Uit een dagbladberichtje bouwt de schrijver een roman op.
Wereldoorlog nummer 1. Bezetting. – Langzame inzinking van de oude traditionele grondslagen waarop het nationaal, het huiselijk en het publiek leven in het vaderland steunde. De morele maatstaven zijn gebroken. Kwade hartstochten, die in de georganiseerde maatschappij in bedwang werden gehouden, breken los. Als een lichtstraaltje in het donker blijft hier en daar een mens gaaf.
De schrijver heeft in de oorlog 1914-1918 gezien en gehoord wat er hier tijdens de bezetting gebeurde. Onder de tweede bezettingsperiode heeft hij met eigen ogen de diepe morele verwarring onder het volk kunnen gadeslaan. Hij heeft als held voor zijn werk gekozen een gewone eenvoudige man uit de massa, die, meegesleept door de verdwazing van het geld-verdienen, ons als het type biedt van de geestesverwildering die een oorlog onvermijdelijk na zich sleept, van de val, de ondergang, de ellende die er uit voortvloeien. Schraapzucht naast vaderlandsliefde, idealisme naast baatzucht en bedrog, zuiverheid des harten naast dierlijke drift, — zo heeft Claes ons in zijn laatste werk een wereld geschapen die als een donkere droom achter ons licht en die velen zal doen nadenken.
Het is ontegenzeggelijk een nieuwe klank in het oeuvre van Ernest Claes. Waar hij op een paar bladzijden even stilstaat, meent men soms iets van de vroegere schrijver terug te horen. Maar het geheel is gegrepen uit een rauwe werkelijkheid die er als een document van maakt uit de somberste periode van ons nationaal leven.
Andreas Ernestus Josephus (Ernest) Claes was een Vlaamse schrijver. Hij was het zevende kind van Jozef Claes en Theresia Lemmens, landbouwers. Wanneer hij negen jaar oud was stierf zijn vader aan longproblemen. Ook hijzelf had een zwakke gezondheid. Vanaf 1898 tot 1905 studeerde hij aan het "Collège patronné de Herenthals", waar de clerus begaafde jongeren uit de arbeidersklasse gratis onderwijs verstrekte, weliswaar in het Frans. Daar ligt ook de kiem van zijn flamigantisme. Hij toonde zich een goed student en ging vanaf 1906 "Philologie Germanique" studeren aan de (franstalige) Leuvense universiteit. Zijn reeds aangehaalde Vlaamsgezindheid bracht hem regelmatig in moeilijkheden. In 1912 huwde hij met Stephanie Claes-Vetter, een Nederlandse schrijfster. In 1913 werd hij benoemd als ambtenaar in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Hij werd hoofdredacteur van Ons Leven, en voorzitter van het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd hij gemobiliseerd. Ook hier bleek zijn flamigantisme: hij klaagde aan dat alle bevelen en onderrichtingen in het Frans gegeven werden. In 1914 werd hij zwaargewond en als krijgsgevangene afgevoerd naar Duitsland. Na zijn vrijlating in 1915 was hij verder actief als correspondent voor kranten en tijdschriften vanuit Frankrijk. De periode volgend op de Eerste Wereldoorlog was voor Claes zeer vruchtbaar. Hij schreef niet minder dan drie "oorlogsboeken": Namen 1914 (1919), Bei uns in Deutschland (1919), Oorlogsnovellen (1919) - maar ook zijn meest bekende werk: De Witte (1920) en De vulgaire geschiedenis van Charelke Dop (1923). Van 1919 tot 1940 heeft Claes gemiddeld elk jaar een werk uitgegeven. In 1934 werd hij verkozen als lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.Deze eerste periode van zijn schrijverschap wordt in 1940 afgesloten met een autobiografische roman: Jeugd, waarvoor hij de staatsprijs voor verhalend proza ontving. Zoals eerder vermeld was Claes Vlaamsgezind en tijdens de oorlog schaarde hij zich achter de Eenheidsbeweging-VNV, wat hem later duur te staan kwam. Hij werd beschuldigd van collaboratie en gedurende drie maanden opgesloten in de gevangenis van Sint-Gillis. Hij werd echter over de ganse lijn vrijgesproken door de Krijgsraad en door het Krijgshof, kreeg zijn politieke en burgerrechten terug en werd als ambtenaar in ere hersteld. Na de Tweede Wereldoorlog begint het tweede hoofdstuk van zijn schrijversloopbaan, dat cumuleerd in werken als Daar is een mens verdronken (1950) en wat men zijn twee meesterwerken kan noemen: Floere, het fluwijn (1950)en Het leven en de dood van Victalis van Gille (1951). Zijn gezondheid ging echter sterk achteruit en op 5 januari 1965 kreeg hij een zware hartaanval. Ernest Claes overleed op 2 september 1968. Hij ligt begraven tegen de muur van de abdijkerk van Averbode. Ernest Claes kreeg verschillende literaire prijzen, onder andere: - August Beernaertprijs (1920) voor Bei uns in Deutschland - Prijs van de provincie Brabant (1936) - Staatsprijs (1942) - Prijs der Vlaamse Provincies (1958) Zijn werk werd in verschillende talen vertaald. De Witte was het eerste Vlaamse literaire werk dat ooit verfilmt werd (reeds in 1934 en opnieuw in 1980). Van Jeroom en Benzamien(1947) werd een televisieserie gemaakt en uit zijn heimatverhalen werd een andere, in Vlaanderen megapopulaire televisieserie,De Heren van Zichem gedistilleerd.
Fantastisch geschreven, de karakters zijn goed uitgewerkt en een wel doordacht plot. Ik moest wel wennen aan de tijdsgeest waarin dit geschreven was, het duurde zo ook even voordat ik plezier had aan het lezen hiervan. Maar nu heb ik spijt dat het uit is. Ik ga zeker kijken of ik nog een boek van Ernest Claes te pakken kan krijgen!
This is a wonderful book that reads like a train, at least the original Dutch version. Describing the interbellum society of Flanders, it is a book of great value for everyone interested in the way of life of their ancestors of a few generations ago. Interesting story, wonderfully written by the renowned autor Claes. Fully deserves four stars.