‘Ik ga voor het raam staan en kijk naar de tuin. Ik hoop er een bevestiging in te vinden dat deze dag echt bestaat, dat ik in deze dag besta, dat er een werkelijkheid is waarin ik besta.’ In deze stemming beziet Remco Campert zichzelf als een lege kartonnen doos. Het is een prachtige paradox, dit tastbare beeld, dat iets wat in wezen onbenoembaar is aanwezig maakt. Remco Campert kan dit als geen ander. De toon is vaak melancholiek, maar even vaak vol humor.
Vandaag ben ik een lege kartonnen doos. De tuin is vruchtbaar, vandaag ben ik een lege kartonnen doos. De voorwerpen om me heen staren me wezenloos aan. Alles is tot stilstand gekomen. Herinneringen die zich gisteren nog aan mij opdrongen, laten het vandaag afweten. Hun bron is uitgedroogd. Het is alsof er nooit herinneringen waren en mijn bestaan onbewezen is. Herinneringen zijn een teken van leven, mij bereikt geen teken, geen blik van herkenning uit de verte, geen hand die mij toezwaait. Review : Remco Campert (1929) is een Nederlandse dichter, columnist en schrijver van verhalen en romans. Hij maakte deel uit van de literaire stroming de Vijftigers.
In Vandaag ben ik een lege kartonnen doos zijn de columns gebundeld die Campert tussen januari 2014 en half mei 2015 voor de Volkskrant schreef. Weemoedige lichtvoetigheid, verpakt in een bedrieglijk makkelijke parlandotoon en dat is iets wat in heel zijn oeuvre terugkeert. In zijn gedichten of verhalen kun je zelfs met het vergrootglas geen hooggestemde emoties aantreffen.
Ironie en zelfrelativering behoren tot het vaste arsenaal van de schrijver, die met Het leven is vurrukkulluk (1961), Eetlezen (1987) en Tot zoens (1991) onze taal zelfs op nieuwe staande uitdrukkingen vergastte. Maar ondanks die gekoesterde speelsheid heeft Camperts lichtvoetigheid ook iets misleidends. Onder het montere schutlaagje sluipt, vooral in zijn verhalen en romans, steeds die milde melancholie binnen. En de laatste jaren is er een teweerstellen tegen de dood, vooral in columns of poëzie. Maar Campert put nog altijd een zichtbaar plezier uit het schrijven, voor hem een ware “levensbehoefte”, en hij schrjft het dan zwart op wit : “Schrijven is geen loopbaan. Schrijven is een liefdesaffaire. (…) Ik schrijf wat me voor de voeten komt. (..) Liefdesaffaires heeft men soms meerdere in het leven, terwijl schrijven voor mij een blijvende liefde is." Door dat achteloze talent heeft Campert zich in de literatuur altijd “een zondagskind” gevoeld.
Veel van de gebundelde columns in Vandaag ben ik een lege doos gaan over rondtasten naar de eerste zin (“de zin die alles in beweging moet zetten”) die steeds moeizamer aan de typemachine valt te ontlokken. Het aanzwengelen van de schrijfmotor is een hele klus. Lastiger dan voorheen, maar toch nog met alle finesses van het creatieproces. In deze bundel grijpt hij vaker terug naar het verleden, niet onlogisch, als je heden én toekomst steeds verder afkalven. Parijs duikt er veel in op, want die stad is in hem aanwezig. Gretig citeert hij ook , soms een halve column lang, uit poëzie van zichzelf of van andere schrijvers om zijn denkbeelden te onderstutten. Als het schrijven niet lukt, dan gaat hij soelaas zoeken bij zijn collega’s. Wislawa Szymborska, Les Murray, Joseph Brodsky, Vladimir Majakovksi en vele anderen. Steeds is er die attentie voor het gewone, voor wat hem omgeeft en omcirkelt, en houvast geeft zoals het klokvaste cinemabezoek en het dagelijkse spelletje Scrabble met zijn echtgenote, laat hij momenten oplichten en de beleving verhevigen. De columns fladderen alle richtingen uit, zoals het merkwaardige ‘Luchtgevechten’. Vaak doet een fait-divers uit de krant zijn inspiratie openbloeien. En opvallend ook hoe Campert steeds weer vriendschap een aanzienlijke plek geeft. De treurnis over wie weggevallen is, is manifest aanwezig. Telkens weer weet Campert je voor zich in te nemen en laat hij een aantrekkelijke of melancholische gedachte neerdwarrelen.