Schrijver en historicus Ewoud Kieft vertelt het verbijsterende verhaal over het uitzinnige enthousiasme dat bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog losbarstte onder Europa’s schrijvers, kunstenaars, journalisten en wetenschappers: hoe konden duizenden intelligente, vooruitstrevende en sociaal geëngageerde mannen en vrouwen veranderen in militante, oorlogsverheerlijkende radicalen?
In een lezing voor Rob Riemen’s Nexus-instituut, Geschiedenislessen, breekt de populaire Britse historicus Simon Schama een lans voor het terugbrengen van verhalen in de geschiedsbeoefening. Schama wijt de geringe publieke belangstelling die voor zijn vak bestond - want er is een kentering gaande - aan de academische ivoren toren waarin het zich heeft opgesloten. Dat er een grote belangstelling voor geschiedenis bestaat - mits in vlotte en verhalende vorm gebracht – bewijst de populariteit van zijn eigen boeken en documentaires, zegt Schama.
Schama zou Ewout Kieft’s Oorlogsenthousiasme ongetwijfeld op prijs stellen. Kieft heeft zijn afstudeerscriptie omgewerkt tot precies zo’n vlot leesbaar verhaal. In dit mooie stuk mentaliteitsgeschiedenis komen het denken en de geestelijke atmosfeer van de intellectuele elite en de kunstenaars uit het begin van de twintigste eeuw haast naast je op de bank zitten.
Naast de politieke en strategische verwikkelingen in het gistende Europa laat Kieft vooral het geestelijke en artistieke klimaat in de verschillende landen van ons deel van de wereld zien. Een wereld waarin kunstenaars en intellectuelen verlangen naar het einde van de lange 19de eeuw, die werd ingeluid door de Franse Revolutie en pas in 1918 ten einde liep. Of, volgens muziekliefhebbers, in Parijs in 1913 bij de premiere van Diagelev en Stravinsky’s Sacre du Printemps.
Wat me nogal treft in Kieft’s boek is de betrekkelijke nabijheid van de mentaliteit onder jonge kunstenaars die hij beschrijft. Soepeltjes laat Kieft zien hoezeer de politieke en artistieke Europese avant-garde uit het begin van de 20ste eeuw zijn schaduwen over de hele eeuw heeft geworpen.
Wie bijvoorbeeld wel eens in de alternatieve politieke scenes van de jaren tachtig heeft rondgelopen moet veel van het rondvliegende gedachtengoed bekend voorkomen. Misschien zegt dat iets over die subcultuur. Voor de sixties geldt dat trouwens ook. Spiritualiteit, de roes, terug naar de natuur, pacifisme, vrije sex, kunst en theater, het verlangen naar een ideale wereld, het was er allemaal al in de kunstenaarskolonie op Monte Verità.
Op een plateau zo’n 300 meter boven het bergmeer Lago Maggiore, bij de Zwitsers-Italiaanse grens, lag een stuk ongerepte paradijselijke natuur waar ‘het leek alsof de tijd had stilgestaan’. Daar stichtten een aantal middenklassekinderen die met hun afkomst wilden breken een socialistische anarchistische veganistische proto-hippie gemeenschap. Haren en baarden groeiden wild, vlees en zuivel werden niet genuttigd, de meisjes droegen geen corset. Men danste naakt in het rond en organiseerde experimentele theatervoorstellingen. De zelfverklaarde vijanden van de bourgeoisie vonden elkaar op Monte Verità in wilde feesten en een stimulerende intellectuele en artistieke omgeving. Schrijvers, intellectuelen en activisten kwamen er de lucht opsnuiven.
‘Hier ontstond een nieuwe manier van leven, hier werd een nieuwe wereld geboren. Die hemelbestormende allure trok mensen die een hoger doel in hun leven zochten, niet alleen op het gebied van voeding en alternatieve samenlevingsmodellen, maar ook op het vlak van spiritualiteit. Monte Verità werd een vergaarplaats van vegetariërs, anarchisten, theosofen en spiritisten. Het geloof in een nieuwe wereld draaide er net zozeer om persoonlijke groei als om maatschappelijke hervorming.’
We maken kennis met Gusto Gräser, die ‘tao-gedichten’ schrijft en een filosofie van onthechting en eenwording met de natuur predikt. We komen Tolstoj tegen in zijn monnikspij en lopen een naakte Hermann Hesse tegen het lijf. Leidende figuren uit de anarchistische en communistische bewegingen zoals Peter Kropotkin en Lenin zelf komen inspiratie opdoen op de berg.
