In de late negentiende eeuw steeg de materiële welvaart spectaculair, en de mensen gingen anders kijken, ervaren en denken. Zo ontstond de nieuwe cultuur die tot op de dag van vandaag als de moderne wordt gezien. In de oude beschaving stond het streven naar 'het hogere' voorop, de hoogste waarden waren immaterieel, 'geestelijk'. De nieuwe cultuur kwam met andere, heel aardse waarden en normen. Die werden massaal omarmd, het eerst en vooral in de grote steden. Daar waren de spraakmakende winkels, de verbluffende horecaconcepten, de eerste bioscopen, daar waren alle nouveautés te zien. In deze nieuwe cultuur werd het concrete, het materiële, belangrijker dan het ideële. Het hebben van spullen en een goede gezondheid werden de bronnen van geluk. Auke van der Woud beschrijft de culturele revolutie zoals die plaatsvond in de etalages, in de cafés, de theaters en de bioscopen, de musea en bij de monumenten, de badplaatsen, de nieuwe modieuze bloemen en planten, in de scholenbouw en de nieuwe stadswijken. Dit machtige panorama toont de bakermat van de nieuwe mens.
Interessant en fascinerend perspectief op alle veranderingen rond 1900. Ik bleef ook maar parallellen zien met onze huidige samenleving. Het boek vertelt hoe de massamens, consumentisme en beeldcultuur 'de cultuur' werden. En hoe de kloof ontstond tussen elite die de overheid gebruikt om eigenbelang te realiseren (subsidies voor schouwburgen, museau) en de 'nieuwe mens' die van commerciële partijen afhankelijk is (bioscopen, kermis). En hoe die 2 groepen ook niet zonder elkaar kunnen, want de 'modepaleizen' en 'koffiehuizen' vonden ze allebei fantastisch.
Van der Woud zet zich overtuigend af tegen de onder historici gebruikelijke focus op pioniers, en schetst de opkomst van de Nederlandse massacultuur, die de bestaande opslokt en sindsdien alle nieuwe bewegingen absorbeert. Korte, rake schetsen vormen een aantrekkelijk totaalbeeld.
Ai. Hier had ik meer van verwacht. Dit boek loopt totaal niet lekker. Alhoewel de hoofdstukken logisch op elkaar volgen, zijn het er veel te veel. Het had veel mooier in een echt verhaal gekund met veel minder hoofdstukken. Nu bleef het haken op summiere opsommingen die te snel op elkaar volgden, zodat je er nergens echt lekker in komt. Jammer ook dat het niet beschrijvend is maar beschouwend. Dat is de auteur zijn goed recht, het is duidelijk dat hij behalve een informatief boek schrijven ook vooral een punt wil maken. Meerdere punten. Het is teveel. Hij wil te veel facetten beschrijven. Beter had hij er een paar uitgepikt of een dikker boek geschreven. Het was saai, al twijfel ik er niet aan dat Van der Woud een goede stedenbouwhistoricus is. Er zat weinig leven in dit boek terwijl het mijn inziens juist de allerleukste en levendigste periode in HEUL de geschiedenis is. Jammer.
‘De nieuwe tijd heren! De vooruitgang wacht niet!’ zegt de projectontwikkelaar tegen zijn team bij het presenteren van de plannen voor het nieuwe Victoria hotel in de film Publieke Werken.
Als je door Haarlem of Amsterdam of Maastricht loopt weet je je omringd door een paar in het oog springende historische hoofdperioden. De Middeleeuwen zijn er in de vorm van waaggebouwen, stadhuizen en Gothische kerken. De Gouden Eeuw wordt gerepresenteerd door statige koopmanshuizen en bijvoorbeeld in Amsterdam het ‘stadspaleis’ op de Dam. De hoogtijdagen van de ‘burgerlijke’ 19de eeuw vindt je er in de vorm van romantische gebouwen met gietijzeren ornamenten: pilaren en pilasters, Griekse zuilen, opengewerkte balkonpartijen, kleine torentjes, rank houtsnijwerk en machinaal ‘gebeeldhouwde’ stenen sierstukken. Het Centraal Station in Amsterdam, het Victoria hotel, de statige huizen rond het Vondelpark, ze zijn allemaal zo rond 1880 gebouwd. Wat opvalt aan die laatste bouwstijl is dat je er de elementen van massa-productie in herkent.
