Ik heb alleen deel 1 van De Hunnensaga gelezen (oorlog), maar de andere twee delen zullen ook niet volgen. Ik was niet onder de indruk.
Het boek beschrijft de oorlogsdagen van Jan Cremer als klein kind; onduidelijk is hoe autobiografisch de verhalen werkelijk zijn. Er zit weinig verhaalontwikkeling in, het gaat honderden bladzijden vooral om beschrijvingen van oorlogsdagen en -gruwelen in (omgeving) Enschede. Het verhaal blijft (na het eerste kwart) ook gewoon ‘hangen’, in tijd, in ellende. In coronatijden was dat nu net niet iets waar ik behoefte aan had. Dat staat uiteraard los van de kwaliteit van het verhaal, maar die is naar mijn mening ondermaats.
Het redactiewerk laat te wensen over. Bepaalde, niet-alledaagse begrippen (‘dampende paarden’) worden tot vervelens toe gebezigd. Ook bepaalde scenes of beschrijvingen worden later in het boek herhaald, alsof is vergeten dat die al zijn beschreven. Veel Hongaarse woorden zijn verkeerd gespeld, al zal dat natuurlijk vrijwel niemand opvallen. Cremer heeft verder de nare gewoonte om bijzinnen tot hoofdzin te verheffen (‘In het donkere huis met de gesloten gordijnen.’). Soms volgen zo vier-vijf zinnen zonder werkwoord elkaar op.
Opmerkelijk is dat er een aantal vulgaire seksuele beschrijvingen in het boek voorkomen die totaal niet passen bij de belevingswereld van het kind uit wiens standpunt de rest van het boek is beschreven; een kind bovendien dat aan het einde van het boek de kleuterleeftijd nog niet kan zijn ontgroeid. Daar wordt de plank echt misgeslagen.
Cremer probeert met het verhaal ook nog de link naar de Hunnen te leggen, via de Hongaarse afkomst van zijn moeder, maar het lijkt er met de haren bijgesleept. Een ‘titelnotering’ (de saga heeft er zijn naam aan ontleend) verdient het in elk geval zeker niet.