In het tweede deel van zijn boek, Duizend Wegen naar het Paradijs, voert Kieft aan de hand van biografische details uit de levens van kunstenaars, schrijvers, intellectuelen en politieke activisten - de mental make-up van de avant-garde kunstenaar bestond eigenlijk altijd uit een mix van die elementen - de lezer mee door het Italië, Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, het voormalige en toen nog aankomende Joegoslavië, Rusland en Engeland van de vroege twintigste eeuw.
Fascinerend om te zien is de manier waarop voor sommige kunstenaars hun eigen psychische gesteldheid in die gespannen ‘eindtijd’ verknoopt lijkt te raken met de roep om vernietiging. Die is eerst kunstzinnig en abstract, gericht op vernieuwing in de kunsten, en gaat gaandeweg over in echt bloedvergieten en de verheerlijking van de slachting die volgens Thomas Mann ‘een eind maakte aan die verrotte wereld waar we zo genoeg van hadden.’
Volgens Thomas Mann was de ideale kunstenaar ‘eigenlijk een soldaat, vol verachting voor datgene wat in het burgerlijke leven “zekerheid” heet’. Zo betoogde hij in zijn essay Gedanken im Kriege. ‘Geheel terecht heeft men de kunst een oorlog genoemd, een uitdrijvende strijd.’ Kieft: wat uitgedreven moest worden was de decadente, burgerlijke, hypocriete vrede. Die vrede had in werkelijkheid alleen maar gediend om een zielloze rationalistische orde in Europa te vestigen. ‘Hoe zou de kunstenaar, de soldaat in de kunstenaar, anders kunnen dan God loven voor de ineenstorting van een vreedzame wereld, die hij zo zat was, zo door en door zat!’
Voor de Duitse expressionistische schilder Franz Marc bestond er geen verschil tussen een strijd voor de kunst en een oorlog die met granaatwerpers en machinegeweren werd uitgevochten. ‘In ons tijdvak van grote strijd om de nieuwe kunst vechten wij als ongeorganiseerde “wilden” tegen een oude, georganiseerde macht. ’
De geest van jeugdig Servië komen we tegen we in de persoon van Ivo Andrić, wiens roman De brug over de Drina in 1961 bekroond werd met de Nobelprijs voor literatuur. Avant-gardistisch Rusland verkennen we met Vladimir Majakovsky, wiens biografie uitgebreid aan bod komt. In Wenen is Sigmund Freud onze geestelijke reisleider, en London verkennen we aan de hand van H.G. Wells. De Russische jonge kunstenaars uit die tijd doen wat denken aan Amsterdamse Provo’s:
‘Begin oktober 1913 hielden de futuristen een serie straatmanifestaties in het centrum van Moskou. Midden tussen het winkelend publiek liepen Majakovski, Boerljoek en hun kunstbroeders in extravagante kostuums over straat. Ze hadden hun gezichten beschilderd. Boerljoek droeg zijn gebruikelijke hoge hoed, een slipjas waar hij allerlei gekleurde lappen op had vastgenaaid, daaronder een geel vest met zilveren knopen. Op zijn wang stond een hond met omhoogstaande staart getekend.’
Dit tweede, middelste deel van Oorlogsenthousiasme vormt het hart en het grootste deel van het boek. Nietzsche was actueel, aantrekkelijk voor jonge mensen. Vol verwachting werd uitgekeken naar de ‘belofte van een nieuwe mensheid.’ Eeuwenlang was die belemmerd om tot volle wasdom te komen, schrijft Kieft. ‘In de oeroude elementen die Franz Marc en Kandinsky in hun kunst verwerkten zat de sleutel voor een nieuwe mens, deübermensch, om zich van zijn ketenen te bevrijden.’
Het waren kunstenaars en intellectuelen, kinderen van de middenklasse, die dweepten met het idee van een ‘zuiverende oorlog’ en mystieke verheffing.
Het eerste deel van Oorlogsenthousiasme,Crisis, gaat in op de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in de verschillende Europese landen aan de vooravond van WOI. In het laatste deel, Verlossing, breekt de strijd (eindelijk!) echt los.