Architectuurhistoricus Auke van der Woud heeft met De Nieuwe Mens een boek geschreven dat een aantal vastgeroeste ideeën op de korel neemt. Eén van die versleten ideeën is het beeld van de 19de eeuw als een overwegend burgerlijke tijd. In 1900 was de bevolking in Nederland toegenomen tot 5 miljoen. Daarvan woonden 2 miljoen mensen in omstandigheden die vergelijkbaar waren met de toestanden die Claude Levi Strauss - de grondlegger van het antropologische cultuurbegrip - beschreef in zijn studie over Calcutta. Weinig mensen wensen zich tegenwoordig nog te realiseren hoe beroerd velen van ons er er anderhalve eeuw geleden aan toe waren.
Het idee van de 19de eeuw als een overheersend burgerlijke tijd ‘beneemt het zicht op het geheel’, zegt van der Woud. Het is een vertekend beeld, niet representatief voor wat er in Nederland rond 1900 werkelijk aan de hand was. Deels is dit vertekende beeld natuurlijk te verklaren door het simpele feit dat ongeletterden geen geschiedenis schrijven. De elite schreef wel. Deze materie vormt het onderwerp van een ander boek Van van der Woud: Koninkrijk vol Sloppen.
Een ander versleten idee is dat van de verloedering van de (literaire) cultuur door de barrage aan visuele prikkels in de nieuwe wereld en het daarmee gepaard gaande verlies van concentratie etcetera met alle gevolgen van dien, door ‘de’ al dan niet nieuwe en/of sociale media. Ook dat idee is niet erg origineel. Dezelfde kritiek viel al in het laatste kwart van de 19de eeuw te beluisteren.
In het voorwoord van De Nieuwe Mens wordt de oude beschaving tegen de nieuwe afgezet als het contrast tussen het eerder in de eeuw populaire panoramaschilderij en het idee van het panopticum in de zin van: ‘een verzameling bonte indrukken die op de waarnemer afkomen […] en waar deze zelf betekenis aan moet geven.’
‘Misschien hoort het panorama meer bij de oude cultuur. Die houdt van echte verhalen, van coherentie, van kennis en rustige beschouwing. Het panopticum is dan het beeld van de moderne massacultuur, de stortvloed van indringende beelden en emoties die ook zo weer vergeten zijn.’
Het moderne leven werd een caleidoscopische kermis van vluchtige indrukken en sensaties, van emotie en prikkels, van instant genot. We weten er alles van.
‘De winkelstraat als spiegelpaleis, plaats die speciaal gemaakt is voor het onverzadigbare kijken, kraamkamer van de nieuwe levenshouding waarvan verliefdheid op producten, identificatie met merken en narcisme belangrijke eigenschappen zouden worden.’
De culturele revolutie bestaat uit de draai van een woordcultuur naar een beeldcultuur met de daarbij horende vluchtigheid, reclame, lifestyle, mode, de ‘smaak van het publiek’ en het accent op de buitenkant in plaats van een gecultiveerde binnenkant.
‘De grote steden ondergingen in het laatste kwart van de 19de eeuw een grondige transformatie. Daar ontstond de moderne materialistische massacultuur.’
De breuk tussen de oude en de nieuwe cultuur is te definieëren als een overgang van het uitgangspunt dat er een duidelijke, objectieve basis bestaat voor kwalitatieve normen over het ware, het goede en het schone - de oude cultuur als een idee gefundeerd in religie (klassieke oudheid, christendom, humanisme) - naar het idee dat er géén gemeenschappelijke werkelijkheid bestaat maar dat ‘de werkelijkheid’ een puur subjectieve beleving is en voor iedereen anders. Max Weber schreef in 1909 dat de oude ‘objectieve’, voor iedereen geldige cultuur had afgedaan en werd vervangen voor een nieuwe ‘subjectivistische’ cultuur.
