuild en zolang ik mij op de viskotter had bevonden zou mijn gezicht met steenpuisten bezaaid en misvormd zijn geweest, omdat op de plaats waar de hangmatten hingen een ongelofelijke stank en een ondoordringbare walm hadden geheerst. Maar mijn moeder had geen andere keuze". Uit andere recensies begrijp ik dat Bernhard dit verzonnen of op zijn minst overdreven heeft, maar naar mijn idee heeft dat wel een functie: het hele boek door voelt de jonge Bernhard zich een monster, het hele boek door huilt hij daarom, en dat zo schrijnende gevoel wordt hier gevat in één grotesk uitvergroot beeld. Dat, ook hier weer, met mededogen gepaard gaat: zijn moeder had geen andere keuze, aldus haar terugblikkende zoon.
Juist dit soort beelden en scenes maken "Een kind" voor mij tot een schrijnende autobiografische vertelling. Samen met terloopse zinnen als "We hadden drie kinderen uit het weeshuis in de klas, met hen voelde ik mij het meest verwant". En samen met de stijl van het boek als geheel: de 111 pagina's bestaan uit één enkele alinea, zonder stuk wit, waardoor de ene scene vol treurige ellende of teleurstelling of angst aan de andere wordt geplakt zonder dat je als lezer een pauze of rustpunt krijgt. Want die had Thomas Bernhard zelf ook niet. Wat nog versterkt wordt doordat Bernhard niet chronologisch vertelt, en allerlei treurigheden uit het verleden verbindt met nieuwe treurigheden later. Ook wordt de treurnis kracht bijgezet door geraffineerd spel met motieven: vroeg in het boek lees je hoe de piepjonge Thomas samen met een vriendje hele fantasiewerelden ontwerpt, later lees je hoe die fantasie nog verder wordt gevoed door met de vinger reizen door de atlas en per trein door Duitsland en Oostenrijk. Allemaal ontroerende verlossingen van de alomtegenwoordige naargeestigheid. Nog later echter zie je hoe Thomas tijdens de oorlog een hele griezelwereld droomt van spookachtige doodshemden en hoe een treinreis hem tot totale wanhoop voert omdat die hem meeneemt naar het naargeestige opvoedingskamp. Fantasie verliest zijn onschuld en zijn verlossende karakter. Treinreizen helpen Thomas niet langer om aan de naargeestigheid te ontsnappen. Precies dat maakt Thomas Bernhard voelbaar, niet door het ons expliciet te vertellen, maar door het tussen de regels door te tonen. En dat vind ik mooi gedaan.
Een mooi geschreven en schrijnend- ontroerende autobiografische jeugdvertelling, kortom. Misschien moet ik de nog niet vertaalde andere drie jeugdvertellingen ooit in het Duits lezen, ook al kan ik dat eigenlijk niet. Maar eerst lees ik op zijn minst nog één Bernhard in vertaling, want hij blijft mij fascineren.