Zes jaar en miljoenen lijken later is de kaart van Europa opnieuw getekend. In Wenen, hoofdstad van het Habsburgse keizerrijk, ‘stad der dromen’ (Robert Musil) en ‘laboratorium voor de vernietiging van de mensheid’ (Karl Kraus) borrelt al het brouwsel dat de volgende explosie zal veroorzaken.
Ik vraag me af of het jeugdige en overmoedige gebral van al de progressieve artistieke ego’s uit de tijd van de avant-garde en het futurisme enigszins kan worden verzacht en begrijpelijk gemaakt als je bedenkt dat ze waarschijnlijk geen idee hadden van wat Europa te wachten stond? ‘De vóór 1914 nog mogelijke naïviteit’, zoals Hermann Hesse het later beschreef.
Niemand had nog ervaring met industrieële oorlogvoering. Al had een auteur als H.G. Wells wel een idee van wat er aan zat te komen. Hij ontwierp de onbeholpen ruitvormige tankjes waar er een paar honderd van in gebruik werden genomen. Nietzsche’s nalatenschap was nog niet verminkt door de vervalsingen van zijn zus en de nazi’s, en bezat nog zijn oorspronkelijke aantrekkingskracht. Zelfs het Italiaanse en Russische Futurisme kan gezien vanuit de tijd vóór de grote Europese slachtingen nog wel met welwillendheid worden bezien. Leuke ideeën, prachtig enthousiasme en vol vuur, die nieuwe jonge kunstenaars.
Vanuit een fris perspectief heeft Ewout Kieft een mooie geschiedenis van de aanloop naar de Grote Oorlog geschreven. Na het lezen van Oorlogsenthousiasme kijk ik met íets andere ogen naar modernistische kunst en lees ik toch op een andere manier vroeg-twintigste eeuwse (Duitse) literatuur.
En dat is wat goede boeken moeten doen: je blik verruimen en je kijk veranderen. Maar bovenal is Kieft’s boek een plezier om te lezen.
Essay-achtige gedachten bij het boek. De Boze Burger en de Jihadist
Is er een link naar 2015? Onwillekeurig vraag de lezer zich af of er anno 2015 ook oorlogsenthousiasme bestaat. Er ‘hangt oorlog in de lucht’. De virtuele Volkskrant pollt het publiek met de vraag: ‘Bent u bang voor een derde wereldoorlog?’ Eén derde van de 2500 stemmers zegt van wel.
In Europa anno nu heerst zeker geen stemming zoals die in Oorlogsenthousiasme wordt geschilderd. Althans niet in het, laat ik zeggen witte Europa. Daar vindt je eerder het tegendeel: een bezorgd afwachten lijkt een juistere beschrijving van het mentale gemoed onder ‘de oude Europeanen’. Een enkele stuiterende Steenberger daargelaten. (Maar ik heb werkelijk geen idee hoe groot dat ‘populistische gevaar’ nu eigenlijk echt is.)
Dat oude Europa heeft geen toekomstvisie, geen overtuigingen (meer) die zo’n enthousiasme zou kunnen genereren. Voor welke grote zaak zouden we moeten gaan vechten? De EU is vooral een grote grutter die zijn zaakjes op orde probeert te krijgen/houden en voor wie ‘gewoon al gek genoeg’ is. Daar gaat nu eenmaal weinig bezieling van uit. Wel lijkt het (onuitgesproken) idee in de lucht te hangen dat er ‘iets’ moet gebeuren voor ‘we’ verder kunnen. Wellicht mede omdat de menselijke honger naar een Groot Verhaal en bezielende mythes niet door boekhouders kan worden gestild. De ironie van de geschiedenis?
Waar er ten tijde van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog onder de Europese artistieke elite nog sprake was van een ‘existentiële crisis’ - een geestesgesteldheid die Hermann Hesse wist te vatten in zijn Demian - lijkt dat nu meer op een permanente identiteitscrisis. Het besef dat lifestyle geen vervanging voor principes kan zijn. Morgen kan ik immers besluiten me een andere lifestyle aan te meten. Postmoderne twijfel maakt de verlamming compleet. We vertrouwen onszelf niet zo met ‘serieuze zaken’.
