Essay Perenbomen bloeien wit, Gerbrand Bakker, 1999
De titel “Perenbomen bloeien wit” verwijst naar het gesprek dat de hoofdpersoon Gerson voert met zijn broers op het moment dat zij in de auto op weg zijn naar hun grootouders. Op dat moment krijgt het gezin een ongeluk; de van rechts komende auto krijgt geen voorrang van vader, omdat hij kijkt naar de perenbomen aan de kant van de weg. Gerson moet uit het wrak bevrijd worden. In het ziekenhuis blijken zijn ogen onherstelbaar verwoest. Iedereen, met name Gerson, heeft na het ongeluk moeite om de draad weer op te pakken.
“Denkt u dat ik het lekker vindt om hier in de zon te zitten?” De buurman kon alleen maar ja zeggen. “Zou u het lekker vinden om in de tuin aan het werk te zijn zonder iets te zien? Blind de schop in de grond te steken, zonder iets te zien planten in de grond te poten?”
Sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw wordt in boeken steeds meer aandacht besteed aan onderwerpen die voor die tijd voor jongere lezers niet vanzelfsprekend waren, zoals ziekte, zelfdoding en euthanasie. Ook in dit boek komt zo’n hier-en-nu thema aan de orde. Je kunt je afvragen of het taalgebruik in deze boeken altijd geschikt is voor deze leeftijd. Rond 1985 was dit al reden tot ophef, omdat het boek “Kleine Sofie en lange wapper”, over een ernstig ziek meisje, bekroond werd met de Gouden Griffel. Een boek waarvan men vond dat het absoluut te literair was voor kinderen en veel te abstract geschreven.
Kijkend naar het onderwerp, zelfdoding, wordt de zwaarte hiervan verminderd door de manier waarop het boek is geschreven. Of dit wenselijk is, hangt af van de persoonlijke omstandigheden van de lezer. Het kan confronterend zijn dat er zonder afstand geschreven wordt over dit onderwerp. Je wordt echt meegezogen in het verhaal. Het boek is realistisch en geschreven in begrijpelijke taal. Zonder taboe. Rond 1990 is de discussie over grenzen tussen jeugd- en volwassenenliteratuur in gang gezet, dit boek valt ook in beide categorieën te plaatsen.
Van Coillie (2007) stelt dat sinds de laatste decennia van de vorige eeuw kinderen in boeken steeds meer geconfronteerd worden met problematische situaties als echtscheiding of de dood van een familielid. Ook in dit boek is er sprake van een afwijkende gezinssituatie, moeder is niet in beeld, zij is vertrokken naar het buitenland en laat slechts sporadisch van zich horen. Ze spreken hier weinig over. Gerard, de vader, is zowel vader als moeder tegelijk.
De vertellers in het boek zijn afwisselend de broers, Gerson en zelfs hond Daan, komt aan het woord: “Ik had weinig zin. Erg weinig zin zelfs. Er hing iets in de lucht, iets dreigends. Ik voelde het en wilde wegkruipen, zo diep en ver mogelijk.”
Je voelt aan alles dat er iets staat te gebeuren, al vanaf het moment dat de jongens het spel “zwart” spelen, een verwijzing naar wat komen gaat. De schrijver weet te ontroeren, schrijft ingetogen en realistisch. Van Coillie (2007) geeft aan dat kinderen die een goed geschreven realistisch verhaal lezen, vaak vergeten dat het verhaal fictief is. Zo sterk leven ze mee. Als de personages herkenbaar zijn en een eigen persoonlijkheid hebben blijft het verhaal boeiend. Ik heb dat ook ervaren met dit prachtige boek dat een moeilijk onderwerp niet uit de weg gaat en uitnodigt tot een gesprek.