Op 1 februari 2003 werd in Rotterdam een jongen doodgeschoten omdat hij een sneeuwbal naar een auto had gegooid. De dader werd nooit opgepakt, alhoewel men in het milieu wist wie het gedaan had. Alex Boogers kwam het verhaal al jaren geleden op het spoor. Hij schreef er een kort verhaal over en omdat het hem niet los liet nu ook deze novelle. Als lezer weet je van bij de aanvang hoe dit zal eindigen: Socrates sterft, en toch slaagt Boogers er perfect in de spanning op te bouwen. Je blijft heel lang op je honger omdat je eerst Socrates’ achtergrond te horen krijgt: hoe zijn ouders vanuit Kaapverdië naar Nederland verhuisden omdat ze daar arm waren en tot hun ontsteltenis merkten dat ze in hun nieuwe thuis nog even arm waren, maar dit veel slechter aanvoelde doordat zovele anderen rijk bleken, hoe zijn moeder twee baantjes combineerde om de touwtjes aan elkaar te knopen en zo niet genoeg tijd had voor haar drie kinderen, en hoe Socrates een voetbalwondertje was. Groots is hoe Boogers de dood van de jongen contrasteert met die van acht anderen, de bemanning van de Space Shuttle die dezelfde dag ontplofte. Zij werden geëerd als helden en martelaren voor hun land en hun generatie, merkt Boogers bitter maar ingetogen op, terwijl voor Socrates nooit een gedenkteken werd opgericht. Misschien is dit er nu eindelijk toch.