De erfenis van het nazisme speelt nog steeds een grote rol. ‘We’ durven (nog steeds) niet te formuleren waarvoor ‘we’ staan (al zóuden we dat onder woorden kunnen brengen - ‘Ik Ben Charlie’ voldoet wat mij betreft niet), omdat ‘we’ het gevaar van een ferme stellingname maar al te goed kennen? Je ziet hem daar toch meteen staan spugen achter zijn kansel. Er ist immer da.
Voor wie een bord voor zijn kop heeft lijken aan het nationale gevoel en de ‘nationale trots’ appelerende ‘politici’ wél een verhaal te hebben waarin men in ieder geval zijn opvlammende emotie kwijt kan. Of dat verhaal een geromantiseerd verzinsel is doet er verder niet toe. Welke bestanddelen van die ‘volkse woede’ zijn inderdaad eigen (psychische dan wel sociaal-economische) knelpunten die een uitweg vinden in ‘AZC-nee’, vraag je je af en in hoeverre is ‘de politiek’ hier debet aan?
Sinds het einde van WO II, en vooral sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw, is Europa een soort mega-shopping-mall geworden. Het ontbreekt hier aan passie en idealen. Omdat politici achter de grote globaliserings-bewegingen aanstuntelen loopt het hele na-oorlogse Europese project nu volgens sommigen gevaar en doemt het spook van het nationalisme opnieuw op.
Waar het in het begin van de 20ste eeuw de beschaving was die destructieve krachten in check hield, ‘de kunstmatige inperking van driften’, was het in de laatste vijftig jaar de grote kermis van het consumeren die ons koest hield. Het gecontroleerde uitleven van driften, zou je kunnen zeggen. Maar de nadruk op consumeren en genieten als het hoogst haalbare heeft ons er op z’n zachtst gezegd niet levenslustiger op gemaakt.
Het is ironisch om te zien dat de jonge idealisten uit de bovenlaag van de vroeg 20ste eeuwse samenleving deels eenzelfde soort motivatie voor hun vernietigingsdrang hadden als de jihadistische terrorist van nu. Die zou het immers voorzien hebben op ‘onze manier van leven’. Die is ook tegen de decadentie en zoekt ook een hogere levens-vervulling. En net zoals voor de intellectuelen in Oorlogsenthousiasme geldt ook voor de islamist dat zijn ‘heilige oorlog’ wel eens een gedaante zou kunnen zijn van eigen psychische nood, van onvermogen zich aan tijd, plaats en omstandigheden aan te passen.
Kieft laat zonder het te zeggen zien dat ‘alternatieve’ levensstijlen, met alles erop en eraan, van de proto-hippies en communitaristen op Monte Verità, tot aan de hipster van nu - die al heel wat bescheidener en praktischer in zijn/haar idealisme is – doorheen de hele 20ste eeuw in verschillende versies zijn uitgeprobeerd en als maatschappelijk alternatief niet werken. Al was het maar omdat de mensen die zich ertoe aangetrokken voelen meestal buitenbeentjes zijn. Aan het einde van de eeuw bieden socialisme en communisme ook geen soelaas meer. De volksmassa’s die ze zouden moeten dragen bestaan niet meer. In Nederland ligt de verzuiling ver achter ons. Het schijnt nu de beurt te zijn aan het ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’. Dat klinkt eigenlijk best nuchter en niet eens zo gek.
Behalve de goedbedoelende duurzaam verantwoorde betrokken citoyen hebben we de boze burger en de jihadist. De boze burger, het populaat, heeft zich aan genuanceerde afwegingen nooit veel gelegen laten liggen en peurt uit zijn simplisme een mate van krachtdadigheid waar de redelijk redenerende mens jaloers op kan zijn. De duivel speelt ermee. Hoe denken de volksmassa’s die je niet op hippe bakfietsen vol kroost door de trendy straatjes van de steden ziet gaan, die níet in salafistische outfit en burka door de oude buitenwijken wandelen, die niet met gestrekte rechterarm aggresief in regionale microfoons staan te spugen? Ik weet het werkelijk niet.
Het is de Syriëganger van nu in wie het heilige vuur van opoffering voor het hogere doel brandt. Dat althans wil men ons doen geloven. Het valt moeilijk te zeggen hoeveel van dat vuur inderdaad niet meer is dan ‘jeugdige branie’. Maar wie weet is de jihadist van nu bezield door hetzelfde soort righteous anger als de anti-fascist die in de jaren ’30 ten strijde trok in de Spaanse Burgeroorlog. Au!
