Herman van Veen wordt afgeschilderd als de jonge hond die het theater binnen denderde en alles wat hij daarna deed omzette in goud, op een korte periode van dreigend faillissement wegens verkeerd beleid na. Hij heeft diverse stichtingen en bedrijven opgezet om artiesten een kans te bieden maar ook om kinderen een beter leven te kunnen geven en de vrede op de wereld dichterbij te brengen.
De schrijver is duidelijk een bewonderaar, wat ik overigens ook ben, maar er is weinig tot geen kritiek op Van Veen. Hij prijst meerdere malen de enorme werklust, de veelzijdigheid en virtuositeit van Van Veen en valt daarbij soms in herhaling. Een beetje meer kritische afstand had het boek interessanter gemaakt.
Het boek leest prettig weg maar voegt verder niet veel toe.