‘De samenleving zou moeten leren omgaan met steeds meer verschillende en conflicterende waarden en normen’.
Het einde van de 19de eeuw is dan ook een tijd van weidverbreid cultuurpessimisme. Met lede ogen zag de oude elite de opstand der horden aan. Gustave le Bon, George Simmel, Max Weber, Sigmund Freud, Oswald Spengler, Ortega y Gasset, Max Nordau (Entartung, 1893) en Johan Huizinga worden aangehaald. Zij zagen hun beschaving verdampen. Hun ‘deftigheid raakte in het gedrang’, zoals de socialist Jaques de Kadt in de richting van Johan Huizinga schamperde. Het culturele conflict was ook vooral een sociaal conflict.
‘Er was rond 1900 geen eenduidige beschaving meer’, schrijft Van der Woud. Toen dus al.
Maar het was niet zo dat de nieuwe beschaving de oude geleidelijk aan verdrong. Beide culturen bleven naast elkaar bestaan. ‘Veel resten van de oude beschaving leven tot op de dag van vandaag voort’.
Er kwam een tweesporen beleid. Het onderwijs werd ‘cultureel hybride’. Op de Gymnasia bleef de oude, hoge, bildungscultuur in stand terwijl er voor de nieuwe massa beroepsopleidingen kwamen. De HBS (hogere burgerschool), in 1864 bij de wet op het middelbaar onderwijs opgericht, was voor jongens (!) die voorbestemd waren voor de commerciële en technische sectoren. De HBS was een idee van Thorbecke en moest de nieuwe mens voortbrengen om zo Nederland op te stoten in de vaart der volkeren. Al snel leverde de HBS toekomstige Nobelprijswinnaars als de technisch natuurkundige Hendrik Lorenz af. Lorenz' ideeën zouden een grote inspiratie zijn voor Albert Einstein. Naast de HBS bereidde het Gymnasium voor op de universiteit. ‘De oude beschaving en de nieuwe cultuur kregen allebei een eigen onderwijstype.’
Zo werd een sociale hiërarchie en tweedeling in stand gehouden.
‘Het ontstaan van de nieuwe cultuur betekende een conflict met de oude beschaving. Het lijkt wel of de creatie van de HBS naast het gymnasium werd bedacht om dit conflict te vermijden, de kool en de geit werden gespaard.’
De toekomstige arbeiders- en ingenieursklassen werden geacht geen behoefte te hebben aan geschiedenis en (artistieke) cultuur. Op technische scholen werd daar amper aandacht aan besteed. Men moest een vak leren. De fijnere dingen in het leven bleven het exclusieve voorrecht van de (kinderen van) artsen, juristen, theologen, burgemeesters en ministers. Dat is vandaag tot op zekere hoogte nog steeds zo.
Schematisch zou de cultuurbreuk die volgens Van der Woud aan het einde van de 19de eeuw optreedt aan de hand van de volgende tegenstellingen kunnen worden getypeerd:
Altijd leuk om op te merken is dat Wagner nu staat voor hoge cultuur. Met je baljurk en je bow-tie aan een avondje verheffend netwerken in Concertgebouw of Stopera. Maar aan het einde van de 19de eeuw gold Wagner’s muziek als decadente anti-beschaving. De ondergang van de cultuur van het avondland! Götterdammerung!
De tegenstrijdigheden blijven interessant. Om zich een cultureel cachet aan te meten en zich van de lagere middenklasse – de kleine man, de winkelbediende, de handwerksman - te onderscheiden ging de nieuwe welvarende burger zich (ook) bezighouden met kunst, muziek en literatuur. Gedurende de 19de eeuw ontstond er een grote vraag naar bladmuziek, drukwerk, goedkope schilderijen, muziekinstrumenten en allerhande voorwerpen om het huis – en zijn bewoners! - mee op te sieren. Maar dan wel in vernieuwde vorm. De Jugendstil en Art Nouveau zetten de modieuze toon voor de vormgeving in vooral gebruiksartikelen voor de nieuwe mens. In de literatuur deed rond 1880 het Franse realisme zijn intrede. In de muziek zette zoals gezegd Wagner de wereld op zijn kop. Op kermissen stonden de eerste kinethoscopen te ratelen. Het impressionisme in de schilderkunst legde een bom onder het eeuwenoude idee dat de kunst de natuur moet imiteren en de kunst begon zich richting abstractie en subjectieve beleving te begeven. Het Modernisme stond voor de deur. Arm in arm met Nietzsches ‘sinistere gast’: het nihilisme.