Oorlogsenthousiasme bestaat dus wel degelijk, denk ik, alleen zit het niet bij ‘ons’. Het zit in de langzaam dichterbij kruipende ‘ring van vuur’ om ons heen. Misschien wel in het grote Rusland, en in de buitenwijken van onze grote steden.
Angela Merkel toont indachtig de ‘Europese geest’ (en de Duitse geschiedenis) in de vluchtelingencrisis een humanitair gezicht. Helaas wordt dat gezicht door een flink deel van de Europeanen elitair gevonden en is het in ieder geval niet representatief voor de denkwereld van alle Europeanen. Misschien zelfs maar voor een ontstellend klein deel. Wellicht zitten ze allemaal bij Nexus in Tilburg naar Simon Schama te luisteren. Wellicht zijn ze allemaal blank en grijs en is dát de echte crisis: dat Europa zich niet weet te vernieuwen. En zo ben ik opeens terug bij af.
Vóór het uitbreken van WOI was de Balkan een soort oefenterrein. Oostenrijk-Hongarije, Duitsland en Rusland testten er elkaars krachten. Zijn Oekraïne en Syrië de Balkan van nu?
Hebben ‘we’ mede door te geloven in Fukuyama’s ‘Einde van de Geschiedenis’ wat er in de wereld om ons heen gebeurde uit het oog verloren? Betalen we een (te) hoge prijs voor onze welvaart (lees: onze olie)? Of zijn er werkelijk nog mensen die denken dat George Bush Sr. democratie ging brengen naar Irak? Dat Sadam Hoessein massavernietigingswapens had?
Wederzijdse nationalistische afkeer zoals in Oorlogsenthousiasme wordt getoond is nauwelijks voorstelbaar. Tot je aan sommige reacties op de Griekse crisis begint te denken. Zeg nooit nooit.
Mooi inzicht in de psyche van de maatschappij vlak voor en tijdens de eerste wereldoorlog. In het begin wordt dit vooral vanuit het standpunt van de gewone burger beschreven, daarna voornamelijk vanuit de culturele elite. Af en toe zijn de beschrijvingen van die culturele stromingen wel aan de lange kant en mist daardoor een beetje het standpunt van de gewone burger. Maar al met al heel interessant en ook mooi dat (bijna) alle betrokken landen uitvoerig aan bod komen. Aanrader!
Dit boek is een mooie aanvulling op de boeken, die werden uitgegeven bij de herdenking van het feit, dat honderd jaar geleden de eerste wereldoorlog begon. Kieft laat zien hoe de meeste kunstenaars en intellectuelen net zo enthousiast waren voor die oorlog als de "gewone" mensen. Zelfs als zij tot kort voor die oorlog pacifist waren. Het boek gaat bijna niet over de oorlog zelf, maar vooral over de aanloop er toe in steden als Berlijn, Moskou, Londen, Rome etc. Goed geschreven met soms verrassende feiten.
Bondig en gericht, supergoed te lezen maar toch uitgebreid genoeg om echt een beeld van de samenleving van dat moment te creëren. De vorm van korte hoofdstukjes op verschillende plekken in Europa maakt het heel dynamisch.
Vooral in deze tijd waarin mensen vaak op zoek lijken naar richting en alomvattende betekenissen heel relevant.
Een zeer weidse cultuurgeschiedenis die de vraag centraal stelt hoe het mogelijk was dat in twintig-of-zo jaar elke pacifistische neiging in Europa tussen 1900 en 1914 bloeddorstig en oorlogszuchtig werd en iedereen zich enthousiast ten oorlog begaf. Ik heb het gefascineerd gelezen: zo breed, zo erudiet, en toch zo goed opgeschreven - ik wou dat ik zo kon schrijven. Toch: wat ik begon te missen is het USA-perspectief, want al kwamen ze er later bij, het oorlogsenthousiasme aldaar was net zo virulent als in Europa. En ook: bij al die ontelbare mensen die in deze 475 pagina's meer of minder uitgebreid in hun tijd worden gezet, is geen een vrouw te bekennen.
Gemiste kans, waarom mensen massaal de oorlog steunde wordt amper verklaard. Identiteit wordt niet zozeer genoemd. Kieft gaat vooral in op de nasleep, Hitler, Mussolini. Waarom Oekrainische , Palestijnse of zelf Israëlische soldaten gemotiveerd zijn wordt niet aangehaald.