Alfred Scheepers schreef een boek over die wortels van het Indiase denken met als uitgangspunt dat menselijke ideeën zich ontwikkelen binnen de maatschappelijke context waarin zij groeien. Dit boek wil aannemelijk maken dat verschillende gedachten binnen het hindoeïsme ontstaan zijn uit de maatschappelijke en sociale veranderingen: de overgang van een primitief leven, waarin de natuur nog niet werd beheerst, naar akkerbouw en veeteelt die door de menselijke ratio werd gestuurd, naar een koopmansbestaan waarbij de band met de natuur losser werd en men levenloze materie ging produceren en verhandelen. Bij elk van deze fases hoort een bepaalde idee over de machten, de goden, verlossing en gedrag.
Dr. Scheepers geeft knappe beschrijvingen en analyses van de verschillende stromingen van denken en doen in India: brahmanisme, jaïnisme, boeddhisme, de yoga, de leer van de Bhagavad Gita en de Vedanta. Bepaalde passages moet je herlezen om de strekking ervan te pakken. De volhouder wordt beloond met een dieper inzicht in de wortels van het Indiase denken. Het eindigt een beetje als een Unvollendete. De laatste zin markeert de overgang naar de Middeleeuwen. Je bent benieuwd hoe dr. Scheepers het vervolg zou beschrijven. Vermoedelijk vindt hij dat het belangrijkste is gezegd. Wat wij nu meemaken en ontmoeten is in feite een vorm van de oude stromingen. Vandaar dat dit boek je helpt bij het begrijpen van de verschijnselen die je nu tegenkomt.>
Indiase "spiritualiteit" kwam voort uit een botsing van culturen. Indo-Europeanen verdedigden de idee van een wereldorde die zij de wereld wilden opleggen. Aan de andere kant uitte de Indiase koopman zich in verschillende verlossingsreligies. Uit die tegenstelling kwamen allerlei compromissen voort, het bonte geheel van wat nu hindoeïsme wordt genoemd.