De oude garde vond dit maar niks. Die bleef zich vastklampen aan de wereld van de klassieken. Die bleef zijn Vergilius en Cicero en Shakespeare lezen en vond Beethoven al revolutionair genoeg. Het was de klassieke wereld van uiterlijkheden die tegenover die van de moderne innerlijkheid kwam te staan.
Dit was in feite natuurlijk een proces dat al zeker sinds het midden van de 18de eeuw filosofisch in the making was en waarvan misschien kan worden gezegd dat het in de late 19de eeuw, met een duw in de rug van de nieuwe techniek en natuurwetenschappen, wijd en zijd zijn beslag krijgt. De gevierde Yale-historicus Frank M. Turner, in zijn European Intellectual History, from Rousseau to Nietzsche (ook een boek dat iedereen zou moeten lezen), noemt dit proces the Great Internalization. Aan het begin van het hoofdstuk The Turn to Subjectivity schrijft hij:
‘One of the most fundamental changes in the intellectual and cultural history of the West during the past two centuries has been the emergence of subjective authority as a touchstone for valdating a whole host of experiences, viewpoints and ethical outlooks. […] internal, subjective feelings, experiences, epiphanies are the truest and most certain indications of the truthfulness, seriousness, or correctness of a point of view, or an assertion, or an ethical value.’
Dit proces zou steeds verder gaan en uiteindelijk in de 20ste eeuw uitmonden in de ‘crisis’ van het postmodernisme, waarin we ons feitelijk nog steeds bevinden.
‘De werkelijkheid werd al in de late 19de eeuw iets persoonlijks, een kwestie van gezichtspunt. De postmodernisten deconstrueerden de werkelijkheid aan het eind van de twintigste eeuw. Nietzsche en Simmel deden dat zonder ophef in een paar regels toen het modernisme nog op gang moest komen.’
De Nieuwe Mens opent met een citaat uit Herbert Marcuse’s De Eendimensionale Mens:
‘De successen en mislukkingen van deze samenleving beroven haar hogere cultuur van haar kracht. […] Wat er nu gebeurt is niet dat de hogere cultuur afdaalt tot het peil van de massacultuur, maar dat de werkelijkheid deze cultuur weerlegt. De werkelijkheid overtroeft haar cultuur. De hedendaagse mens kan meer dan de helden en halfgoden die de cultuur geschapen heeft; hij heeft vele onoplosbare problemen opgelost. Maar ook heeft hij de hoop verraden en de waarheid vernietigd die in de sublimaties van de hogere cultuur bewaard bleven.’
De sublimaties van de hogere cultuur … Wat moet de nieuwe mens zich daarbij voorstellen?
Misschien dat het volgende fragment uit een televisie-interview met Herbert Marcuse uit de late jaren ’60 wat meer duidelijkheid kan geven:
‘I believe that in art, literature and music insights and truths are expressed which cannot be communicated in ordinary language. Let’s say in prose. And that with these truths images, the image of an entirely new dimension is opened which is either taboed or repressed in reality … Namely the image of a human existence and of nature, no longer confined within the laws of the repressive reality principle but reality striving for its fulfillment and gratification even at the price of death and catastrofe … The message of art and literature is that actually the world should be experienced so as the lovers of old times experienced it … As King Lear experienced it, as Cleopatra and Anthony experienced it … In other words: a rupture with the established reality principle … at the same time the invocation of images of liberation …’ (Herbert Marcuse)
Nog eens: ‘The message of art and literature is that actually the world should be experienced so as the lovers of old times experienced it … As King Lear experienced it, as Cleopatra and Anthony experienced it …’ Als dat niet de oude cultuur van het klassieke ideaal is ...
Hoewel Van der Woud het in zijn boek op lijkt te nemen voor de nieuwe cultuur van lichamelijk welzijn en materieel comfort boven de paternalistische standenmaatschappij van de oude cultuur is het citaat uit Marcuse niet helemaal ondubbelzinnig. ‘We’ winnen veel maar raken ook iets kwijt. Of liever: ‘we’ gaan iets nooit krijgen. ‘We’, dat zijn de nieuwe mensen. De voormalige horigen, de armelui, de boeren op het platteland, en later de arbeiders in de fabrieken en de nieuwe middenstand, die pioniers van het moderne consumentisme. ‘We’, dat zijn jij en ik.
Het was juist die ‘eendimensionaliteit’ waartegen Marcuse in opstand kwam. Hij gaf uitdrukking aan een gevoel dat leefde bij bijna een hele generatie. Friedrich Schiller had in 1788 al een soortgelijk gevoel, hij schreef:
‘In de moderne tijd domineren rationele wetenschap, materialisme en nuttigheid. De wereld is één groot werkhuis geworden, met de kunst als decorum.’
De Franse Revolutie moest toen nog uitbreken.
Auke van der Woud heeft een prachtig boek geschreven. Een eye-opener die me dwingt om allerlei denkbeelden eens aan een grondige revisie te onderwerpen:
Of ik me nu de rol van hyperconsument, van vrolijke nihilist of die van cultuurpessimist aanmeet, in al die gevallen ben ik minstens een eeuw ouder dan ik tot nu toe dacht!
Alle cultuurpessimisme in aanmerking genomen is het belangrijk ons te blijven realiseren dat de nieuwe cultuur tot een sterke verbetering van de leefomstandigheden en vooruitzichten van een voorheen zo goed als onzichtbare ‘kaste’ van armen heeft geleid.
Het lijkt alsof Van der Woud nooit Marx heeft gelezen en dit boek schreef om het te bewijzen. Het zinnetje uit (Samuel Moores vertaling van) Het Communistisch Manifest - all that is solid melts into thin air - werd door Marshall Berman al gebruikt als titel voor zijn boek over de moderniteit, omdat het zo nauwkeurig de dynamiek en vormloosheid van de moderniteit, het vroegkapitalistische tijdperk beschreef. Van der Woud heeft zichzelf bovendien ergens wijsgemaakt dat wat hij beschrijft niet de moderniteit is, en ook niet het vroege kapitalisme, maar iets geheel anders, dat hij alleen heeft ontdekt. Wat het dan is precies is wat hij heeft ontdekt, kan hij ook niet precies zeggen, want - zo stelt hij met Clifford Geertz in de hand - de analyse van een cultuur is altijd incompleet, en hoe dieper de analyse, hoe incompleter het wordt! Die redenering volgend had hij beter gewoon helemaal niks kunnen zeggen, dan was het boek completer geweest. (Het boek is overigens ook behoorlijk nietszeggend, ter zijn verdediging.)
Op sommige punten lijkt het soms zelfs alsof Van der Woud überhaupt nooit iets heeft gelezen en dit boek schreef om dat te bewijzen. Als hij bijvoorbeeld schrijft (in hoofdstuk 31) dat de 'oude beschaving' een 'woordcultuur' was en de nieuwe (massa)cultuur juist een 'beeldcultuur', komt het schijnbaar niet in hem op dat vóór de periode die hij beschrijft 'de massa' überhaupt nooit geletterd was. Ook suggereert hij sterk dat historici vóór hem cultuur altijd 'smal' gedefinieerd hebben - alleen naar 'hoge' kunst en literatuur kijken - en dat hij eigenlijk de eerste is die een brede opvatting van cultuur hanteert, die ook normen en waarden omvat. Om zoiets te geloven móét je gewoon echt nooit een boek hebben opgepakt van de laatste 50 jaar. (En te beoordelen naar zijn notenapparaat, heeft hij dat inderdaad amper gedaan.)
Hij redeneert ook nogal naar zijn conclusies toe. In het hoofdstuk over panorama's (hoofdstuk 2) citeert hij bijvoorbeeld een vroeg 19e eeuwse bron waarin de natuurgetrouwheid van de panorama's worden geprezen, en dan haalt hij een laat 19e eeuwse bron aan, die de panorama's juist prijs om het vermogen de zintuigen te begoochelen. Het bewijs, volgens Van der Woud, dat in het begin van de 19e eeuw 'echtheid' werd gewaardeerd, terwijl aan het eind van de eeuw juist 'nepheid' werd gewaardeerd.
Maar, beste professor Van der Woud, natuurgetrouwheid van iets kunstmatigs, en het vermogen de zintuigen te begoochelen, zijn ... hetzelfde. Natuurgetrouw betekent namelijk dat het lijkt op de werkelijkheid. Het is, kortom, niet echt. Het lijkt echt. Het is, inderdaad, nep. Het begoochelt de zintuigen alleen zodanig dat het echt lijkt.
Heel bizar. En dit voert hij aan als hét 'bewijs' voor zijn centrale stelling in het boek, dat men in de 'oude beschaving' echtheid waardeerde en in de 'nieuwe beschaving' juist nepheid dus, en de rest van het boek is eigenlijk alleen maar een reeks voorbeelden die (als je je ogen tot spleetjes dichtknijpt en vooral niet al te kritisch bent) deze stelling onderschrijven.
Kortom, ik ben geen fan. Het is ook eigenlijk geschreven voor een breed publiek, dat over het algemeen waarschijnlijk iets minder kritisch is, maar voor die doelgroep zou ik eerder Philipp Bloms De duizelingwekkende jaren aanraden. Van der Wouds kanttekening bij Bloms boek is nochtans wel terecht: het toont meer het uitzonderlijke van die tijd, en minder de bredere (massa)cultuur.
Een mooie en interessante verzameling essays waar de lijn naar de hedendaagse cultuur duidelijk wordt doorgetrokken met het onstaan van de moderne massamens. De nieuwe cultuur die ontstond aan het einde van de 19e eeuw kenmerkt zich door de aflopende Romantiek, het geleidelijk verdwijnen van geestelijke en immateriële waarden met een objectieve basis, naar een parallelle opkomst van eendimensionaliteit, de opkomst van de belevingscultuur, de massamens en consumentisme als vrolijke nihilist, lichamelijk welzijn en materieel comfort, en het idee dat er géén gemeenschappelijke werkelijkheid bestaat. Auke van der Woud beschrijft dit process aan de hand van veertig korte hoofdstukken, waarin hij een breed beeld schetst van de uitingen van de hogere en lagere cultuuruitingen – van stedenbouw, tot de boerenstand, tot nieuwe optische vormen van vermaak, met een impliciete afkeuring die kan worden afgeleid uit de woordkeuze (‘vormloos’, inhoudsloos’, ‘versnipperd’).
Zeker tegen einde over de ‘Cultuur der Dingen’ komt duidelijk de richtingloosheid van de materialistische massacultuur naar boven, waar van der Woud agendeert dat de nieuwe cultuur geen innerlijke richting meer kent. De hang naar materialisme is van alle tijden, maar het verontrustende van de nieuwe cultuur is het verdwijnen van het ideaal van de levensverheffing: Nu is er geen Deugd meer, geen gezaghebbende moraal die ons op de levensweg begeleidt’’ . Hierbij sluit van der Woud zich aan bij Freud (Das Unbehagen in der Kultur):” De almacht die mensen altijd aan de goden hebben toegeschreven, zo schreef Freud, is nu door wetenschap en techniek in eigen hand gekomen naar het schijnt”.
Hoe niet opgeslokt te worden door de cultuur der dingen? Van der Woud wijdt zijn laatste hoofdstuk aan deze vraag, en hiervoor wendt hij zich tot Malevich (het loslaten van de materiële wereld is een bevrijding en kan een mens gelukkig maken) en Mondriaan (dit kan zelfs in de hectiek van de moderne wereld): een antenne hebben voor het stille en serene, en toch ook midden in het leven staan.